GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

36 minuten leestijd

„Nihilisme".

Prof. Hepp heeft een gruwelijke ontdekking gedaan. Hij is een verschrikkelijk monster op het spoor gekomen. Een monster levend nog wel op het gereformeerde erft Reeds eerder had hij de sporen ervan ontdekt, de lucht ervan geroken. Nu evenwel is het ondier zóó afschuwelijk voor den dag geliomen, dat liij gemeend heeft het in „Credo" te moeten signaleeren.

Wat is dan wel het geval?

In onze Gereformeerde Kerken is, naar de meening van den professor, een „nihilisme" werkzaam.

Weet ge lezer, wat dat is?

„Nihilisme" — dat is de naam van een vreeselijke leer. De verdedigers ervan zijn de meest weerzinwekkende menschen, die men zich denken kan. Hun zwarte gestalten doemen voor ons op, vooral in de geschiedenis van Rusland. Het waren mannen en vrouwen, bezield door een demonische haat tegen de maatschappelijke en politieke orde. Alle middelen waren huns inziens geoorloofd om de huidige maatschappij tot een ruïne te maken. Als wapenen gebniikten ze bij voorkeur bommen en andei'e helsche machines. Ze hebben tientallen menschen, vooral aanzienlijken, ja, zelfs vorsten, vermoord. En ze deden dat zonder de minste wroeging.

Het nihilisme in onze kerken, zooals Prof. Hepp het meent ontdekt te hebben, is gelukkig nog niet dit maatschappelijke nihilisme. Neen, hij meent te zien een dogmatisch nihilisme. Het is dus een leer, een richting, die — als we het woord van Prof. Hepp ernstig nemen — het op den ondergang van de dogmatiek toeleggen. Inderdaad, indien het waar zou zijn, een verschrikkelijk voornemen.

Moreel is het met deze dogmatische nihilisten ook niet in orde. Het zijn achterbaksche lieden. Heel wat van de dogmatiek hebben ze al verwoest. Maar — ze zeggen het niet eerlijk en open! Zoo af en toe komen ze met een voorzichtige vernielingspoging voor den dag. Liefst zich verschuilend achter anderen: laf gedoe van slavenzielen! Maar Prof. Hepp doorziet het en hij roept ze op om maar eens eerlijk alles te zeggen. Dan weet ons Gereformeerde volk waar het aan toe is. En geen enkele gereformeerde mag tegenover dit sluwe, listige, sloopende pogen werkeloos blijven.

Welke zijn nu de sinistere figuren, die Prof. Hepp bij deze beschuldiging op het oog heeft?

Misschien dacht iemand aanstonds aan predikanten en leden, die nog wel eens leelijke dingen zeggen van „die dogmatiek" en „die dogma's". Menschen, die er behoefte aan hebben zoo af en toe eens uit te roepen, „dat het in dogmatische kennis toch maar niet zit" en „dat ge met al die dogmatiek toch nog wel verloren kunt gaan". Daarmee gevend niet zoozeer een vermaning aan dogmatistische zielen als wel een uiting van eigen afkeer ten aanzien der dogmatiek.

Wie dit ging vermoeden heeft zich evenwel vergist. Prof. Hepp kijkt in een andere richting. Men leze slechts wat hij schrijft. Naar de gewoonte van „De Reformatie" geven we het geheele stuk van Prof. Hepp hier weer:

Dogmatische onderscheidingen.

In het „Kerkblad voor Haarlem" tracht Ds C. Veenhof opruiming te houden van bekende dogmatische onderscheidingen. Hij schrijft:

Zoo kan men soms wonderlijk hooren spreken over organisch en mechanisch. Een leermeester van me zei eens met een ooiijken glimlach: „Als de menschen het eens mooi willen zeggen, dan gebruiken ze het woord „organisch" maar eens een keer". Zoo wordt er gewerkt, of beter gezegd: gespeeld en geknoeid met de termen formeel en materieel. Ze klinken nog al geleerd bovendien. En tegenwoordig praten de menschen weer druk over onderwerpelijk en voorwerpelijk. Moet een preek voorwerpelijk of onderwerpelijk; voorwerpelijk e n onderwerpelijk; voorwerpelijk noch onderwerpelijk zijn?

Vooral echter de onderscheiding van inwendig en uitwendig heeft allerlei toepassing gevonden en... onnoemelijk veel schade gedaan. Och, dat men die woorden had gereserveerd voor geneesmiddelen! U weet wel: bestemd voor uitwendig of inwendig gebruik. Of hadde men slechts van uitwendig gesproken voor wat den buiten­ kant van voorwerpen of lichamen betreft en inwendig alleen voor dat wat er echt in zit.

Maar neen, men ging spreken van een inwendige en een uitwendige kerk, van een inwendig en een uitwendig geloof, van een inwendig en een uitwendig verbond, van een inwendige en uitwendige roeping, van een inwendig en een uitwendig aanbod van genade enz. enz.

Tot zoover Ds Veenhof.

Een paar onderscheidingen heeft Ds V. er hier bij gefabriceerd. Het is onder ons b.v. niet gebruikelijk te spreken van een inwendige en uitwendige Kerk, een inwendig en uitwendig aanbod van genade.

Dat de onderscheiding inwendig en uitwendig soms misbruikt wordt, weet schier ieder.

Maar op de onderscheiding van in- en uitwendige roeping het veto toe te passen, is een verzet plegen tegen de Gereformeerde dogmatiek van ouds af tot op heden.

Ds Veenhof verschuilt zich hier achter een Hervormd predikant.

Doch, afgedacht daarvan of beiden hetzelfde bedoelen, is dit toch beneden den emst der zaak.

Het wordt bijna een manie om dogmatische onderscheidingen naar den rommelzolder te laten verhuizen.

Archetypisch en ectypisch, de kennis van Christus naar Zijn menschelijke natuur, die van de geloovigen in den hemel, die van de geloovigen op aarde werden reeds als contrabande over boord geworpen. Voor de onderscheiding tusschen algemeen en bijzonder werd angst uitgesproken.

Nu moet in- en uitwendige roeping er aan gelooven.

Wat stelt men hiervoor in de plaats?

Niets.

Men schept in de dogmatiek een vacuum, een luchtledig.

Wij vragen ons af: wat volgt er nu?

Dat men alles maar opeens noemde!

Dan wisten we, waar wij aan toe waren.

Welk Gereformeerde ziet dit „nihilisme" niet met leede oogen aan.

Waarop moet dit uitloopen?

Hiertegenover mag niemand werkeloos blijven.

Daarom begin ik met te signaleeren.

Tot zoover Prof. Hepp.

Men ziet: het is ernstig en dreigend genoeg!

Om de situatie te leeren kennen — vooral om te zien wat er van dat leelijke „verschuilen achter een Hervormd predikant" waar is — wil ik even meedeelen, dat ik in het „Kerkblad van Haarlem" een rubriek verzorg „Onder de streep", waarin ik allerlei interessante artikelen, fragmenten uit boeken enz. overneem, die voor ons huidige kerkelijke leven van belang zijn. Vooral nam ik daarin op vergeten stukken uit Kuypers werk, die licht kunnen verspreiden over de moeilijkheden en vraagstukken onzer dagen. Juist van Kuyper, die tegenwoordig meer geprezen dan gekend wordt.

Prof. Hepp liet afdrukken de „inleiding" op een artikel, inderdaad overgenomen van „een Hervormd predikant".

Maar waarom noemt hij diens naam niet?

Want het is niet maar de eerste de beste.

Het is niemand anders dan Ds J. G. Woelderink, de Gereformeerde in hart en nieren, de fijne kenner der Reformatorische theologie, de man, die worstelt in „De Waarheidsvriend" om de Gereformeerden in de Hervormde Kerk weer te leiden naar de reformatorische verbonds- en doopsopvatting.

Wat Prof. Hepp zegt over er bij gefabriceerde onderscheidingen: laat ik hem de verzekering mogen geven, dat ik alleen die onderscheidingen noemde, waarover ik met eigen oogen las en waarvan ik met eigen ooren hoorde.

Een heel stuk van Prof. Hepps tirade gaat langs ondergeteekende heen; dit alleen wil ik ervan zeggen, dat het deels beslist onjuist is, deels de zaak in een geheel verkeerd licht plaatst.

Wat nu de eigenlijke kwestie betreft, die van „uitwendige" en „inwendige" roeping — voor alles wil ik hier het stuk van Ds Woelderink overnemen. Daarover gaat het, daarmede betuigde ik openlijk mijn instemming. Van verschuilen is geen sprake. Onze lezers kunnen dan zelf over dit verschrikkelijk symptoom van nihilisme oordeelen.

Het is een stuk, genomen uit Ds Woelderink's artikelenserie over „Het Doopsformulier", en is te vinden in „De Waarheidsvriend", 28ste Jaargang, No. 28.

Zooals de Schrift niet weet van tweeërlei verbond, zoo weet de Schrift evenmin van tweeërlei roeping. En het getuigt van weinig Schriftuurlijken zin, als men uit het feit, dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn, wil afleiden, dat er ook tweeërlei roeping is.

In de gelijkenis van den zaaier spreekt de Heiland van vierderlei akkergrond, maar niet van vierderlei zaad. Het is één en hetzelfde zaad, dat uitgestrooid wordt, maar alleen in den goeden grond brengt dit zaad vrucht voort. De vierderlei grond, waarop het zaad geworpen wordt, kan dus tot tweeërlei grond teruggebracht worden, onvruchtbare en vruchtbare grond. Zoo zijn er tweeërlei kinderen des verbonds, bastaarden en ware kinderen, maar zij zijn allen met dezelfde roeping geroepen geworden, de roeping tot bekeering en geloof, of wil men tot geloof en bekeering. Dat deze roeping bij den een vrucht draagt en tot bekeering leidt en bij den ander niet, mag en kan alleen uit de verborgen verkiezende genade Gods verklaard worden, waardoor de Heilige Geest voor de roeping een plaats in het hart bereidt en deze een krachtdadigen ingang doet vinden, maar daardoor wordt de roeping, geen andere, zoodat naast de eerste roeping zich een tweede zou bevinden, die aan de eerste wordt toegevoegd. Daardoor maakt men een scheiding tusschen Woord en Geest, die de Schrift niet kent en die opnieuw aan de wederdoopers herinnert, die naast de roeping van het uitwendige woord een roeping des Geestes plaatsten*).

Wanneer men deze tweeërlei roeping aanduidt met de namen in- en uitwendig, bedoelt men met uitwendig te zeggen, dat de roeping slechts tot het gehoor des oors komt, maar de inwendige roeping dringt door tot in het hart. Echter, de Schrift leert ons, dat ook de roeping, die afgewezen en weerstaan wordt, den mensch inwendig, in het binnenste van zijn ziel, vaak hevig ontroerd heeft, zoo dat het woord uitwendig hier niet voldoen kan. Want niet alle menschen die verloren gaan, zijn te vergelijken met den harden weg, waarop het zaad valt en het dringt niet in het minst in den bodem in. Daarom teekende de Heiland ons ook die, die zulk een inwendige ommekeer en verandering kennen, dat er alle hoop op vrucht schijnt te zijn en toch wordt deze hoop afgesneden.

Aan de andere zijde, als de roeping Gods tot ware bekeering mag leiden, heeft de Heilige Geest deze roeping ingang in het hart doen vinden, deze roeping, want hier komt geen tweede roeping naast de eerste, maar die roeping, die men soms jaren had afgewezen, wordt ten slotte krachtdadig gemaakt door de overtuiging des Geestes. Er is hier dus geen sprake van een tweede roeping, een inwendige naast de uitwendige, maar wanneer men dit spraakgebruik wil aanhouden, kan men hoogstens zeggen, dat de uitwendige roeping inwendig geheiligd wordt. Tweeërlei roeping is er niet en toch — dat is de bittere vrucht van de leer der twee verbonden — toch hebben de menschen hun leven overeenkomstig dezen gedachtengang ingericht.

Het is mij meer dan éénmaal op huisbezoek overkomen, dat, als ik den nadruk legde op de roeping tot bekeering en geloof, waartoe de Heere in Zijn Woord roept en dringt, men antwoordde: ja, maar dat is de uitwendige roeping; maar wat zal een mensch, die dood in zonden en misdaden is, daarmede uitrichten; mochten wij ook maar eens met de inwendige roeping geroepen worden! Hier ontmoet men zeer duidelijk den gedachtengang van Trigland; de Heere roept in het uitwendige verbond wel tot geloof en bekeering, maar Hij geeft niet wat in staat stelt deze roeping op te volgen. Het inwendige verbond kent een andere roeping, die dat wel geeft. Wel nu, zoo hebben de meeste menschen de conclusie getrokken, dan kunnen wij die eerste roeping van het uitwendige verbond wel naast ons neerleggen, want daar is toch niets mede te beginnen en blijft er niets anders over dan te wachten totdat wij nog eens met die andere roeping begiftigd worden.

Wie dit stuk nauwkeurig doorleest zal ontdekken, dat niets, letterlijk niets van de waarheid der Schrift aangaande de roeping Gods wordt geloochend, maar wel van harte wordt aanvaard. Alleen wordt roeping genoemd wat ook inderdaad roeping is en wordt hel werk des Geestes, waardoor deze roeping gehoord en aanvaard wordt, daarvan onderscheiden, ook in den naam. En dat niet uit revolutionaire vernielzucht, maar om den ernst van Gods roeping zoo streng mogelijk te handhaven.

Het is mij dan ook een raadsel hoe Prof. Hepp zoo fel en bitter en verdachtmakend kon schrijven.

In nog vreemder licht komt dit alles te staan als men weet, dat Dr Kuyper die werking des Geestes in den uitverkorene, waardoor de roeping gehoord en verstaan wordt evenmin een „inwendige roeping" in den eigenlijken zin des woords wil noemen.

Wel spreekt hij van een „inwendige" roeping, maar nadrukkelijk zegt hij, dat dit eigenlijk onjuist is.

Dit kan in de lijn van Kuyper's denken ook niet anders.

Immers: Dr Kuyper omschrijft de roeping als volgt. Het is „een toespraak, die van Gods wege tot ons menschelijk bewustzijn (!) uitgaat, om ons als zondaren door de wet onze verdoemenis en door het Evangelie de verlossing in Christus voor oogen te stellen, om als nu uit de duisternis ons te roepen naar het licht. Deze roeping heeft alleen plaats bij hen, die tot jaren van onderscheid zijn gekomen, niet bij jong wegstervende kinderen. Zij heeft tot achtergrond zekere algemeene roeping door de stemme der natuur, maar verkrijgt haar eigenaardig karakter eerst door de prediking des Woords. Zij richt zich niet tot allen, maar tot die volken en personen, tot wie de Heere Zijn Woord uitzendt en onder deze zoowel tot verkorenen als verlorenen. Tot de verlorenen om hen schuldig te stellen als die zulk een genade verwerpen, en tot de verkorenen om hen het heil met hun bewustzijn te doen bevatten. Deze vocatio (=: roeping) in engeren zin richt zich deels tot wedergeborenen, deels tot nog niet-wedergeborenen. Door niet-wedergeborenen kan zij door eene gemeene genade met een uitwendige bevatting, die soms zeer ver gaat (zie Hebr. 6), opgenomen worden, hetzij tot hun oordeel, zoo zij verloren gaan, hetzij als gratia praeparans (= voorbereidende genade) niet hunner wedergeboorte, maar hunner bekeering" ^).

Aldus heeft Dr Kuyper de roeping zelf omschreven. Men lette er op, dat hij spreekt van roeping zonder eenige bijvoeging, zonder eenige nadere bepaling. De woorden zijn letterlijk zoo door hem gedicteerd. In de (niet door Kuyper gedicteerde, maar door studenten

genoteerde) toelichting vinden we nog dit. „De roeping Gods is dus het uitgaan van een woord uit Gods bewustzijn, dat zich richt op ons bewustzijn; het is geen melding, geen bericht, maar roepen en daarom moet de zondaar het kunnen verstaan en tot werkzaamheid er door geprikkeld worden."

Zal deze i'oeping evenwel worden gehoord, dan moet er nog wat gebeuren. Er moet komen een daad van den Heiligen Geest, waardoor de roeping verstaan, aanvaard, ge-hoord wordt. Daarom laat Dr Kuyper op de bovengenoemde (gedicteerde) woorden onmiddellijk volgen: „Bij de wedergeborenen beantwoordt aan deze uitwendige roeping eene werking van den Heiligen Geest, die te zijner tijd het geestelijk licht in hun bewustzijn ontsteekt en hun zin en hun wil onder het bedwang brengt van het dictamen (= voorschrift) van hun verhelderd bewustzijn te moeten volgen".

Men ziet: dit is een bij de eerstgenoemde roeping bijkomende daad des Geestes, van die roeping scherp te onderscheiden, schoon nooit te scheiden. De roeping is een toespraak, komend van Godswege. Die daad des Geestes is een ontvankelijk maken van het bewustzijn vóór die roeping. Er is het verschil van het zaaien van het zaad en het toebereiden van den akker. Bij die daad des Geestes is de mensch lijdelijk, naar Dr Kuyper nadrukkelijk betoogt.

Kuyper vervolgt danr „Deze daad van den Heiligen Geest, die op het door God bepaalde tijdstip plaats grijpt, veronderstelt voorafgaande wedergeboorte en draagt in fignnrlijken zin ook wel den naam van vocatio interna (= inwendige roeping).

Men lette op het (door mij) gespatiëerde. In figuurlijken zin m^ag die daad des Geestes den naam inwendige roeping dragen. Eigenlijk is het dus geen roeping.

Dit is niet maar een, overigens volkomen gerechtvaardigde, conclusie uit een bewering van Kuyper. Neen, letterlijk vinden we die bewering in de boven reeds genoemde toelichting. Kuyper schrijft daar, dat onze vaderen spraken van een vocatio interna (= inwendige roeping). Maar Kuyper laat er aanstonds op volgen: „Eigenlijk is dit onjuist, want men bedoelt, het smaken, dat men die roeping hooren kan". Precies wat ik bedoelde te zeggen en door Ds Woelderink zoo keurig werd betoogd.

Dat dit maar niet een los idee van Kuyper is, blijkt wel hieruit, dat we in E Voto hetzelfde vinden. Sprekende over bekeering, betoogt hij daar: „Wat nu het inwendig werk des Heeren hierbij aangaat, dit is uiteraard geheel verborgen en dus voor geen ontleding vatbaar. Want wel noemt men het vaak de inwendige roeping, maar ook deze naam is immer overdrachtelijk en wijst slechts op een enkel bestanddeel van deze inwendige werking"^).

'De naam is o verdrachtelij k, eigenlijk ze dus anders worden genoemd. moet

Kuyper blijft spreken van „inwendige roeping" — zeer zeker — maar we zullen nooit mogen vergeten, dat die naam figuurlijk is, overdrachtelijk, eigenlijkonjuist.

• Wat blijft er nu over van het holle betoog van Prof. Hepp?

Is dit nu nihilisme, waartegen alle Gereformeerden te wapen moeten worden geroepen?

Is dit een „opruiming houden van dogmatische onderscheidingen"? Een kind kan begrijpen, dat de onderscheidingen volkomen worden gehandhaafd, ja zelfs verscherpt worden tot in de terminologie: wat e i g e n 1 ij k geen roeping is worde niet „roeping" genoemd!

Raadselachtig blijft me deze uitval van Prof. Hepp. Waarom dit krenkende, verdachtmakende, onjuiste geschrijf? Is het nu ten eenenmale onmogelijk op loyale, nobele, zakelijke manier bezwaren tegen anderer opvattingen in te brengen? Dit is polemiek van de allerslechtste soort.

C. V.

Naschrift. Dit artikel was reeds ingezonden voor het nummer van de vorige week, doch kon toen helaas door gebrek aan plaatsruimte niet worden opgenomen.

Sindsdien heeft Prof. Hepp de zaak nog wat verder opgeschroefd. Openlijk word ik den „Credo"-lezers voorgesteld als afwijkende van de belijdenis! O ja, ik doe dat „vanzelf onbedoeld en onbewust", maar ik doe het dan toch maar. Het gaat weer naar de bekende methode, reeds op zoovelen toegepast, die iets betoogden, dat Prof. Hepp niet naar den zin was. Afwijking van de belijdenis, die van „uitwendige" en „inwendige" roeping niet rept!

Ik ga op dit geschrijf niet verder in. Met diepe ontroering zie ik hoe Prof. Hepp de broeders tegen elkaar opzweept, verdeeldheid zaait, achterdocht wekt. Zijn methode belemmert iedere zakelijke discussie. Ik wil eerlijk bekennen, dat ik deze manier van schrijven en polemiseeren, schijnbaar zoo zacht, maar Inderdaad zoo bitter en wondend, niet versta. Wat zou het anders zijn als er de wil was om te verstaan, de wil om de verschillen tot de juiste proporties terug te brengen.

C. V.

Een dringend verzoek aan Prol. Hepp.

Ds C. Veenhof spreekt in het hiervorenstaande stuk uit, dat hij geen lust meer heeft, verder op het geschrijf van Prof. Hepp in te gaan. Met mij staat het niet anders. Maar ik doe erg veel, waaraan ik geen „lust" heb, omdat ik geloof, dat het noodig is. En zoo meen ik, dat het noodig is, nog eens even over de door Prof. Hepp op het tapijt gebrachte kwestie door te praten. Men moet nu geen weeklachten aanheffen, omdat Prof. Hepp het weer ontgelden moet; want niemands memorie zij zóó zwak, dat ze zou vergeten, dat wij Prof. Hepp niet aanvallen, maar hij zelf de aanvaller is. En wij weten veel te goed, hoe funest zijn nimmer scherp argumenteerend geschrijf in sommige kringen gaat werken, zoodra we het onweersproken laten. Het gereformeerde volk heeft er trouwens recht op, te weten, hoe en door wie het wordt „geleid". Verantwoording tegenover dit volk is, dank zij Gods genade, altijd „werkzaam" geweest, al kan het wat lang duren.

Ik zou — thans ter zake komende — Prof. Hepp nog eens weer willen vragen, alleen te critiseeren, als hij de zaak, waarover hij het heeft, beheerscht. Tot mijn spijt moet ik alweer aantoonen, dat Prof. Hepp de kwesties, waarover hij in polemisch verband spreekt, niet machtig is. Ten aanzien van de onderscheiding „uitwendige en inwendige kerk" sprak ik reeds verleden week; en bood ik hem bewijs aan. Terzake van den „inwendigen en uitwendigen mensch" heb ik hem vroeger al eens, in afweer van zijn (thans naar het schijnt gestaakte) brochures aan zijn polemische jas moeten trekken. Prof. Hepp had n.l. beweerd — het ging tegen Prof. Vollenhoven, of den heer Janse, dat weet ik niet precies meer — dat alleen de wedergeborene een inwendigen mensch had. Ik toonde hem uit Prof. Greijdanus' kommentaren aan, dat ook de onwedergeborene een inwendigen mensch heeft. Prof. Hepp verwarde n.l. den nieuwen mensch, met den inwendigen mensch.

Gelijke verwarring van begrippen speelt hem nu weer parten, nu hij Ds Veenhof (en over diens hoofd heen ook mij) aanvalt. Ook mij; — niet alsof ik over inen uitwendige roeping tot nu toe geschreven heb; maar ik had het over enkele andere punten, waarover Prof. Hepp bij wijze van verzuchting de klok gaat luiden zonder te (doen) weten, waar de klepel hangt; zie b.v., voor wat deze punten betreft, wat hij (in het door Ds Veenhof aangehaalde gedeelte) zegt omtrent archetypisch—ectypisch, etc. „De Wachter", en andere bladen, hebben van wat ik dienaangaande opmerkte, ook de klepel aangewezen. Prof. Hepp daarentegen blijft in dezen maar in de ruimte spreken. Dit zij zoo.

Anders evenwel handelt collega Hepp, wat betreft die in- en uitwendige roeping. Hier komt hij inderdaad over de brug. Temeer daarom spijt het mij, dat wat hij dienaangaande opmerkt, mij herinnert aan zijn misverstand inzake in- en uitwendigen mensch.

Deze parallel zal den lezers dadelijk doorzichtig zijn. Prof. Hepp — zijn identificatie van de door hem onderscheiden „tweeërlei roeping" met de uit- en inwendige bewijst het — Prof. Hepp meent, dat „inwendige roeping" alleen bij uitverkorenen voorkomt. Een gereformeerd leerboek daarentegen als de Synopsis (waarop hij zich tegenover Prof. Vollenhoven in verband met de twee-naturen-leer destijds met lof beriep, al was 't beroep ook onjuist, zie „De Reformatie" Juni 1937) een leerboek als de Synopsis daarentegen zegt: er is „inwendige" roeping zoowel bij uitverkorenen als niet-uitverkorenen. Er is een inwendige roeping mèt, en er is óók een inwendige roeping zónder „kracht", d.w.z. uitwerking tot zaligheid. Ziedaar het conflict.

Om Prof. Hepp recht te doen, zullen we eerst citeeren, wat hij in het laatste nummer van „Credo" schreef (het gedeelte, dat Ds Veenhof maar liever niet nader ontleedde). Hier is het:

De vorig© week maakte ik onder „Persschouw" er melding van, dat een onzer predikanten de onderscheiding tusschen uitwendige en inwendige roeping van ouds door de Gereformeerde dogmatiek gemaakt, wraakte en haar zelfs eenigermate ridiculiseerde.

Hiermee wendt hij zich niet alleen af van het dogmatische spraakgebruik, maar, ofschoon vanzelf onbedoeld en onbewust, ook zakelijk van de Gereformeerde belijdenis.

Ik zal dit niet uitvoerig aantoonen, doch slechts een greep uit het confessioneele materiaal doen.

Slaat slechts op hoofdstuk Hl en IV van'da Dordtsche Leerregels.

Daar leest giji in artikel 10:

„Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mensch niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrijen wil zoude onderscheiden van anderen, die met even groote of genoegzame genade tot het geloof en de bekeering voorzien zijn (hetwelk de hoovaardige ketterij van Pelagius stelt); mEiar men moet het Gode toeschrijven, die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzoo ook diezelfden in den tijd krachtig- 1 ij k roept, met het geloof en de bekeering begiftigt en uit de macht der duisternis verlost zijnde tot het rijk Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij niet in zichzelf, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen."

Geen twijfel kan er bij u rijzen of hier is spraie, en wel letterlijk sprake, van tweeërlei roeping, één door de bediening des Evangelies en één krachtdadige roeping, waarop de begif-433 tiging met geloof en bekeering volgt. 50!at beide roepingen niet dezelfde zijn, leert u ten overvloede artikel 9, dat aldus begint: „D& t er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het EVangelie, noch in Christus, door iet Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept en zelfs ook dien Hl ij roept onderscheiden gaven mededeelt, maar in degenen, die geroepen worden." Alzoo: de bediening des Evangelies roept zoowel hen, die komen en bekeerd worden als hen, die niet komen en niet bekeerd worden. De b.e diening des Evangelies is een roeping, die tot beiden uitgaat. Zijl werkt op zichzelf de zaligheid niet. De uitverkorenen ontvangen echter nog een andere n.l. de krachtdadige roeping.

Die bediening des Evangelies nu is een uiterlijke of uitwendige roeping, de krachtdadige een inwendige of een tot in de binnenste deelen van den mensch.

Leest het maar in artikel 11:

„Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekeering in hen werkt, zoo is het, dat Hiji niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken en hun verstand kraohtiglijk verlicht, opdat zij recht zouden, verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot in de binnenste deelen des mensc'hen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes" enz.

Ook in artikel 12 wordt weer van de uiterlijke prediking gesproken.

Hieruit ziet ge, hoe de dogmatische onderscheiding van uit- en inwendig en inzonderheid die van uitwendige en inwendige roeping zoo goed als woordelijk in de Dordtsche Leerregels wordt gevonden.

Meer zeg ik er op dit oogenblik niet van.

Moge dit genoeg zijn om het stokpaard, dat men berijdt, in houtjes te haikken en voor de kachel te bestemmen.

Nu is het wel typeerend — helaas — dat een hoogleeraar, die aantoonen wil, dat een broeder „ook z a k e- 1 ij k van de Gereformeerde belijdenis" (om van „de" dogmatiek nu maar te zwijgen) „zich afwendt", het in zijn bewijsvoering niet verder brengt dan tot het „zoo goed als" van de derde alinea van achteren. Wie zijn geest in toom heeft, en weet, wat er aan termen der confessie zoo al vast zit, zal met zulk een „zoo goed als" niet content zijn, als 't er op aankomt, anderen aan te klagen bij het gereformeerde volk. Uit heel het perswerk van Ds Veenhof (om van zijn prediking maar te zwijgen) blijkt, dat hij met groeten nadruk leert, wat de belijdenis in de aangehaalde passage zegt. De oorzaak van het misverstand ligt dan ook niet bij den predikant van Haarlem, maar bij den professor van Amsterdam, die in den waan verkeert, dat in de gereformeerde dogmatiek „inwendige roeping" synoniem is met Gods „indringen tot in 's menschen binnenste met de krachtige werking van den wederbarenden Geest"; en die daardoor blijk geeft, de gereformeerde dogmatiek op dit punt niet te kennen. Hetgeen wij niet graag zouden gezegd hebben, als we niet gedwongen waren, verdachtmaking den kop in te drukken.

Ten bewijze noemen we enkele uitspraken. Enkele maar; in de hoop, dat het weinige „genoeg" moge zijn, om het aan valsvehikel, dat Prof. Hepp „berijdt, in houtjes te hakken en voor de kachel te bestemmen".

Met den bekenden Gomarus beginnen we.

Ook Gomarus schijnt, voor wie oppervlakkig leest, de redeneering van Prof. Hepp wel te steunen. Hij heeft immers, gelijk men bij Trigland („Kerk-gesch.", Leiden 1650, bl. 249, 256) lezen kan (vgl. „Oordeel ende Censure", 1617) in December 1595 met de Professoren Junius en L. Trelcatius'zijn handteekening gezet onder een aan Gedeputeerden geadresseerde memorie, waarin de meeningen van Ds Cornells Wiggerts (van Hoorn) werden beoordeeld en afgewezen. In dit stuk komt ook de kwestie der roeping ter sprake. Aan Ds Wiggerts wordt o.m. dit verweten, „dat hy de uytwendighe beroepinge vermenght met de inwendighe, ende dat hy van d' eene wil argumenteren tot d' ander, ofte tot alle beyde te ghelyck. Want" — en nu komen de professoren, ook Gomarus zelf, voor hun eigen meening uit — „want de uytwendige beroepinge was (by exempel) gemeyn beyde den Moordenaren hangende aan de zijden Christi: maer de inwendighe was alleen des eenen in het bysonder".

Men ziet het, ook Gomarus spreekt in een gemeenschappelijk verzonden missive over de „roeping" als uit- èn als inwendig.

Maar dat hij daeu-mee nog allerminst in Prof. Hepp's schuitje zou overgestapt zijn, hadde hij dat gekund, dat blijkt wel uit zijn eigen theologisch oeuvre.

Men vergelijke daartoe maar eens wat Prof. Hepp èn wat Gomarus betoogt.

Prof. Hepp wil blijkbaar ons aannemelijk maken, dat de termen „krachtdadige roeping" en „inwendige roeping" synoniem zijn. Dat blijkt uit heel zijn oppositie tegen den „achter" Ds Woelderink „zich verschuilenden" Ds Veenhof, deze zou anders allen zin verliezen. Het blijkt ten overvloede uit hetredebeleid van zijn woorden.

Welnu, wat Ds Woelderink gezegd heeft, lijkt aardig op wat Gomarus, als hij maar nader op de dingen ingaat, leeren wil. Langdurige studie van Gomarus' latijnsche geschriften is hier niet eens noodig; reeds in het register kan men dadelijk zien, dat volgens hem de roeping, die niet tot zaligheid leidt, tweeërlei kan zijn:

484 a. alleen uitwendig;

b. deels óók inwendig.

Er is dus een inwendige roeping, die niet krachtdadig is, niet bekeert, niet tot geloof voert. Zoekt men de aangehaalde plaats op (ed. Amst., 1664, 418, b), dan hoort men Gomarus als volgt redeneeren:

De roeping kan mèt of zónder zaligheidseffect zijn.

Laatstgenoemde (zónder heilsvrucht dus) kan op twee manieren geschieden:

a. alleen uiterlijk of uitwendig (prediking en sacramentsbediening); zóó is het bij hen, die het evangelie weigeren te hooren, en den doop verachten, of ook, bij hen, die de prediking wel hooren, maar ze niet toestemmen, haar niet bijvallen, of haar niet verstaan);

b; deels óók innerlijk (inwendig); zóó is het bij hen, die het evangelie hooren, de waarheid er van verstaan, hetzij mèt, hetzij zónder toestemming er van; maar die dit alles dan doen met een „dood geloof", dat niet tot goede werken komt, en geen vertrouwen des harten baart. Eerstalsdaterbij komt, is er een roeping, die „inwendig" (d.w.z. tot het innerlijke doorgedrongen) en dan OOK NOG krachtig (efficax) is.

Prof. Hepp zegt dus: „de inwendige roeping" is altijd „de krachtige".

Prof. Gomarus zou zeggen: pardon, collega. En moet nu mijn dogmatisch paardje óók al de kachel in? Inwendige roeping is een roeping, die den inwendigen mensch raakt. Maar of ze den inwendigen mensch ook vernieuwt, ja dat is een andere kwestie.-

En wederom: Prof. Hepp zegt: de krachtdadige roeping is inwendig.

Prof. Gomarus daarentegen zou tegenwerpen: pardon, collega, ze is zoowel uitwendig, als inwendig. Want z.i. is de krachtdadige roeping zulk ééne, waarbij degenen, die tot de gemeenschap van Christus geroepen worden, ook daarheen door de werking des Geestes worden geleid^).

Gomarus onder de nieuwlichters? Of onder de „jasverknippers"? O neen. Hij is alleen maar niet onder de „epigonen".

Uit Gomarus' laatste opmerking wordt reeds duidelijk, dat de dogmatiek, ook al onderscheidt ze gemakshalve tusschen „uit-" en „inwendige" roeping vaak in dier voege, dat onder eerstgenoemde de „bloot" uiterlijke, onder de tweede de „óók vernieuwende" verstaan wordt, toch de „inwendige en dan tevens krachtdadige wederbarende roeping" van de prediking des Woords niet los maakt, in „gewone gevallen". lunius (Theses Theol. XXXH, 6, en 10) zegt dan ook, dat wat den „vorm" betreft, de prediking, de bediening der sacramenten, de gemeenschap der kerk, niet alleen behoort tot de „uitwendige", MAAR OOK tot de „inwendige", en dan tevens „krachtdadige" „roeping tot zaligheid". Maar behalve dit alles („praeter") treedt dan hierbij óók nog die werkzame actie des Geestes op, waardoor wij worden vernieuwd, wedergeboren (Opera, I, 1608, 1681/2).

De onderscheiding tusschen uit- en inwendige roeping was dan ook bij lunius een verschil, dat de manier, de wij ze (den „modus") van het roepen raakt.

Men lette daar wel op.

Wanneer het gaat over het verschil in EFFECT (uitwerking), dat de „roeping" hebben kan, dan wordt ze onderscheiden in: „krachtdadige" (werkzame, ter zaligheid werkzame) èn niet-„krachtdadige" (in dien specialen zin werkzame) roeping.

Maar handelt men over de MANIER, de WIJZE van „roepen", dan kan men onderscheiden tusschen „uitwendig" en „inwendig", volgens lunius.

Hier ligt een tweede oorzaak van misverstand.

Ds Veenhof had opgemerkt: och, had men de onderscheiding „uitwendig-inwendig" maar opgespaard voor die gevallen, waarin het heusch ging om buitenkantsen binnenkantskwesties. Maar zoo voegde hij er aan toe — ze hebben vaak er van gemaakt: ongeestelijk-geestelijk; niet-krachtdadig, wèl-krachtdadig.

Nu interrumpeert Prof. Hepp, en blijkt te willen zeggen: toch is inderdaad in dit geval „uitwendig": niét krachtdadig, en „inwendig": wèl krachtdadig.

Maar hier haalt Prof. Hepp de onderscheiding naar het „effect" door de andere van de „m a n i e r " heen. En dat brengt nu de verwarring aan de dispuuttafel. Want nu wordt vergeten, dat de onderscheiding van „wijze" (in- en uitwendig) toepasselijk kan zijn op de tweeërlei naar het effect uiteengaande roeping, d.w.z. zoowel op de krachtdadige, als op de niet-krachtdadige.

Men moet toch wat voorzichtig omgaan met de begrippen. Als ik b.v. nu eens op een goeden dag bezwaar inbracht tegen de onderscheiding van werkzame (krachtige) en niet-werkzame (niet-krachtige) roeping, dan zou men dadelijk heel wat gereformeerden tegen mij in 't geweer kunnen roepen, en de noodklok luiden: een nihilist in de buurt! Maar 't zou toch geen zakelijk verschil met mijn gereformeerde vaderen (althans) zijn: dezelfde lunius, die zooeven tusschen krachtdadige en niet-krachtdadige roeping onderscheidde, zegt later (terecht) zelf, dat de roeping toch altijd wat doet, dat ze nóóit niets doet, wijl Gods Woord nooit ledig tot Hem wederkeert (II, 351, tractaat De Nat. & Gr.).

Men moet de dingen uit elkaar houden.

Den eenen keer kan men iets volhouden (tegen afwijkende meening A), wat men een volgenden keer, voor wat de TERMEN betreft, toch feitelijk weer loslaat (ter ontkoming n.l. aan afwijking B). Indertijd heb ik dat aangetoond, toen het ging over de „onwederstandelijke genade". Hier hebben we iets dergelijks. Gebrek aan onderscheiding werkt altijd schadelijk, vooral, als aanklagers zich er aan schuldig maken, om van „nihilisme" te spreken.

Was reeds bij lunius de onderscheiding tusschen inen uitwendige roeping een kwestie, die de WIJZE van het roepen raakte, niet anders is het in het bekende leerboek: de Synopsis. Tusschen in- en uitwendige roeping wordt óók aldaar (XXX, 39) onderscheiden; maar blijkens wat daar vlak vóór staat, geschiedt dit s 1 e c h t s gemakshalve, in een kortej gedrongen spreekwijze. Veel vaker wordt (en dan wil het boek zich meer nauwkeurig uitdrukken) gesproken van de uitwendige WIJZE, en de inwendige WIJZE (of manier) der roeping. Een bizonderheid, die men al weer niet straffeloos, met Prof. Hepp, negeeren kan.

Want, wie ze voor oogen houdt, kan nu des te gemakkelijker verstaan, hoe de Synopsis tot uitspraken komt, die Prof. Hepp zouden kunnen doen rillen.

We geven er enkele.

Niet steeds — zoo begint het 'boek zijn betoog — niet steeds bedient God Zich van beide wijzen (of manieren) der roeping, wanneer Hij een mensch bekeeren wil. Niet steeds; het is dus wèl de regel. Er zijn er, die de Heere tot zich roept, alleen maar door een innerlijk werk des Geestes in hun binnenste zonder uiterlijken dienst des Woords. 'Déze manier van roeping, ze moge dan al leiden tot de zaligheid, en daartoe genoegzaam zijn, is evenwel niet de gewone, ze is zeldzaam, en ons onbekend.

Tot zoover loopt alles goed tusschen Prof. Hepp en de Synopsis.

Maar dan komt het verschil tusschen de professoren Hepp en Polyander (die n.l. dit gedeelte der Synopsis speciaal verzorgd heeft).

Volgens Prof. Hepp staat het zóó:

a) is er alleen maar „uitwendige" roeping, dan is er nog geen effect tot zaligheid;

b) paart zich evenwel de uitwendige aan de inwendige roeping, komen die twee samen, ja, dan is er wèl effect tot zaligheid.

Maar Prof. Polyander denkt er anders over. Wat a) betreft heeft hij geen bedenking. Inzake punt b) evenwel des te sterker.

Want, zoo betoogt stelling S'i der betreffende disputatie, want: God kan de twee manieren van roeping (de uit- en de inwendige) doen samenkomen, bij elkaar brengen, aan elkaar verbinden, NIET (zooals Prof. Hepp wil) op steeds dezelfde manier, doch met zeer iverschillend effect. Het samenkomen van uit- èn inwendige roeping is bij den één werkzaam tot zaligheid, bij den • ander niet i(utriusque concursus est in quibusdam efficax, in quibusdam inefficax).

En dan komen de voorbeelden los. Daar hebt ge Matth. 13 : 19; „degene, dio bij den weg bezaaid is". Hij heeft het Woord gehoord en niet verstaan (vgl. wat we van Gomarus citeerden). Er is wel „in zijn hart gezaaid" (hij' kreeg dus „inwendig" er mee te doen, 't drong naar binnen door). Maar de booze nam het weer weg. De Synopsis zegt: hier is een geval waarin uit- EN INwendige roeping (scherper gezegd: roepingswijze) samengaan, maar het is niet tot behoudenis (35).

Dan is daar Matth. 13 : 22: „Die in de doornen bezaaid is". Het tweede geval van een nièt-ter-zaligheidkrachtig samenkomen van uit- èn inwendige roeping(swij'ze). Het licht van het evangelie drong 'heusch naar binnen; maar het werd vandaar weer weggenomen.

Voorts: Matth. 13:20: het derde geval van een nietkrachtdadig (niet ter zaligheid krachtdadig) samenkomen van uit- en inwendige roeping. De „in steenachtige plaatsen bezaaide". De menschen van dit type hebben een lichte vreugde (inwendig) gesmaakt, 'hun hart (inwendig) heeft gevoelens van blijdschap gekend. Maar

En dan is er nog Matth. 13 : 23. Daar is „in goede aarde gezaaid". Hier is een samenkomen (concursus) van uit- en inwendige roeping(swij'ze), die, in teganstolling met de drie voorafgaand© gevallen, wèl tot zaligheid krachtdadig is. Hier werkt de Geest bet vertrouwen, waardoor de mensch hetgeen beloofd is waarachtig aanneemt, en daarbij blijft, daarin volhardt.

Het verschil tusschen de heeren Hepp en Polyander is dus wel zeer gTOot.

Zeker, ook Polyander spreekt van in- en uitwendige roeping. De strikt formeele onderscheiding van, daareven (uit- en inwendige wijze of manier van roeping) wordt in nr. 39 al dadelijk afgewisseld met die van „uiten inwendige roeping". Wie is altijd precies in de taal? Woelderink niet, Polyander niet. Veenhof niet. Schilder niet. Prof". Hepp ook niet. Daarom is meer dan één bereid, te spreken van in- en uitwendige „roeping", ook al bedoelt hij eigenlijk de m a n i e r van het roepen te kwalificeeren. Maar als 'ter nu op aankomt, dan leeren bedaohtzamen onderscheiden. En ditmaal vallen wèl Polyander en Veenhof, doch niet Prof. Hepp onder die rubriek. Prof. Hepp doceert: de inwendige roeping hebben de hypocrieten niet. Want in hen komen de uiten inwendige roeping niet samen. D'e Synopsis daarentegen zegt: die twee komen óók in de hypocrieten samen. En uit dit samenikomen komen dan uiterlijke veranderingen ten goede, zekere „gaven" in den mensch. Ze komen zoowel in hypocrieten als in uitverkorenen (40). Laatstgenoemden komen er verder mee; eerstgenoemden vrorden er te schuldiger door (41). Volgens de Synopsis kan dus het oordeel verzwaard worden, omdat men wel „inwendig" geroepen is, maar niet geloofd 'heeft, niet aangenomen heeft. Er loopen hypocrieten rond, met vruchten van inwendige roeping.

Nu versta men onsi wel.

'Wij voor ons'loopen niet aanstonds met een formule van aanklacht wegens afwijking van de belijdenis of van de gangbare of goede meening rond, als iemand spreekt van „in- en uitwendige roeping" op de manier, die Prof. Hepp volgt. Wij zullen geen veldtocht openen tegen wie onder vele broederen meegedaan heeft aan het verengen, het vernauwen van de oude onderscheiding, en ze in zijn onderwijs of anderszins aldus verder geeft, alsof ze in dien versmalden vorm klassiek-gereformeerd was, hetgeen ze toch op den keper beschouwd niet is. Wij' geloovèn, dat de dogmatische ontwikkeling haar tijd hebben moet, ook in het terugkeeren tot den oorspronkelijken eenvoud, of de eerste scherpte, en dat de één dit, de ander dat punt in het oog vat

Maar wijwerenhieraf. En daarin zijn we scherp. Prof. Hepp is het ook. Alleen is zijn „manie r" van scherpte anders dan de onze. Wiji voor ons houden thans, nu Prof. Hepp nog steeds als aanklager optreedt (eerst in brochures, nu in zijn blad), vol, dat het de Gereformeerd© dogmatiek verder brengt, als men bezwaar inbrengt tegen een routine-distinctie van in- en uitwendige roeping in d i e r v o e g e, alsof déze niet, en gêne wel steeds do zalig'heid werkte. Oorspronkelijk is het anders bedoeld geweest biji de vaderen; en tot hen brengt Prof. Hepp ons niét terug. Alle menschen hebben een inwendigen mensch, maar niet bij aJlen wordt deze vernieuwd. Allen, die het evangelie hooren, hooren het met den uitwendigen mensch (ooren, zintuigen), en op de een of andere manier raakt het ze ook van binnen; als God dan min of meer tot hen doordringt, zoodat ze van binnen, in den inwendigen mensch ermee te doen krijgen (met psychische effecten) dan dringt zijn roepstem naar binnen door, dan worden ze inwendig geroepen. Maar niet allen, die aldus „inwendig" geroepen zijn, worden krachtdadig tot zaligheid geroepen.

Zoo staat het in de Synopsis. En als Prof. Hepp den éénen keer zich daarop beroept, dan moet hij' den anderen keer niet zeggen: wie het net zoo als dit boek zegt, die is een nihilist. Ik schrijf dit, wetende, dat ik zelf in veel opzichten het met de Synopsis niet eens ben. Natuurlijk geldt van Prof. Hepp hetzelfde.

Met opzet liet ik ditmaal de exegeten rusten. Anders zou er nog heel wat komen kijken.

En daarom ten besluite ons verzoek aan Prof. Hepp: als Uw brochures nog verder komen, och, geef ze dan spoedig; we weten dan wat ge hebt, en zullen u dan op dezelfde manier beaoitwoorden als vorige malen;

komen ze evenwel niet meer, och, ga dan niet in Uw Mad 'biJ! mondjes-maat weer aanklachten in den trant van uw brochures piiWiceeren. Want niet, dat Gij' critiseerdet, maar dat het in di e n trant gebeurd is, dat was en is onze grief. Wijs geen geschillen met de confessie, daar, waar ze er niet zijn. Bind ons niet aan Uw dogmatiek, want dat zal toch niet gaan; we hebben gelukkig geen dogmatieken, doch formulieren van eenigheid; en hoezeer we op elkaar aangewezen blijven ook in de dogmatiek, een ieder behoudt toch den plicht, te zuiveren, te vereenvoudigen, te verscherpen, waar dat noodig is, opdat het goud der belijdenis weer helder moge schitteren. En —' dit vooral — als ge aanklagen wilt van „een zich afwenden" van de belijdenis (zakelijk), kom dan beslagen ten ijs; en zeg geen dingen, die anderen voor de zooveelste maal nopen, de hunzelf onaangename conclusie te poneeren, dat Ge ditmaal de zaak niet hebt beheerscht, ofschoon Ge haar aansneedt.

We zijn onwillekeurig een beetje in den deftigen stijl geëindigd. Komt misschien van al die vaderen.

Hoe 'dit zij, bij de polemieken der Vaderen is het dit-, maal beter vertoeven dan bij die van Prof. Hepp. De vaderen wisten het, dat ook de remonstranten, men leze hen maar na, met genoegen de onderscheiding tusschen in- en uitwendige roeping aanvaardden, en dat ze tevens terdege begrepen, dat de onderscheiding tusschen krachtdadige en niet-krachtdadige roeping op een ander niveau lag. Zoo begrepen zij, dat het er maar op aan komt, •wat men over en weer onder de termen verstaat. Hiin polemieken hebben ons alzoo bewaard voor het misverstand waaraan die van Prof. Hepp thans lijden als hij in 'de belijdenis het woord „kraohtiglijk" tegenkomt, en dan dien beteekenisvollen term, vrucht van moeizame worsteling, verwart met „inwendiglijk". Prof. Hepp leze de belijdenis door haar eigen bril, en dringe ons bij haar lectuur niet den 'zijnen op.

K. S.


*) Sommige oude theologen, sprekende van een uitwendige en inwendige roeping, waarschuwden er tegen, dat men deze onderscheiding niet moüht opvatten als een verdeeling in soorten, waardoor men twee roepingen kreeg, maar slechts als een verdeelii^ van het geheel in zijn deelen, zoo dat de uitwendige en inwendige roeping bedoeld zijn als twee zijden van een en dezelfde roeping. Deze waarsoWwing heeft men echter langzamerhand geheel vergeten, waardoor het gevaar van dergelijke onderscheidingen des te duidelijker aan den dag treedt. Noot van „De Waarheidsvriend".

_ 1) Voor dit en het volgende; Dictaten Dogmatielc: Locus de Salute; p. 84 v.v.

2) E. Vote, III; p."'428 Vgl.: Het Werk van den Heiligen Geest; p. 383: „Zoo is er in de prediking des Woords en de innerlijke bewerking van den Heilagen Geest een TWEEËR­ LEI werk Gods, dat op elkander slaat. Het Woord wordt gepredikt, en op hetzelfde oogenWik stort de Heilige Geest aan het geXooisvermogen de werking in, en zoo komt het dan, dat de roepinge Gods een krachtdadige roeping wordt "

1) Vgl. wat hieronder nog komt inzake de Synopsis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's