Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Het honderdjarig bestaan der Hervormde Kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het honderdjarig bestaan der Hervormde Kerk.

10 minuten leestijd

De Hervormde Kerk heeft 6 Januari' haar eeuwfeest gevierd. Het was toen juist honderd, jaar geleden, dat Koning Willem l zijn naam zette onder het reglement, waardoor de Gereformeerde Kerken van haar vrijheid en zelfstandige organisatie werden berooftl en opgesmolten werden in een nieiiw genootschap, dat zich met den titel van de Nederlandsche Hervormde Kerk tooide.

Van veel geestdrift of feestviering was bij dit eeuwfeest geen sprake. Zelfs in de' Hervormde Kerk ging het feit schier onopgemerkt voorbij. En dat was niet, omdat de tijden waarin we leven, te ernstig zijn om aan feestbetoon te doen. Het was, omdat de toestanden in de Hervormde Kerk zelf zoo bitter droef zijn, dat wel niemand lust heeft, om haar jubileum op hooggestemden toon te vieren.

Over de onwettigheid van de Koninklijke daad, waaraan de Hervormde Kerk haar oorsprong dankt, is thans wel ieder het eens. Men mag verzachtende omstandigheden aanvoeren, voor wat Koning Willem I deed, maar geen jurist van naam durft nog het pleit voeren voor hetgeen niet anders dan een daad van Koninklijke machtsusurpatie is geweest, waartoe noch de grondwet noch eenige andere wet den Koning de bevoegdheid schonk. En zelfs al ware de organisatie, die de Koning toen aan de Gereformeerde Kerken oplegde, de meest gewenschte voor haar geweest, dan nog bleef op de Hervormde Kerk een vitium originis kleven. Ze is in ongerechtigheid geboren en haar bestaansgrond zelf deugt daarom niet.

Maar nog veel erger dan deze onwettigheid van haar oorsprong is het feit, dat Koning Willem I aan de Kerk een organisatie heeft opgedrongen, die, al was dit niet zoo door hem bedoeld, voor die Kerk veeleer ten vloek dan ten zegen is geworden. Zij alleen toch is de oorzaak geweest van al de ellende en jammer, waarmede de gereformeerde Kerken na dien tijd hebben te worstelen gehad. Verstrikt in een kunstig gesponnen net van reglementen, verioren de Gereformeerde Kerken door deze organisatie al' haar vrijheid van beweging en.werden ze onder hetjukeener Synode gebracht, die nooit anders heeft gedaan dan wie voor de aloude belijdenis der Gereformeerde Kerk opkwam, te vervolgen en uit te bannen.

Alleen de vrijzinnigen, die lijnrecht tegen het levensbeginsel der Gereformeerde Kerk overstaan, hebben dan ook reden om Koning Willem I voor deze onwettige daad te loven en te prijzen. De schrijver van het Kerknieuws in de Nieuwe Rotterdammer komt hier rond voor uit:

Anders staat het met de vrijzinnigen. Verdraagzaam het goed recht van verschillende geloofsopvattingen naast elkander erkennende, kunnen zij waardeering gevoelen voor een instelling, die op het samenwonen der richtingen is aangelegd. De geest van ruimhartigheid en het zachte beleid, die aan het reglement op de Ned. Herv. Kerk in 1816 het aanzijn hebben geschonken, zijn hun geenszins vreemd. Zij beseffen de kindskinderen te zijn van de voorvaderen, die de grondwet van hun kerkgenootschaj) hebben ontworpen en opgesteld, gelijk de ultra-orthodoxen in de mannen der classis Arasterdam, die al aanstonds verzet daartegen aanteekenden, hun geestelijke voorzaten eeren. Gemoedelijker en praktischer van aanleg, kunnen de vrijzinnigen, ook al zouden zij met Prof. Knappert moeten toestemmen, dat Koning Willem 1 eigenmachtig te werk is gegaan, de oplossing die hij gaf, een zegen noemen, vooral als zij denken aan de langzaamheid, van den voor wettig gehouden weg van classis, provinciale en nationale syn9de. Met dezen kerkgeschiedschrijver roepen zij uit: »Ware hij bewandeld — wie weet hoelang de verwarring riog had geduurd ? Niet bevangen door de retrospectieve fantazieën van hun oud-Dordtsche medeleden, mogen zij dan ook met erkentej^'jkheid aan de stichting van hun kerkgenootschap terugdenken.

Metterdaad, de vrijzinnigheid alleen lieeft reden tot. dankbaarheid voor deze machtsdaad van Koning Willem I, want daardoor alleen was het haar mogelijk, dat zij zich al deze jaren in de Kerk heeft kunnen handhaven.

Al mag de redacteur van de N. Rotterdammer zelf niet zoo hoog de loftrompet steken voor de Hervormde Kerk, hij acht als »onbevooroordeeld« — zonderling toch, dat de liberale heeren zichzelf bij voorkeur altijd als onbevooroordeeld aandienen —, dat er toch wel iets goeds voor de honderdjarige te zeggen valt.

En inderdaad is er voor den onbevooroordeelde^ wel reden tot dankbaarheid; Want heeft niet de Ned. Herv. Kerk. in de wandeling genoemd de jgroote" of de «volkskerk", ofschoon honderd jaar lang beschimpt en gesmaad, door een honderd jaar lange ervaring tevens "bewezen, dat het samenwonen van godsdienstige richtingen in ééa kerkgenootschap mogelijk is ? \A'at ware er van de wel niet in getallen uit te drukken, maar desniettemin geenszins denkbeeldige godsdienstige opvoeding van ons Protestanlsche volksdeel geworden, zoo het, naar gelang zijner theok'gische schakeeringen, in honderd-en-een kleine kerkgenootschapjes verknipt ware geweest ?

Geheel anders luidt natuurlijk het oordeel van hen, die van een elk-wat-wils-kerk niets willen weten en voor een belijdende Kerk opkomen.

Zóo schreef de WaarJiad^^^a^^-'j'accuse, dat in heftigheid van beschuldigin'J kwalijk overtroffen kan worden. De schrijver noemt de stichting der Hervormde Kerk rqndweg .een volksramp.

Het is een volksxaxa-^ geweest toen. men de Nederlandsche Kerk der Reformatie in 1816 gemuilkorfd heeft en in boeien heeft geslagen. Toen men haar belijdenis heeft vastgelegd en krachteloos gemaakt door allerlei dwaze, zondige bepalingen en omschrijvingen. Toen men geloof en ongeloof, waarheid en leugen ging gelijk stellen in de Kerk des Heeren, — welke alleen te vragen heeft naar Gods Woord en zich te bewegeri heeft in Gods wegen.

Der natie is onnoemelijke schade berokkend door die hooghartige, dwaze, zondige, der waarheid vijandige daad, op Kerkelijk erf bedreven, onder leiding van een van de Oranje-vorsten.

Heeft Prins Willem - — ook daarin een Vader des Vaderlands zijnde — geijverd voer de vrijheid der gereformeerde Waarheid én de zelfstandigheid der Gereformeerde Kerk; heeft Prins Maurits bij de twisten tusschen Remonstranten en Gereformeerden het zwaard in de weegschaal geworpen ten voordeele van de laatsten, daarin een zegen brengend over het volk — niet alzoo is het geweest in 1816.

Jammerlijk moment in de historie van Kerk en Vaderland!

Tijdens zijn ballingschap had de Oranje-vorst kennis gemaakt met de bisschoppelijke Kerk in Engeland en met de Luthersche consistoriale Kerk in Duitschland. , En waar door den invloed der revolutie alles gansch verward lag, ook c^i) Kerkelijk terrein, daar heeft toen dï Oranjevorst, Koning Willem I, — minder Staatsman dan Administrateur, die in de liberale richting Zijner staatkunde niet veel tegenstand vond — het aangedurfd, om, niet de bestaande Kerkelijke vergaderingen te helpen en de Kerk in haar eigen element te laten en haar te steunen, maar, met een geest van centralisatie vervuld, de Kerk des Heeren in dezen lande van haar karakter te berooven en haar te klinken in een synodaal-dwangbuis, dat de dood zou worden voor het gezonde, krachtige leven van het lichaam des Heeren, welks hoofd de verheerlijkte Koning in den hemel is en welks schat is Gods dierbaar en eeuwig-blijvend Woord.

Regeeren met administreeren verwarrend, heeft deze nazaat van den Vader des Vaderlands de Kerk des Heeren in dezen lande een slag toegebracht, die ontzettend is geweest, waarin een volksramp besloten lag.

De Kerk des Heeren is gemaakt' tot een genootschap; tot een Vereeniging van elk wat wils.

En dat is geschied op ongi-ondwettige wijze. Waarin zeer zeker in 1852 een groote wijziging is gekomen, toen de Kerk weer aan zichzelf werd teruggegeven — maar onder regime van de Synodale organisatie, zijnde nu een gevangene onder de hand van den cipier, door den Koning aangesteld; welke cipier tot eere gekomen, zijn tyranniek karakter hpe langs hoe meer heeft geopenbaard op onverdragelijke, stootende, ergerlijke* wijze.

De Kerk is niet zichzelf.

De Kerk leeft niet haar eigen leven, zich voegend naar Gods wonder-wijze en liefderijkzegenende ordinantiën.

En' daar onderi^indt heel het volk onnoemelijke srhade van.

De lampen, over de Kerk gekomen, zijn volksrampen.

En in zijn Kroniek in ons Gereformeerd Theologisch Tijdschrift geeft Ds. J. C. Rullmann, na eerst er op gewezen te hebben, hoe in de eerstvolgende jaren ons drie kerkhistorische jubilea wachten: in djtjaar het honderdjarig bestaan der Synodale organisatie, in 1917 het vierde eeuwfeest der Kerhervorming en in 1918 de driehonderdiarige herdenking der Nationale Synode van Dordt, over eerstgenoemd jubileum het volgende oordeel.

Geen hooggestemde lofrede wil mij van de lippen als ik denk aan de invoering van het »Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerks, dat den 7den Januari 1816 koninklijk goedgekeurd werd. Hoe m, eer ik er van te weten kom, hoe meer ik ze beschouw als de grootste ramp, die onze Gereformeerde Kerken in de negentiende eeuw getroffen heeft.

Na uitvoerige citaten te hebben meegedeeld uit het protest, dat de Classis Amsterdam in 1816 tegen de invoering van het reglement inzond, geeft Ds. Rullmann dan voorts in dit met zorg bewerkte artikel tal van uitspraken van Prof. Gunning om te doen zien, hoe ook deze leidsman der ethischen over de synodale organisatie den staf brak. Hij eindigt met het treffende citaat uit diens »Geloof en Kerkvorm" over te nemen :

»Wij willen ook in het Kerkelijke laten gelden de spreuk : »Alle ziel zij den machten die over haar gesteld zijn, onderworpen; want er is geene macht dan van God.» Nu is de Heere Jezus Christus (niet een onbepaalde naam, maar bedoeld in den zin waarin de Hervormde belijdenis dien naam uitspreekt) de éénige van God gestelde macht in de Kerk, en Zijne ordeningen en geboden het eenige dat van Boven over ons gesteld is. En wat het Synodaal bestuur aangaat, dat is noch van God, noch ook is het eene Macht.

Neen, ook niet een Macht in den zin die alleen in de Kerk van Christus gelden kan. Zedelijk recht van bestaan, d.i. een recht dat in het Woord van God en in het geloof der Gemeente gegrond is, zoodanig recht heeft het Synodaal Bestuur volstrekt* niet. Daarom ook heeft het geene macht, niet de minste beteekeiiis voor het geloofsbesef en het zedelijk leven der gemeente.» ... sHeihg, gezegend is ons de gemeenschap in het huis des Gebeds, zoo zij w a a r 1 ij k is eene gemeenschap des Geloofs, eene verheerlijking Gods in geest en in waarheid. Maar indien de koperen slang ten slotte als een doode overgeleverde vorm wordt bewierookt, zoo zegenen wij den Hiskia die haar in stukken slaat in weerwil van de eerwaardigheid der herinneringen die zich aaii haar vastknoopen — Nehustan! Aldus dorsten wij naar den tijd der meer duidelijke tegenstelhng tusschen Geloof , en Ongeloof: ja wij wachten met ernstige vreugde op de verbrijzeling van het door velen bewierookte afgodsbeeld der kerkelijkheid met de • valsche bevrediging die zij schenkt in de godgeleerdheid en in het leven der gemeente — Nehustan!«

Om daaraan dan zelf nog toe te voegen :

Jammer slechts dat in '86, toen iix. Kuyper hüt afgodsbeeld van het Synodaal kerkisme-in stukken wilde slaan. Dr. Gunning dezen Hiskia niet meer zegende, maar zelf mee deed aan .het bewierooken van Nehustan.

En datzelfde geldt van Dr. Vos, die de Synode eenmaal vergeleek bij „een lichte, snelle kemehn die hare wegen verdraait." Van Ds. Segers, die zijn vreugdegroet zou brengen „aan de eerste de beste kerk, die den moed had om het synodaal verband te verbreken". En van Dr. Hoedemaker, die uitriep „God gave dat Friesland van zijn Noordergrens tot zijn Zuiderhoek opstond met God tegen de Synode".

Hadden deze mannen en hun geestverwanten toen inderdaad meegewerkt aan de verbrijzehng van het afgodsbeeld, wij zouden thans, bij ons juichen over onze verlossing van de synodale* organisatie, niet meer hoeven te bidden, gelijk we nu blijven doen : »Breng, Heer! al uw gevangenen weder«.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Het honderdjarig bestaan der Hervormde Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken