GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

12 minuten leestijd

Nicolaas] Beets en de Camera Obscura. (1839--1939.)

Zijn er nog geheimen in de Camera Obscura, een van de meest geliefde boeiden onzer letteren? Is dat boek van den metterdaad „onsterfelijken" Hildebrand, is de Familie Stastok, is Gerrit Witse, niet klaar en fonkelend als frisch water, dat altijd weer verkwikt?

Maar daar hebt gij alreeds een geheim: waarin ligt het verkwikkende van het water? Noch in zijn klaarheid, noch in zijn fonkeling, noch eigenlijk in zijn frischbeid...

En wat is het bekoringsgeheim der Camera, .— die, bij nadere beschouwing, lang niet overal zóó klaar i s, doch integendeel meermaals gemengd met vreemde bestanddeelen en twijfelachtige smakenV

En ligt in die mengeling niet een nieuw geheim weggesloten? Het geheim, waarom de geniale schrijver van dit heugelijk boek bet bij^ dat ééne liet; het geheim, hóé Hildebrand... Beets werd; en altijd Beets was geweest; en altijd Hildebrand bleef...

Laat ons maar idadelijk het ongetwijfeld bekorendste opus, „De Familie Stastok", binnengaan. Daar, in den eersten volzin al, komt u 'de schrijveir tegemoet, — om u aanstonds voor zich te winnen:

„In het kleine stadje D— werd, opi een Woensdag in de maand October, des, namiddags omstreeks één ure, de steile ijzeren trede neergelaten van een gele diligence, rijdende over D— van C— tot E— vice versa, en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw onderdanige dienaar Hildebrand".

Dat noem ik een verrassenden stijl! „In het kleine stadje D—", hoe het verder heet blijft voor ons verborgen, maar precies wordt opgegeven dag en uur: een Woensdag in October, omstreeks één uur in den namiddag... Wat gebeurde er in dat half genoemde of misschien in 't geheel niet te raden gegeven stadje, op dien gedenkwaardigen October-Woensdagmiddag, omstreeks één uur? Er gebeurde... een los gekletter; kijk, de steile ijzeren Irede eener gele diligence wordt neergelaten, „en uit dezelve daalt", ... een beeldschoon jong meisje? een duister blikkende romanheld? — gij verneemt het nog niet, want wie de trede afkwam... bemodderde grootelijks „dengenen die hem onmiddellijk volgde" — stel u gerust, het was zijn eigen jas —; uit die diligence dan daalde beeldschoon meisje noch romanheld, maar niemand minder dan — met een snaakschen glimlach — uw onderdanige dienaar Hildebrand.

De kennis is gemaakt, en meteen „het ijs gebroken". Want Hildebrand is vóór alles een charmeur; een charmeur, die ook den minst voor „betoovering" vatbare betoovert met zijn hupsche jeugd en beminnelijken geest, waaraan alle bederf of fattigheid vreemd is. Inderdaad, een charmeur! Eerlijk beken ik, dit doode stadje D— (en elk auteur, toentertijd, noemde zijn stadjes D of X!) zoo intiem te beminnen, dat ik den naam niet graag voluit zou weten; ja, ik heb zelfs een zwak voor C— en E—, waartusschen de gele diligence reed...

„Hij had gereisd met"... en er volgt eene twee quarto-bladzijden lange beschrijving van zijn reisgezelschap, overbodig, zou men zeggen, in het verhaal, — een beschrijving gelijk er zoo' menige in de Camera voorkomt, minutieus van schijnbaar eveneens geheel overtollige bijzonderbeden, doch die gedurig, met onvoorziene wending en vernuftige voordracht, den lezer nieuwsgierig en lachend meevoert.

„Hij had gereisd met een bleeke dame, die het rooken had verboden en gedurig de kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had, en altijd door leelijk geweest was".

Eerst die laatste opmerking, in haar onveirwachtheid terugschijnend, over de voorgaande, doet inzien, dat die in 't geheel niet willekeurig waren, en grijpt ze saam tot een geestig beeld.

„Op dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten"... en haar toilet schijnt aanvankelijk nog nutteloozer nauwkeurig uitgeteekend: een juffertje, „in een blauwen geruiten mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een langvergeten mode, vatbaar was om van achteren te worden ingehaald door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied, op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelfde juffer had een strooboed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals."

Veel te lang, zegt iemand; maar pas op! een oogenblik later is bij blij, de fatsoenlijke armoe van baar kleeding in al dier zielige netbeid voor zich te zien: „Zij was", vervolgt de schrijver, „zij was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig roodvingerig bandje, met een ring die bijzonder veel op tin leek, voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij haar neus gesnoten..."

Op een andere plek wordt de beschrijving (van de J[odin, „als een oostersche edelsteen gevat tusschen twee Christenen", den „zilveren" en den „koperen") bezield door een vernuft, dat de bescbrijvings-bijzonderheden tot motieven maakt van een fijn en sierlijk geestes^spel: een luchtig, contrapunctisch bewerkt clavecimbel stukje, dat héérlijk op zijn pootjes terecht komt.

„De eerste haalde, daar er niet gerookt mocht worden, den zilveren sigarenkoker een paar malen uit den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een zilveren sigarenpijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat er nief in was, maar dat, zoo 'ter in was geweest, zeker beter te pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weder dicht te sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna met bet achtereinde naar beneden er in gepast te hebben; de laatste stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken; de koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De Jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren, maar de zilveren was terughoudend voor de Jodin."

Ge zoudt het ook jongleeren kunnen noemen; een gaaf, een gevoelig jongleeren met glanzende ballen... Men gevoelt niet genoeg meer tegenwoordig voor het smettelooskunstvol handwerk; heel wat klavier-muziek van Bach is niets méér dan zulke gevoelige kunstigheid; doch de zoete verrukking over het volmaakt volbrachte kunststukje is een gevoel van zeer boog gehalte! En zeg mij, of de terugslag van den spraakgragen zilveren man, die terughoudend was voor de Jodin, niet subliem is van geslaagdheid.

Dat edel spel der geestige voordracht geeft aan menige beschrijving der Camera het evenwichtigdartelende van een fonteintje. Meermalen echter ook, waar het niet natuurlijk welt doch gewild lijkt, bederft het vernuftige evenveel. De spikkels „geestigheid", waarmee de schrijver dan zijn waarneming lardeert, smaken lichtelijk ranzig, zoo niet zuur. Maar in de vele navolgingen, vóór 1880 in onze letterkunde, en in alle schooljongens-opstellen ook van na dien tijd, bewijst de welbekende „geestige" houding, boezeer die van Hildebrand-zelf niet 't minst misschien zoo dikwijls zij wat al te aardig werd, ten allen üjde genoten is.

Er zijn tegen die uitvoerige beschrijvingen — met of zonder vernuft — princlpieelere bezwaren aan te voeren, — die echter al evenmin door ons volk zijn gevoeld. Die beschrijvingen worden niet zelden tot zoo óvergeduldige Adriaantjes — nieuws is er waarlijk niet onder de zon! — dat aan de taal zelve zichtbaar wordt, hoe men haar maar niet straffeloos met scbilderacbLige bijzonderheden tot in bet oneindige bezwaren kan. In den volgenden kralenrijg-zin uit „Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout" toont de sleep van „met"ten, welke gevaren er, voor het schrijven, schuilen in schrijvend schilderen, — boe fijn dat ook overigens zij.

„Een jonge vrouw, nog pas onlangs uit het kraamibed hersteld en nog een weinig bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop uitgediend onbijtgoed staat, met een lief mutsje miet lichtblauw zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien, en wijdt van tijd tot üjd haar aandacht aan haar kindermcid, die met een amsterdamsche kornet op het hoofd, of liever aan het hoofd, want dat soort van mutsen laat bet hoofdhaar tot aan de kruin toe onbedekt, en een rozerood japonnetje, mei: een zwart schortje met puntjes voor^ op everlastinj schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene gehandsoboende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje mét rozeroode strikjes, en aan de andere een van drie in beugeltjes ..."

In de beschrijving van het tuintje der familie Stastok worden de détails aaneengescbilderd met een niet minder onaesthetischen voorraad van waarachters, waarins, waarops, waarvoors, waaraans en waaromheens, aldus bekroond:

„Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover het prieel, een kleine loods was uitgebouwd, met een klein plaatsje, waarop Keesje zijn huiswerk verrichtte, waarom een klein hekje."

Die kleine feilen tegen den stijl staan nlieit opziclazelf; zij zijn onmiskenbaar de gevolgen van een fout in Utteratuur-opvatüng. „Kopyeerlust des dagelijkscben levens". Potgieter's oordeel mag ook thans nog zich doen gelden, — en evenwel beeift ons volk er altijd van gehouden, in kleine taferéelen bet leven na te penseelen, en nagepenseeld te zien, — en zal er, naar alle waarschijnlijkheid, van blijven houden ook! In die nabootsing, vol aardige trekjes van berkentenis en ontblooting van koddige heimelijkheden, waarin het leven levend als in een zonnig tooverspïegeltje gezien wordt, ligt, zoo het schijnt, precies de poëzie onzer nuchterheid. Het was de poëzie van Hildebrand^ die Hollander was als geen tweede. Zelf, in de narede bij de tweede uitgave, verklaarde hij bet succes der eerste uit die bij-uitstek Hollandschheid zijner paneeltjes : „Men moet begrijpen", zegt hij daar, „dat wij de buitenlanders, dank zij levenden en „afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen, dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens op onszelven te letten."

In dit opzicht moeten de tijden een halven draaiom gewenteld zijn: wij hebben sinds Hildebrand zoo uit den treure — zij 'top Fransche manier — op onszelven gelet, dat er, voor de variatie, nu ook weer aardigheid schijnt te komen aan de beschouwing — op Hollandschen trant — van leven en geest van andere volken...

Maar Hildebrand, in den jare 1838, had bij zijn tijdgenoolen nog den zin voor bet Hollandscbe aan te kweeken: „Mijnheer's mooi", zoo hekelde hij in „Genoegens smaken", mijnheer's mooi is een onbepaald', een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse Engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van Grevedon, met en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maitresses uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch teter en genoeglijker, het Hollandscbe mooi in het hollandscbe gezicht te zien, en bet boUandsche genoegen in den hollandschen lach en den hollandschen aard in het hoUandsche hart, en de hollandscbe poëzie in de hollandscbe vormen, daden en toestanden" ...

Ziehier dus een aantal eigenschappen ter verklaring van het geheim van Hildebrand's populariteit: zijn Hollandschheid, zijn ecbt-Hollandsch klein-schilderen van tafreeltjes uit bet dagelijkscb' leven, in een belderen stijl vol geest en guiterij... gelijk het water verkwikt, omdat bet klaar is en fonkelend' en frisch.

Doch zijn deze overbekende zaken verklaringen? Alles wat klaar is en |onkelend, en zelfs al wat frisch is, verkwikt tocli niet? Er is diep in water iets — een smaak? — dat, bij 't gul overklokken in de keel, het hem dóét. Wat is bet? En ook bij Hildebrand moeten wij bet, op stuk van zaken, elders zoeken. Er zijn meer, en groote, schrijvers echt Hollandsch geweest, die zich daarenboven verwaai-digd hebben, bij tijd en wijle tafereeltjes uit het dagelijkscb leven te geven, in een stijl, zoo levendig en vernuftig en guitig mogelijk aangespitst, en die... sinds lang niet meer gelezen worden, en nimmer veel gelezen zijn. Wij moeten het elders zoeken, en wel, niet aan den buitenkant, maar binnen in.

Het is de schrijver-zelf, die, toen hij vijftig jaar oud was geworden, — men schreef 1864 — in bet voorbericht voor de zesde uitgave, op zijne wijze die verklaring gegeven heeft: beter dan menig ander in dat werk de sporen ziende van den jeugdigen leeftijd, waarop het werd tezamen gesteld, vermocht hij (zoo zegt bij daar) „de zoo ongemeene gunst, welke het bij zijne larjdgenooten steeds gevonden heeft, aan niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde jeugd, hij wist zelf niet boe, over bet algemeen «enigszins gelukt moest wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de Mensch den Menscb, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft; terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn Vaderland en de menschen liefbad".

En inderdaad, dat is wel de oorzaak van de onweerstaanbare bekoorlijkheid der beste stukken uit dit boek: het natuurlijk-opgewelde, de tierige levensliefde en de lust die schrijvend uit te vieren, der „onbekommerde jeugd", , — gelijk, eindelijk, de lescbkracht van water daarin bestaat: dat zijn smaak van alle smaken de eenvoudigste is, de onveranderlijk jonge smaalc van wat zóó uit de aarde bront of van den heuvel stroomt.

Toen de drie en zeventigjarige grijsaalrd zijn

„noodige en overbodige opheldering": „Na- vijftig jaar" voltooide, ten besluite verklarende hoe alle verhalen omtrent een afspraak tusschen Vrienden of onderlingen wedstrijd, als aanleiding tot het schrijven der Camera Obscura „louter sprookjes" moesten heeten, toen waren dit zijn laatste woorden, die het nogmaals bevestigen: „dat, indien er eenig boek is dat gezegd kan worden, zonder eenig bepaald voornemen of voorbedacht oogmerk bij zijn schrijver geboren en als vanzelf ter wereld gekomen te zijn, dat boek het boek is van den niets daarmede op 'toog gehad hebbenden drie- lot zes- . entwintig jarigen HILDEBJRAND".

„L'art pour Tart", — de leuze is grondig in diser ediet; zij klinkt ook onaangenaam, omdat men er het egoïsme, en het onvruchtbare, van den modernen Franschen geest in meent te hooren. En evenwel is — het talent aangenorhen — het zorgeloos schrijven, om geen andere reden dan dat men plezier erin heeft, te schrijven, zeke'r ©ene der mogelijkheden voor het ontstaan van kunst, die duurzaam verheugen zal. Aan dit argeloos zich geven van den jongen levens-minnaar danken de kostbaarste onder deze stukken dat onverflenstbaar nieuw en frissche, die innige klaarheid van stemming en toon, die fijne directheid van werking, verrassender nog in den dialoog dan in de verhalende en beschrijvende gedeelten; maar bovenal het schoone liefdegevoel voor dat uit te beelden wereldje, dien lach zonder eenige bitterheid, die zuivere deernis, — de, HUMOR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's