GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

POPULAIR-WETENSCHAPPELIJKE SCHETSEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

POPULAIR-WETENSCHAPPELIJKE SCHETSEN

8 minuten leestijd

In Kuyper's lijn.

III.

In de laatste jaren nu is ons volk getuige geweest van een poging om inderdaad te komen tot een eigen, christelijke, calvinistische philosophie. Het zijn de hoogleeraren Vollenhoven en Dooyeweerd, die zich reeds meer dan tien jaar aan dezen giganlischen arbeid hebben gewijd. Zij hebben inderdaad een philosophie ontwikkeld, die geheel en al gebaseerd wil zijn op het fundament van de Openbaring Gods.

Die ernstige wil werd oogenblikkelijk herkend. Hier was zoo geheel iets anders dan dat hardnekkige pogen om een compromis te sluiten tusschen Schriftgeloof en moderne wetenschap; tusschen liant of Hegel of wie dan ook èn Calvijn.

Prof. Ridderbos b.v. gaf indertijd bij het verschijnen van het bekende boek van Prof. Vollenhoven „Het Calvinisme en de Reformatie van de Wijsbegeerte" in een zeer waardeerend hoofdartikel van „De Standaard" het volgende oordeel over het streven van Prof. Vollenhoven:

„Wat Prof. Vollenhoven hier biedt, is metterdaad een belangrijk onderdeel van een heldhaftig streven om tot een Schriftuurlijke (en dat beteekent voor den auteur: Calvinistische) philosophie te komen. Inzonderheid tweeërlei doet hierbij weldadig aan. Eenerzijds de groote beslistheid, waarmede de auteur de gedachten der H. Schrift ook op het terrein der wijsbegeerte als normatief laat gelden; men kan ook zeggen: de vrome zin, waarmede hij eerbiedig luistert naar wat God in Zijn heilig Woord ook tot den wijsgeer spreekt. En anderzijds de - — door een niet geringe denkkracht begeleide — geestdrift, waarmede de auteur, vaadeze Schriftuurlijke beginselen uit, èn een eigen systeem tracht op te bouwen èn de geschiedenis der wijsbegeerte in het rechte licht zoekt te plaatsen." i*)

Deze philosophie, die met name in de laatste jaren in 't middelpunt van veler belangstelling is komen te staan, is vooral bekend onder den naam van „wijsbegeei-te der wetsidee". Ze is aldus door ds ontwerpers genoemd, omdat naar hun innige overtuiging aan alle wijsgeerige systemen en aan allen wijsgeerigen arbeid een bepaalde opvatting omtrent de wetten, die God aan al het geschapeneinzijneenheideuverscheid en beid heeft gesteld, ten grondslag ligt. En. juist deze opvatting omtrent die wetten Gods is steeds de meest scherpe typeering van ieder wijsgeerig stelsel.

Typeert de naam „wijsbegeerte der weisidee" deze philosophie naar een eigenaai-dige karalctertrek — een wezenlijk kenmerk van het systeem zélf — het is ook mogelijk dit wijsgeerig stelsel vanuit een historisch gezichtspunt te bezien en te waardeeren.

Men kan n.l. vragen: welke s t r o o m i n g, welke groote figuur uit het verleden heeft een lïeslissenden invloed uitgeoefend bij den opbouw van dit wijsgeerig systeem, heeft er a.h.w. een bedding voor gegraven?

Stelt men nu deze vraag, dan rijst onmiddellijk op de groote gestalte van Calvijn! En Prof. Vollenhoven èn Prof. Dooyeweerd worden niet moede er op te wijzen, dat Calvijn het fundament voor hun wijsgeerigen opbouw heeft gelegd, hen in den meest strengen zin van het woord heeft beheerscht in heel hun wijsgeerigen arbeid.

Calvijn immers heeft „als eerste de reformatorisch-Christchjke grondconceplie in een zuivere wetsidee gevat". En , , een wezenlijke reformatie van het wijsgeerig denken" zal zich „niet in Lutheraansche, doch slechts in Calvinistische lijn kunnen ontwikkelen".i'')

Deze overtuiging moet evenwel niet worden misverstaan !

Het streven naar een reformatie der wijsbegeerte in Calvinisüsch-Christelijken geest beteekent niet het ontwerpen van een philosophie, die zich aan Calvijn als ontwerper van een wijsgeerig stelsel aansluit. Het is niet het verheffen, van Calvijn lot een wij, sgeerig dictator. Dit is daarom reeds uitgesloten, omdat Calvijn geen wijsgeerig stelsel ons heeft nagelaten! Neen, dit aansluiten, aan Calvijn is niets anders dan het maken van Moedigen ernst, ook in de wijsgeerige studie, met de scliriftuurlijke grondgedachten, die juist door Calvijn met onovertroffen klaarheid zijn gezien en in verrassende scherpte zijn geformuleerd.'^')

Als calvinistische grondgedachten, die allen wijsgeerigen arbeid beheerschen, noemt Prof. Vollenhoven dan allereerst: de volstrekte erkenning van de Heilige Schrift als het Woord van God.

En vervolgens vragend wat die Heilige Scliriflf zegt, ook aan den philosoof, formuleert hij het calvinistisch antwoord op die vraag aldus:

„a. De Heilige Schrift leert de rechtstreeksche souverciniteit van dien God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, over alle dingen, in welk verband en op welk terrein ook, en onderscheidt in overeenstemming daarmee helder tusschen God als den Souverein en bet door Hem geschapene.

b. Zij beschouwt de religie als een verbond (unio foederalis), het menschelijk geslacht ook reeds vóór den zondeval bekend door woordopenbaring.

c. Zij predikt, wat den toestand na den val betreft:

1. de algeheele verdorvenheid van den mensch; a. den dood als straf op de zonde, en 3. de openbaring der genade van den Souvereinen God in den Middelaar."")

Kan men zoo spreken van een calvinistische wijsbegeerte — het is mogelijk de wijsbegeerle der wetsidee van uit het historisdie gezichtspunt nóg scherper te teekenen. Er is immers «en figuur, waaraan de aansluiting nog nauwer. Waarvan de invloed nog dieper is geweest. Die figuur is Dr Abraham Kuyper.

Zonder hem zou nooit een wijsbegeerte der wetsidee zijn ontstaan. Van hem ontleent zij haar meest eigenlijke karaktertrekken. Ieder onbevooroordeeld beschouwer moet dal onmiddellijk erkennen.

„Het treft mij altijd weer" — zoo liet Prof. Dijk ^!ch eenmaal liooren — „hoe in veel punten Vollenhoven en Dooyeweerd naar ICuy- Pers gedachten teruggrijpen en deze verder ontwikkelen. En laat men nu niet te spoedig jam- Bieren : o, die nieuwe wij'sbegeerte! want her- Binert men zich niet, dat ruim veertig jaren gele^ *n de Kerkeraad van Bedum Dr ICuyper "Gehuldigde van monisme en pantheïsme en des •'i'ege een aanklacht tegen hem indiende ? " i^) Prof. R. Casimir, schetsend het wijsgeerige leven ^ ons volk tijdens de regeering van Koningin "ilhelmina, ziet het precies zoo. Men leze:

„Onder leiding van Dooyeweerd en Vollenhoven Werd de neo-calvinistische wijsbegeerte opgeouwd, die de souvereiniteit Gods als uitgangspunt ^an het denken stelt en de schriftopenbaring ook S's grondslag voor de philosophie aanvaardt. Taak fl«r wijsbegeerte is het, een kentheorie op te bou- *'«n, die daarbij aansluit. Doet men dit, dan ontt'iat een reformatie van de wijsbegeerte en een Chtisteüjke logica, dan kan er principieel verzet worden geboden aan humanistische slroomingen ook in de staatsleer. Deze wijisbegeerte sluit zich aan bij een beginsel, door K^uyper ontwikkeld: de souvereiniteit in eiken kring, die eigen wetten ontving." 2»)

Ja, Dr Bamaing ging in een studie over de wijsbegeerte der wetsidee zelfs zoover, dat hij iedere originaliteit aan deze philosophie meende te moeten ontzeggen.

„De theorie van Souvereiniteit in eigen kring — ZOO' schrijft hij — oorspronkelijk Kuypers formulering en strijdleuze, is sedert in het Nederlandse Calvinisme nader uitgewerkt door Prof. Dooyeweerd. Deze schrijver spreekt van een „theorie der wetskringen", waaronder hij' verstaat: „iedere wetskring is voor de mensdielijike rede door een absolute kwalitatieve grens van andere gescheiden. Het leerstuk van de souvereiniteit in eigen kring wijst de onderlinge verhouding aan tusschen de wetskringen, die in de wetsidee tot een organischen samenhang verbonden zijn." AI worden hier andere woorden gebfuikt, in wezen is dit, voorzover ik zien kan, niet anders dan de Kuyperiaanse gedachte."

Na er op gewezen te hebben, dat Prof. Dooye^ weerd uit deze grondgedachten een eigen kosmologie, kentheorie en sociologie ontwikkelt, concludeert hij: „Veel nieuws levert het, na wat Kuyper ons geleerd heeft, niet op." 21)

Schuilt in deze meening van Dr Banning niet weinig overdrijving — feit is, dat het Kuyperiaansche stempel diep is ingedrukt in de wijsgeerige inzichten van de Proff. Dooyeweerd en Vollenhoven.

En ze schamen zich daar niet voor! Integendeel, ze belijden dankbaar den Kuyperiaanschen oorsprong van hun philosophie.

In zijn wijsgeerig hoofdwerk sclirijft Prof. Dooyeweerd: „De „wijsbegeerte der weisidee", welke in den jongsten tijd haar ontwikkelingsgang begonnen is en in het onderhavig werk haar eerste systematische uitwerking zal vinden, is slechts te verstaan als vrucht van het Calvinistisch reveil, dat in Nederland onverbrekelijk aan den naam van Dr Abraham Kuyper verbonden blij f t.^^) „Het zijn de levende grondgedachten der Calvinistische Reformatie, in de vorige eeuw met name door Dr A. Kuyper opgenomen, welke in de Wijsbegeerte der Wetsidee haar wijsgeerige uitdrukking vinden." ^^)

En Prof. Vollenhoven wijst telkens weer op de geweldige beteekenis van Dr Kuyper voor do reformatie der wijsbegeerte. Z.i. bedoelt het gansche streven der jonge Calvinistische wijsbegeerte weinig anders dan de doorwerking en uitwerking van Kuyper's conceptie in de philosophie van onzen tijd.-^)

Het is daarom volkomen verantwoord de wijsbegeerte der wetsidee te noemen met den naam „KU3'periaansche philosophie".

Zelfs heeft deze benoeming een voordeel boven de aanduiding „Calvinistische philosophie".

Immers alles wat Calvijn heeft gegeven aan inzichten en richtlijnen en grondgedachten wordt in de typeering als „Kuyperiaansch" méé opgenomen. Maar bovendien komen dan tevens in het gezichtsveld die trekken welke in het bizonder van Kuyperiaansch e origine zijn.

We willen nu enkele van die aan Dr A. Kuyper's levenswerk ontleende karaktertrekken gaan belichten.


14) „De Standaard"; Dinsdag 3 Oct. 1933.

16) Dr H. Dooyeweerd; „De Wijsbegeerte der Wetsidee'-'; boek I; p. 489.

17") Idem, p. 489/90. Vgl.: p. 33, 56, 144/5, 474-493.

.18) Dr. D. H. Th. Vollenhoven; „Het Calvinisme en de IQT^A'"^ der Wijsbegeerte"; p.-20/21. .'^J „De Bazuin", van 23 Juli 1937, 85ste Jaargang, No. 30.

20) „Officieel Gedenkboek 1938"; Van Holkema en Warendorf, N.V., Amsterdam; p. 724.

21) Dr W. Banning, Hedendaagse Sociale Bewegingen, Arnhem, 1938, p. 98/9.

22) „De Wijsbegeerte der Wetsidee"; boek I; p. 491.

23) Idem; boek III; p. VIII.

24) Mededeelingen van de Vereen, voor Calvinistische Wijsbegeerte; II — 2 (Nov. 1937). Vgl. 1 — 1, 2. Dr D. H. Th. Vollenhoven; „Het Calvinisme" enz.; p. 26, 27, 316 v.v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

POPULAIR-WETENSCHAPPELIJKE SCHETSEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's