GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Toen Ds. Biesterveld uit Gorkum zou ver trekken, sprak hij de kerk, wier Dienaar hij was, een woord ten afscheid toe, dat op veler verlangen het licht zag, en ten titel draagt

T> Dat gij dit gebod houdt."

Hierin zegt hij met hel oog op de Belijdenis onzer Gereformeerde kerken dit:

In het bijzonder leggen wij in dit uur den nadruk op het onbevlekt en onberispelijk houden der goede belijdenis, die de gemeente voor vele getuigen bele den heeft.

Ja, zij heeft een goede belijden'? ! God gaf haarden schat van Zijn Woord Dat Woord is Zijne openbaring; de bekendmaking Zijner verborgenheden. Daarin wordt ons gesproken van Vader, Zoon en Geest, in wezen, plan, werk en gave. Gansch die Schrift is Gods openbaring in woord en in feit. Zij leert ons wat wij hebben te gelooven, en wat wij hebben te doen. Van haar. die kenbron der Godskennis, kan piet te veel goeds worden gezegd. Zij kan niet te hoog worden gesteld. Zij is niet maar toetssteen of het goud onzer kennis wel echt is, maar de mijn zelf, waaruit dat goud moet gedolven. Zij is de bron die het levend water houdt, dat onzen dorst kan lesschen.

En nu heeft God nog meer gedaan.

Kort geleden herdachten wij het, dat Hij den Heili' gen Geest uitstortte in het midden der gemeente Het ambt van dien Geest, zou zijn, dat Hij troostte in het schenken der rijkste gaven, maar ook dat Hij leiden zou in alle waarheid. Hij zou indachtig maken wat Het Woord heeft gezegd. Hij zou de waarheid der Schrift brengen tot het bewustzijn van de gemeente.

Niets buiten de Godsopenbaring, dat zou de leuze van zijnen arbeid zijn.

Als ge naar builen gaat in den oogsttijd, dan ziet ge de goudgele korenaar vol voedzame korrels. Geheel die aar, met al haar korrels is de ontwikkeling van één korrel, die aan den grond werd toevertrouwd. Niets vreemds werd er aan toegedaan; geheel kwam die aar uit dien korrel. Alleenlijk moet die korrel sterven in de aarde, bevochtigd worden door den milden regen, beschenen worden door de koesterende zonnestralen — en zoo schoot de wortel naar beneden, toonde zich straks het sprietje boven den grond, groeide dat sprietje op tot een aar, die zelfs door.den Noordewind vaster werd en degelijker in kracht.

Zoo ging het met de goede belijdenis van 's Heeren gemeente. Niets mag aan haar zijn, dat vreemd is aan het Woord Gods. Dat Woord is die korrel, waaruit die aar moet groeien. Maar zou die aar zich ontwikkelen, dan moest het Woord gegeven aan die gemeente, en onder bedauwing en koestering des geestes ontkiemen, ontwikkelen. Zelfs de stormwind van dwaling moest dienen de aldus groeiende belijdenis vaster te doen wortelen. Aldus volbracht ook de Heilige Geest zijn ambt. Hij maakte in den loop van achttien eeuwen de waarheid aan de gemeente duidelijk. Hoe langer zoo helderder werd die belijdenis bij alle bestrijding van Ariaan, Sabelliaan, Pelagiaan of Papist. En nu staat zij daar voor ons als een gave des Geestes. Zouden wij niet allereerst hier mogen denken aan de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken in dezen lande, en naast haar aan die van andere landen in ons werelddeel? Zij, die zoo helder de grondgedachte der Heilige Schrift vertolken, de eere Gods bovenal, hebben immers de liefde van ons hart?

En wat ons nog niet duidelijk is uit den Woorde Gods — God zal het duidelijk maken en vorm geven in uitgesproken belijdenis, om de gemeente rijp te maken voor de volle kennis Gods.

De arbeid aan die Belijdenis ten koste te leggen, is dan ook nog op verre na niet ten einde gebracht:

Ook op dit gebied heelt de gemeente zeer veel te doen. Hare belijdenis wordt meer dan ooit bestreden. Alle oude ketterijen duiken in nieuwen vorm op. Pelagianisme en Arminianisme dingen naar den voorrang. De kritiek werpt zich op óf in stout ontkennenden vorm, óf met zoet vroom gelaat trachtend het Woord Gods te verzwakken, óf het zijn plaats als be • ginsel van kennen en belijden te ontnemen. Nog anderen, en hun getal is waarlijk niet gering, willen der gemeente geheel en al het recht van belijdenis betwisten. Schijnbaar komen zij op voor de eere der Schrift en meenen dat eene belijdenis strijdt met hare algenoegzaamheid. Zij willen waken voor vrijheid, en leggen ons de vraag voor: wilt gij de menschen dan binden in hunne consciëntie, verbieden vrij te zijn? Zelfs beschuldigen de zoodanigen ons dat wij in plaats van den paus te Rome, een papieren paus hebben gekozen, om over ons te heerschen.

Tegenover dat alles handhaven wij de gedachte dat de gemeente, ja zij alleen het recht van belijdenis heeft. Zij heeft de macht om het Woord te bewaren en uit te leggen.

Het is noodig dat zij eene belijdenis heeft, ten bewijze dat zij de waarheid in zich heeft opgenomen en opdat ketterij worde ontmaskerd, en uit het midden der gemeente worde geweerd. Vol gezag moet die belijdenis hebben in het midden der gemeente.

Wie het anders wil, bezondigt zich aan de historie, miskent het werk des Geestes van een achttiental eeuwen, wil in trotschen eigenwaan dat werk verbeteren.

»Houdt dit gebod", zoo klinkt onze vermaning vooral op dit gebied. De gemeente wake dat die haar goed niet worde weggeroofd. Wij hebben die erve van onze vaderen gekregen, en mogen haar niet verkwis - ten, maar moeten haar zuiver en verrijkt overgeven aan ons nageslacht. De gemeente heeft die belijdenis afgelegd voor vele getuigen. Zij was steeds getuige en martelares. Die twee woorden beteekenen in het Grieksch hetzelfde. Moet het zijn, dan ook «martelares" en altijd «getuige." Zij leere en leve naar het goddelijk gebod, en zij in woord en in werk een licht van den Heere. Zij wake door tucht voor verontreiniging harer erve. De belijdenis is het voornaamste goed der gemeente. Voor haar ofïere zij alles op, goed, eer, aanzien. Zoo doe ook 's Heeren gemeente hier te lande! En hebben wij dan op het droeve verschijnsel te wijzen, dat kerkelijk gedeeld ligt, wat in belijdenis en tucht één is — o I dan zouden wij het allen die belang stellen in Sions welvaren, willen toe • roepen: denkt bovenal aan het goed dat gij gemeenschappelijk bezit. En zal dat goed niet slechts bewaard, maar ook verrijkt worden, dan is noodzakelijk de samenwoning aller belijders in één organisch verband dat werkt naar 's Heeren wil. Niets mogen wij prijs geven van wat God in woord, belijdenis of historische leiding ons gaf, maar evenmin krampachtig vasthou • den wat zonder schade, om de broederen te winnen, kan losgelaten worden.

Dat er een wedstrijd der liefde ontstond, wie de minste zou zijn, en de eenheid der gemeente zou spoedig openbaar worden.

Ook dit laatste heeft onze volle instemming. De belijdenis en niets dan de belijdenis; dus ook de belijdenis van de beginselen onzer Gereformeerde kerkenordening; moet de band der vereeniging van alle Gereformeerden in den lande zijn.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juli 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juli 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken