GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Voor de menschen”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Voor de menschen”.

7 minuten leestijd

[PINKSTEREN 1914].

En ik zeg u: een iegelijk, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ook de Zoon des menschen belijden voor de engelen Gods. Lucas 12 : 8.

Ons Pinksterfeest heeft ook zijn kant naar binnen^ maar van de drie groote Christenfeesten is het toch Pinksteren dat ons 't sterkst oproept tot actie naar buiten.

Op het Kerstfeest vallen we in aanbidding neder voor het Kindeke van Bethlehem; op ons Paschen jubelen we in den triumf van het leven over den dood. Zoo zijn we bij beide deze hooge feesten geheel passief. Ons wordt het Kindeke geschonken. Ons komt 't leven te midden van onzen dood nader. En nu is het op Pinksteren ook wel een hemelsche gave die ons geschonken wordt, maar die gave blijft niet binnen in ons, maar wil werken naar buiten door ons. Het is de Heilige Geest die tot 't hart des menschen ingaat, en die door dien ingang in ons hart ons prikkelt, bezielt, aandrijft, en oproept tot een actie, Gode ter eere, naar buiten, in heel onzen levenskring.

Twee kanten heeft ons Pinksterfeest alzoo, De ééne naar binnen, want eerst moet de kracht des Geestes ons innerlijk raken, treffen en verheffen. We moeten voelen, weten en bekennen, dat ons een hemelsche kracht, een Goddelijk vermogen, een bij ons steeds inwonende heerlijkheid, van onzen God ten deel viel. Ddt is de gave die ons verrijkt, die ons tot aanbidding aanzet, en die ons een gemeenschap des geestes met het leven daarboven geeft. Een ingaan van God den Heiligen Geest in den tempel van ons hart, om het nieuwe Ik in ons tot geboorte te brengen, en ons te doen beseffen, dat de wereld van Gods engelen ons in zooveel opzichten nader staat dan de zichtbare wereld om ons heen.

Maar bij dien binnenkant blijft het niet. Ons Ik heeft een dubbele wereld, waarin het gewaarwordt en leeft. Er is de verborgen wereld daarboven, waarvan de wereldling zelfs het bestaan niet vermoedt, en die ook aan ons eerst door de instraling van het licht des Geestes kenbaar is geworden. Vroeger hadden ook wij niet anders dan de zichtbare wereld. Dat was ook voor ons toen al onze wereld. Daar gingen we in op. Daar leefden we voor. En daar wijdden we ons aan toe. Maar sinds is dit anders geworden. We zijn tot de ontdekking gekomen, dat er ook een onzichtbare wereld is. We leerden verstaan, dat die onzichtbare wereld zich ook voor ons ontsloten had. We gingen met ons bewustzijn alsnu in die geestelijke wereld in. En in die geestelijke wereld hebben ook wij toen den Heihgen Geest ontmoet. Die ontmoeting is ons zalig geworden. En zoo dikwijls we ons nu naar binnen keeren, staren we niet in een armzalig ledig, staren we niet in de donkerheid van den nacht, en overvalt ons niet de stilheid als van 't graf, maar dan ontsluit zich veeleer een overrijke nieuwe wereld voor ons, die tot in het eeuwige doorgaat, en die ons overstort met glanzen en heerlijkheden en zielsgenietingen, waarbij alle pracht en weelde der wereld verbleekt.

Doch nu hebben we nog een tweede wereld, en die bereiken wil niet door de poort van ons hart, maar door onze oogen te openen en door ons oor ^te luisteren te leggen, en de aandoeningen op te vangen die uit het rumoer dier wereld op ons aandringen. Dat is voor ons de buitenkant van 't leven. Dat is de omgeving, waarin God ons door onze geboorte heeft geplaatst. De wereld waarin we uitwendig en zichtbaar ons leven te doorleven hebben. De wereld waarin we ons ter ruste begeven, en waarin we van ons leger opstaan, om onze dagtaak te aanvaarden. Dat vormt de omgeving, waarin we onze broeders en zusters leeren kennen, waarin ons vaderland ligt, en waarin we tot aan ons sterven toe verkeeren, omdat in die zichtbare wereld zelfs het graf voor ons gedolven wordt en ons de doodsponde bereid is.

In dien buitenkant van ons aanzijn, in die zichtbare wereld, in die tastbare omgeving, daarin ligt nu onze actie. Actie op elk gebied, naar uw ambt, uw roeping, uw dagtaak is. Maar in die omgeving, in die buitenwereld moet gij nu optreden met de Pinkstertoorts in de hand, en om 't hoofd, eir om uw hart, die hoogere glans, dien Gods genade uit den hemel u gereikt heeft, toen God de HeiUge Geest zich den toegang ook tot uw persoonlijk hart ontsloot.

Nu toch wil die Heilige Geest van u tweeërlei.

Allereerst wil God de Heilige Geest, dat gij 't nu in de zichtbare wereld om u heen duidelijk kenbaar zult maken, wat verandering er in een mensch plaats grijpt, als zijn hart een tempel des Heiligen Geestes wordt. Dat kan niet van zelt blijken. Dat moet iets nieuws in u te zien geven. Daar moet iets door openbaar worden, dat voorheen niet bij u te ontdekken viel.

Een andere stemming in uw hart. Een andere bhk op 't leven. Een andere wijze om de heden om u heen te bejegenen. Het najagen van een gewijzigd doel. Een ander voorbeeld moet er van u uitgaan. Tot zelfs uw stem, als ge prijst of toornt, moet anders klinken. Iets van een hemelschen toon. Iets wat ge vroeger zoo niet hadt. Nu altoos rijker, luider, bezielender. Minner afstootend, meer lokkend. Een hefde uitstralend, zooals vroeger nooit. Jezus steeds meer gestalte in u krijgend.

Doch hiermee voldoet ge nog niet.

Er moet meer zijn. Niet alleen dat ge een ' anderen indruk maakt en een ander beeld vertoont, maar ook, dat ge een actie van u laat uitgaan, om wie nog van verre staat, uit het 'onheihge erf naar het heiUge erf over te roepen.

Velen zinnen daarop niet genoeg.

Ze zijn wel vroom, ze zijn wel ten deele een licht op den berg, en lang niet zoo zelden zal de wereldhng wel zeggen: »Wat zijn die vromen die waarachtig in Jezus gelooven, toch gelukkige menschen"; maar daar laten ze het dan ook bij. Ze komen niet in actie. Een actief Christendom is hun nog vreemd.

En daartegen nu juist komt uw Pinksteren protest indienen.

Pinksteren wil en eischt, dat er van zijn gebenedijden zelfs alzijdige actie uitga.

Een actie in hefdebetoon. In het ondervangen van het lijden. In het verzorgen van de armen. In het verplegen van de kranken, In het schenken van vrede, waar oneenigheid het levensgeluk verstoorde.

Maar ook zoo is het nog niet genoeg.

Er moet ook propaganda voor Jezus zijn. Een roepen naar Jezus van wie nogafdoolt. Een oproepen ten eeuwigen leven. Een waarschuwen tegen een sterven buiten den Heiland.

Nu willen velen ook dit wel, en daarom doen ze aan missie. Veel aan missie zelfs. Wie niet zelf kan uitgaan, verzamelt geld, opdat anderen kunnen uittrekken. Men wekt er toe op. Men bidt er voor. Men geniet, zoo er bericht komt, dat er weer Heidenen en Joden of Mohamedanen den doop in naam van God Drieëenig ontvingen.

Maar zie nu hoe zonderling.

Zij die voor de missie warm zijn, en voor de missie mildelijk offeren, opdat een ander van hier naar Java of Celebes of Borneo ga, om in Jezus naam te doopen, ze verkeeren eiken dag in hun eigen stad, of in hun eigen dorp met pure heidenen, d. w. z. met menschen, die van Gods Woord geheel vervreemd zijn en voor Jezus niets gevoelen. Ja met allerlei atheïsten en materialisten die nog erger dan heidyien zijn, en verre beneden de Paganisten staan, en ... dan zwijgen ze.

Ge zoudt denken, dat ze dan zelf de missie zouden ter hand nemen, en niet rusten, eer zulk een man of vrouw nu door henzelve, en dan met warmte, de prediking van het EvangeUe te hooren kreeg.

Maar niets ervan.

Ze zwijgen.

Ze zwijgen van daag, ze zwijgen morgen. Weken en maanden gaan ze met zulke kennissen om, en aldoor zwijgen ze.

Over alles spreken en redeneeren ze met hen.

In vollen toon zetten ze telkens weer de conversatie in.

Maar als ge zulk-een nu vraagt: »Ge gaat veel om met dien man, of met die vrouw, maar hoe dikwijls hebt ge ze nu reeds tot Jezus, tot het Evangehe, en tot bekeering geroepen? ", — dan slaan ze beschaamd de oogen neder, en zeggen u half lispelend, dat ze dit nog nimmer deden.

En toch viert ge Pinksteren!

Ook nu weer ?

Maar doe het dan ditmaal althans niet zoo, dat uw feestjubel op Pinksteren u een aanklacht brengt voor uw eigen conscientie.

Vergeet 't woord van Jezus niet, dat ge hem belijden moet voor de menschen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

„Voor de menschen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken