GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

TOT ZONDE GEMAAKT ¹)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOT ZONDE GEMAAKT ¹)

15 minuten leestijd

Want die, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wii zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. 2 Kor. 5 : 21.

UIT DE SCHRIFT

Er zijn in het evangelie, zoals Paulus dat ook nu nog in de wereld verkondigt, diepten, die ons doen sidderen en hoogten, die ons doen duizelen.

In het woord, dat ik u voorlas, liggen die diepten en hoogten vlak naast elkaar. Paulus zet ze als het ware zó voor ons, dat we ze met één blik kunnen en moeten omvatten.

Inderdaad, Paulus toont ons een diepte, want hij spreekt over zonde ! Hij noemt die zonder enige nadere bepaling. Hij heeft het dus over zonde, zonder meer. Hij noemt die zelfs twéé maal. En is er soms iets verschrikkelijkers in de wereld dan zonde?

Als ge iets van het afschuwelijke, het daemonische karakter van de zonde wilt beseffen, denk dan aan enkele foto's, die bij U, evenals bij mij, onuitwisbaar in het geheugen zijn ingebrand. Ik bedoel de afbeeldingen van de lijkenheuvels, welke na de bevrijding bij de duitse concentratiekampen werden aangetroffen! Denkt u eens in van welk een onmenselijkheid, ja, beestachtigheid zij een openbaring en stomme aanklacht zijn. Realiseert U zich daarbij dan goed, dat dit monsterachtige door mensen aan hun medemensen werd aangedaan. Koud, meedogenloos, cynisch hebben deze hun naasten — mannen, vrouwen en kinderen — gebeuld, vernederd, vermoord en ten slotte als vuil weggesmeten. Stelt u zich dit alles goed voor, tracht daar in te komen, dan gaat iets van het gruwelijke van de zonde voor u leven.

Maar, als we dit doen, laten we dan vooral voor één ding oppassen! Laten we nooit denken, dat wat wij dan als een nachtmerrie doorleven, buiten ons staat en ons innerlijk vreemd is. Laten we nimmer menen, dat wij daarboven staan. Dat zou een kolossale en fatale vergissing wezen! Want al dat lage, gemene, onmenselijke, waarvan die ontstellende lijkenhopen de zichtbare kristallisatie zijn, leeft in ons aller hart. En we zijn wel zeer naief, of liever, we zijn wel buitengewoon verdorven als we dat niet beseffen!

Dat weet ge toch wel? Ge hebt toch wel iets verstaan van wat in uw hart leeft? Ge kent toch wel die duistere wereld van gemene gedachten, verdorven begeerten en gore driften, die diep in ons hart, op de bodem van onze ziel, gisten en woelen, begerig om naar buiten te breken en zich om. te zetten in het boze woord en de slechte daad?

Ge weet het toch wel, dat wij van nature, dat wil zeggen, zó als wij geboren werden, misschien prachtig gecamoufleerd, maar daarom des te fataler, altijd éérst ons zelf zoeken, altijd het éérst aan ons zelf denken ?

Hebt U nooit gesidderd voor de onwaarachtigheid, de leugenachtigheid die heel ons leven en denken doortrekt? Zijt ge nooit angstig, ja wanhopig gewor-

1) Toespraak gehouden voor de Radio op Zondag 6 April j.l. den als het voor u ging leven, hoe ge diep in uw ziel brandt van zelfzucht, eerzucht, gemakzucht, geldzucht? Hebt ge nooit eens beleden, omdat het u te machtig werd, dat ge uit u zelf uw naaste toch eigenlijk nooit zuiver liefhebt, maar dat ge, achter een masker van genegenheid, op uw naaste — uw man, uw vrouw, uw ouders, uw kinderen, uw vriend, uw vriendin — vegeteert en parasiteert en dat ge door middel van hen u zelf zoekt, uw eigen voordeel, uw eigen vreugde, misschien wel uw eigen genot? Hebt u nooit iets gepeild van de zelfzucht, de zelfstreling, zoals deze zich ook en vooral in uw z.g. goede daden doen gelden, ja, misschien zelfs wel het beheersend motief daarvan zijn? Zijt ge nooit geschrokken voor de huichelachtigheid die uw leven soms tot een weerzinwekkend toneelspel maakt?

Als we iets van dit alles gingen zien, kruipt een walging van ons zelf in onze zielen omhoog. En we beginnen iets te verstaan van het woord van onze Heiland — dat is dus van Hem, die als Enige onder de mensenkinderen het mensenleven en het mensenhart volkomen kent —: Want van binnen uit, uit het hart der mensen — hoort U het: Christus zegt het zo algemeen mogelijk: uit het hart des mensen, uit uw en mijn hart — komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand voort! (Mc. 7 VS 21, 22).

Zie, als dit alles voor ons gaat leven, als we de angstige, barre werkelijkheid van dit alles in eigen leven ontdekten, dan beseffen we iets van de verschrikkelijkheid der zonde!

Ja, inderdaad, dan beseffen we iets van de zonde.

Iets, meer niet!

Want de zonde, de eigenlijke, de diepste, de zwaarste zonde, die is iets dat nog oneindig veel gruwelijker is dan alles wat ik u noemde.

De zonde, de eigenlijke zonde, die is immers dit, dat wij God, onze hemelse Vader, niet werkelijk, niet volkomen liefhebbe*a., dat wij Hem niet volkomen vertrouwen, dat Hij niet waarachtig de eerste, de laatste, de Enige in ons leven is!

Alle kwaad, dat mensen elkaar kunnen aandoen, ook het ergste, verdwijnt bij deze zonde eenvoudig in het niet!

Ja, dit is het grote, het verschrikkelijke, het krankzinnige kwaad dat onder de zon is, dat God ons roept en wij Hem maar laten praten; dat Hij ons grijpt en wij ons van Hem los rukken; dat Hij ons dompelt in zijn wonderlijke genade en liefde en wij Hem verachten; dat Hij zijn hart op ons zet en wij Hem ruw of fatsoenlijk, maar in ieder geval duidelijk laten merken, dat wij aan zijn wegen geen lust hebben; kortom, dat de eeuwige Vader van onze Heer Jezus Christus zich uitslooft om ons helemaal te hebben en te houden, omdat we alleen zó werkelijk leven en zalig zijn en dat wij Hem wegslaan uit ons leven en Hem trappen op zijn hart!

Zie — dat is de grote en feitelijk de enige zonde.

Zeker, ze kan zich in allerlei gedaanten vertonen, ze kan op heel veel manieren bedreven worden. Zo, dat men tegen God knarsetandt en Hem vervloekt. Zo, dat men met elegante frivoliteit langs Hem heenleeft. Zo, dat men volstrekt vrijblijvend over Hem redeneert en filosofeert. Zo, dat men Hem, achter een maskerade van allerlei actie en organisatie, een beetje verschraalde christelijkheid en wat verschimmelde kerkelijkheid aanbiedt. Zo, dat men achter een étalage van een of andere vroomheid zichzelf zoekt en uitleeft. Zo, dat men Hem wel een plaatsje in eigen levenshuis aanbiedt, maar alles op voorwaarde, dat men uiteindelijk geheel mag zijn en doen zoals men zelf wil

Zo, en op nog heel veel andere manieren kan men de éne grote zonde doen. Maar dat is allemaal secundair. Dat betreft alleen de vorm, de wijze waarop. Maar de kern van dit alles is de éne, de allesomvattende, heel het leven beheersende zonde, dat wij, mensen, over ons zelf willen beschikken, ons zelf handhaven en dat wij de Eeuwige, Almachtige, liefdevolle Vader van onze Heer Jezus Christus niet toestaan alles in ons leven te zijn en te blijven. Qnze zonde is, dat wij niet oprecht willen en kunnen zingen: Wie heb ik, o mijn God, nevens U in de hemel ? Nevens U 1 u s t mij ook niets op de aarde.

Geachte luisteraars, deze ene, alles doordringende, alles vernielende zonde staat Paulus als een bloedrode verschrikking voor zijn geest, als hij de woorden van 2 Kor. 5 : 2 schrijft.

En nu verzekert hij met alle klem, dat, in tegenstelling met ons, Jezus Christus, de waarachtige mens, die voor negentien eeuwen uit de maagd Maria geboren werd, nadat Hij in haar ontvangen was door de Heilige Geest, en die tegelijk de eeuwige, waarachtige Zoon Gods is, deze zonde niet kende! Jezus Christus, zo betuigt Paulus, had geen weet van deze zonde.

O zeker. Hij leefde er m.iddenin. Hij ontdekte ze in alle mensen, die> Hij ontmoette. Hij zag ze in zijn moeder, in Jozef, in zijn broers, in de strenge, voorname en vrome leidslieden van zijn volk, en ook in de grote volksmassa. Hij zag ze overal en ten volle. Want zijn ogen boorden tot op de bodem van iedere mensenziel. En we kunnen ons niet voorstellen wat het voor Hem betekende, elke dag, elk uur, midden in deze zonde te moeten leven. Als een grau\ye mist, als een ondragelijke stank, als permanente benauwenis kwam ze op Hem af en omringde ze Hem alle dagen van zijn bitter leven op aarde. —

Maar toch: Hij kende de zonde niet. Ze was en bleef Hem volkomen vreemd. Nimmer verrichtte Hij een zondige daad, nooit sprak Hij een slecht woord, geen enkele verdorven gedachte of begeerte kwam in zijn ziel op: Hij had van de zonde geen eigen ervaring. Zij bleef vreemd aan zijn wezen. Hij was en bleef volkomen rein en heilig. In een mensheid, die door de zonde zo is aangetast, dat ieder lid daarvan is verkankerd, was Hij de enige, die zeggen kon, dat Hij zijn Vader en zijn naasten volkomen liefhad en elke dag in alles Gods wet volbracht..

Maar zie, als Paulus ons met alle kracht op de ziel heeft gebonden, dat Jezus Christus geen zonde heeft gekend, komt onmiddellijk daarna een woord, dat ons doet duizelen. *

Hoor, Paulus zegt dit: Jezus Christus, die nooit zonde gekend heeft, die innerlijk aan iedere zonde volkomen vreemd was en bleef, werd door God tot zonde gemaakt!

Ja, zo staat het er werkelijk: God maakte Jezus Christus tot zonde.

En nu, luisteraars, staren we in een diepte, die we nimmer kunnen peilen: onze Heiland, de Heilige en Rechtvaardige, is door God tot zonde gemaakt Dat wil zeggen: de zonde, alle zonde der gehele wereld, de éne, ontzaglijke zonde der gehele mensheid, is naar Gods wil, door Gods daad, naar Jezus Christus toegestroomd, heeft zich op Hem samengepakt en is in Hem ingedrongen, tot Hij één en al zonde, niets dan zonde, één brok ongerechtigheid was geworden!

O neen, Jezus werd geen zondaar! Hij was en bleef in zichzelf, van zichzelf rein en heilig. Zijn hart en zijn ziel bleven vrij van kwaad en van iedere vuile smet. Zijn diepste begeren bleef tegen alle zonde rusteloos ingaan! Maar terwijl Christus zo was en bleef, werd al de zonde der wereld op Hem gelegd. Ze drong in Hem door. Ze werd door Hem opgezogen zoals een < stuk vloeipapier de inkt opzuigt. Zoals een spons het water in zich opneemt, totdat iedere porie er geheel mee gevuld is, zo heeft onze Heiland de zonde in zicli opgenomen — totdat Hij als de grootste, de zwartste zondaar, totdat Hij als één brok walgelijke ongerechtigheid voor God stond.

, Ik zie het als in een visioen voor me. Op een onmeteUjke vlakte is de ganse mensheid samengestroomd. Het is een mensenoceaan! In haar leeft, wroet, kankert de zonde, de éne machtige zonde der wereld. En boven deze zondige mensheid pakt zich al dichter samen de donkere wolk van Gods eeuwige toorn! Aanstonds, nog een ogenblik, en de wraak van de Almachtige zal neerdonderen over de naensen, die de God aller genade hebben gehoord en weggeslagen uit hun leven. Nog één ogenblik en boven de mensheid zal een

gericht losbarsten, zo onbeschrijfelijk verschrikkelijk, dat het iedere voorstelling stuk slaat.

Maar zie, dan verschijnt Jezus Christus. Hij staat hoog opgericht midden in de wereld, midden in de mensenzee. Hij staat daar als de reine, de enig-reine in een wereld vol zonde & \. verloren in schuld. Als God van de hoge hemel naar deze aarde omlaag ziet, aanschouwt Hij een duistere massa. Dat is de zondige mensheid. Dat zijn wij.

Maar daar midden in, als een stralend licht, verheft zich Jezus Christus, vlees van ons vlees, bloed van ons bloed, been van onze beenderen, die Man, die zich niet geschaamd heeft ons .zijn broeders te noemen. Hij is ons in alles gelijk geworden — uitgenomen de zonde.

En zie, dan gebeurt het: Jezus Christus neemt de zonde der wereld op Zich. Ze maakt zich als het ware van de mensheid los en concentreert zich op Hem, in Hem. God stapelt ze, tegelijk met de onmetelijke schuld der wereld, boven op Hem. Ja, Hij wordt nu één en al zonde, niets dan zonde, één - kluwen ongerechtigheid. Er is nu feitelijk maar één zondaar in de wereld — onze Hare Jezus Christus!

En zie, dan geschiedt met Jezus Christus wat steeds de mensheid bedreigde, maar haar nog nimmer overkwam!

Gods toorn, Gods onmetelijke wraak, ontlaadt zich in Jezus Christus. Met oneindig, met eeuwig geweld. Nu onze Heiland zonde, pure, onvermengde zonde geworden is, nu op Hem de ganse wereldschuld ligt, nu slaat Gods oneindige tbom in Hem neer! Zoals een bliksemafleider, hoog boven der mensen sterfelijk hoofd, alle hemelvuur naar zich toetrekt — zo haalt Jezus Christus alle toorn van God naar zich toe. Die slaat met bovenaards geweld op Hem neer. Onze Heiland gaat nu de hel in. Hij wordt een vervloekte. De enige volkomen vervloekte in Gods wijd heelal.

Nu heeft Hij geen gedaante noch heerlijkheid meer. Als wij Hem thans aanzien is er bij Hem geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Nu is Hij veracht en de onwaardigste onder alle mensen. Nu verbergt zich Gods aangezicht voor Hem. Nu is Hij niets dan een verworpene, een uitgestotene, de volstrekte balling in Gods onmetelijke wereld.

Zie, luisteraars, dat is iets van de ontzaglijke werkelijkheid, die Paulus ons hier aanwijst. Dit is iets van dat volkomen onbegrijpelijke, dat onze trouwe, liefdevolle Heiland, die nooit zonde heeft gekend, ja, haar met heel zijn hart verfoeide, door God zelf tot zonde werd gemaakt.

Maar hiermee is nog lang niet alles gezegd wat Paulus in deze diepe, sonore woorden aan de wereld verkondigt.

Het rijkste, het schoonste, de duizelingwekkende hoogte van dit Evangelie, moeten we nog bewonderend gadeslaan.

Paulus schrijft immers, dat God zijn Zoon Jezus Christus tot zonde heeft gemaakt voor ons, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem!

O, ge moet vooral naar deze woorden horen en indrinken wat ze naar U doen toestromen! Er klinkt hemelse muziek in, pure genademuziek! Christus, zo Juicht Paulus ons toe, werd dat alles en onderging dit alles vóór ons, o p d a t w ij in Hem gerechtigheid Gods zouden word en.

Verstaat ge dat: gerechtigheid Gods worden? Neen, neen, het is niet maar, . dat ge wat k r ij g t ! Het is wat worden ! Worden wat ge van uzelf nooit waart en ook nimmer zelf worden zoudt! Het is het grootste en heerlijkste van wat een mens in deze zwarte, gevloelite wereld overkomen kan.

Wat het dan betekent?

O, dat kan een kind verstaan! Het is dit, dat we zó worden, dat God met v r e u g d e op ons neerziet en zijn volle gemeenschap aan ons schenkt. Het betekent, dat alles wat scheiding maakte tussen God en ons, alles wat tussen Hem en ons een muur vormde, is stukgeslagen en weggedaan! Het betekent, dat er nu niets meer „zit" tussen de Almachtige en ons, dat het helemaal „vlak" is tussen Hem en mij. Het betekent dit, dat God, óók als Hij ons zó scherp aanziet als Hij dat alleen kan, geen enkele zonde meer in ons ontdekt: geen enkele zonde, geen enkele smet, geen enkele schuld! Het is kort en goed dit, dat we volkomen rein. en h e i l i g s t a a n in Gods oordeel, vlak voor zijn heilig aangezicht.

Ja, ik hoor het al, ik hoor u al vragen: Hoe kan dat nu? Wij zijn en blijven toch altijd, altijd, doortrapte, hoogmoedige zondaren?

Zeker, wij zijn en blijven altijd zondaren. Wij moeten blijven bidden met de kerk aller eeuwen: Hemelse Vader, eeuwige en barmhartige God, wij erkennen en belijden voor Uw Goddelijke majesteit, dat wij arme, ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verdorvenheid, geneigd tot alle kwaad, en onnut tot enig goed, en dat wij met ons zondig leven zonder ophouden Uw heilige geboden overtreden, waardoor wij Uw toorn tegen ons verwekken, en naar Uw rechtvaardig oordeel op ons laden de eeuwige verdoemenis !

Maar ondanks dat alles, terwijl Paulus dat alles weet, en vasthoudt en predikt, jubelt hij toch, dat wij „gerechtigheid Gods" worden!

En wanneer gij vraagt, hoe- dat wonderbaarlijke mogelijk is, dan is Paulus' antwoord gereed. Gij hebt het hem al horen zeggen! Het is de kern van zijn boodschap hier en in al zijn geschriften! Wij worden rechtvaardigheid Gods IN HEM, dat wil zeggen: in Jezus Christus onze Heer!

In Hem, d.w.z. simpel gelovend in onze Heiland, alleen maar vertrouwend op Hem en schuilend bij Hem, worden wij zo. In Christus' gemeenschap, door het geloof in Hem ingelijfd z ij n wij gerechtigheid Gods. Niets dan gerechtigheid. Volkomen gerechtigheid. Zoals Jezus Christus onze zonde werd, onze zonde met alles wat daaraan vast zit en daaruit voortvloeit, zoals Hij alle zonde van ons overnam en voor ons wegdeed in zijn grote offer •— zo worden wij i n Christus Gods gerechtigheid! Hoort u het goed: wij WORDEN zo gerechtigheid Gods. En als wij dat geworden zijn, wel' dan z ij n we het eeuwig, onverwoestbaar.

Luther heeft het eenmaal zo verrukkelijk schoon en zuiver gezegd, toen hij het over de wereld uitjubelde: Er is een grote, heel onze existentie omvattende r u i 1 geschiedt: Jezus Christus werd onze zonde en wij werden inChristus Gods gerechtigheid.

En, luisteraars, weet nu vooral één ding heel goed.

Dit alles wordt U niet toegeroepen als een schoon boeiend verhaal, niet als een verheven, fascinerende gedachte. Neen, dit wordt U ook nu VERKONDIGD! Dit wordt als evangelie naar U toegedragen. Dat wil zeggen: Jezus Christus pakt U beet en kijkt U aan en lokt u tot zich, opdat gij het geloven zoudt en het dan zo zoudt ontvangen! Over de aethergolven en uit uw luidspreker komt zijn stem tot u. En zo gij zijn stem dan heden hoort, gelooft zijn heil- en troostrijk woord, verhard U niet, maar laat u leiden. En dan en zó zijt ge nu voor eeuwig in Christus Gods

gerechigheid,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

TOT ZONDE GEMAAKT ¹)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's