GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET BOEK VAN DE WEEK

7 minuten leestijd

OVER KERK EN STAAT.

Nauwelijks hebben we in ons blad een product van de V. U. aangaande kerk en staat aangekondigd, de brochure immers van den te Kampen (Oudestr.) doceerenden dr K. Dijk, of een tweede publicatie uit denzelfden kring over hetzelfde onderwerp vraagt onze aandacht. Ze komt ditmaal van de hand van den te Amsterdam doceerenden hoogleeraar dr I. A. Diepenhorst, en draagt den titel: „De Vérhouding tusschen Kerk en Staat in Nederland" (Kenünk & Zoon, Utrecht).

Het loont de moeite, deze twee V.U.-producten even met elkaar te vergelijken. Het eerste deed zijn best, de door dr A. Kuyper voorgedragen lievelings- en gewenningsgedachten onverkort te reproduceeren; vroolijk stonden ze in de rij, al of niet in strijd komende, met zichzelf of met wat de auteur van elders had overgenomen, - '.t Was de oudere V.U.-discipel, getypeerd door de in wetenschappelijk opzicht onderstelde gearriveerdheid, die destijds ook na de eerste examentjes de leerlingen van deze tot haar ongeluk steeds in vergelijking gebrachte inrichting voor.het meerendeel tot kerkelijken opgang, maar wetenschappelijken neergang bracht. Dat was in de periode van den effectus civilis, en zoo. Maar er is inmiddels wel iets veranderd. De niet-theologische leerlingen raakten wat losser van Kuyper.. Een voordeel was dat lang niet altijd; want de oorzaak der losweeking kan de verdieping van principieel inzicht zijn, doch ook de

uitsluiting ervan. Hoe het zij, het gesprek is er '.h door vergemakkelijkt; het is helaas tot een v o o r- deel te rekenen, dat aan de V.U. de theologische faculteit, die zoo veel rampen bracht over het gereformeerde volk, en zoo diep-schuldig daartegenover staat, meer en meer geisoleerd daar leett en werkt; de andere faculteiten vallen haar wel niet af, maar halen meer en meer de schouders op over haar praestaties, zooveel ze nog daarvan nota nemen tenminste.

Wie scherp ziet, bemerkt ook ia dit boek de sporen van die veranderde mentaliteit. De auteur merkt op, bl. TH, dat het werk van dr J. Th. de Visser over i„Kerk en Staat" geen litteratuur-opgaven biedt. Men ziet nu des te meer geïnteresseerd uit naar zijn eigen htteratuurvermelding. Krijgt Kuj^per een vooraanstaande plaats? Och, men vindt zijn naam vaak genoemd, maar — in détailkwesties. Gaat het om het trekken van de principieele lijnen, dan zoekt ge Kuyper's naam vergeefs (evenals die van anderen, b.v. Stahl). In het eerste hoofdstuk („Inleiding") gaat het om het principieele voorwerk. Bij de litteratuxirvermelding vindt ge wèl opgenomen het nog onlangs door ons besproken, door Miskotte's orgaan kras afgewezen werk van ds A. A. van Ruler, Religie en Politiek, en wel de geschriften van Severijn, Dibelius, Duynstee, Kohier, Kranenburg, maar niet Abr. Kuyper. In een later hoofdstuk, als het gaat over Calvljn en het Calvinisme in hun theoretische bepaling van de verhouding tusschen kerk en staat, wordt Kuyper wel vermeld onder de opgegeven litteratuur, en wordt ook daarbij wel opgenomen zijn bekende werk over de „Gemeene Gratie", doch, als ge het desbetreffende gedeelte naleest, treft ge geen woord aan over de gemeene gratie.

Wij achten het een gelukkige omstsmdigheid, dat deze auteur zich van het gemeene-gratie-schema vrijgehouden heeft. We gaan vooruit, al is het langzaam. Als hij zegt, bl. 3, dat de staat misschien ook buiten de zonde om tot ontwikkeling gekomen zou zijn, achten wij dit juist, behoudens dan hét „m i s s c h i e n". Als hij de splitsing van de kerk in een veelvoud van kerken strijdig met haar wezen acht, dan meenen wij hem daarin te moeten bijvallen, tenminste, wanneer we het woord splitsing aocentueeren; want de ontwikkeling van de kerk in onderscheiden Ismden, cultuurgebieden, staatsverbanden, " kon in den Eianvang uiteraard niet aanstonds de verscheidenheid van deze gebieden en invloedsferen negeeren. In de eene meening komt schrijver in conflict m^et Kuyper's gemeene-gratieschema, dat de ontwikkeUng van den staat buiten de zonde om, verwerpt. In de tweede meening keert hij zich tegen de pluriformiteitsgedachte, gelijk ze door meer dan één ontwikkeld is geworden.

Theologisch hebben we onze bedenkingeii hier en daar. De kerk heet bij schrijver OPENBARING van Christus' Üchaam; maar ze is Zijn lichaam, waaraan het openbaar zijn inhaerent is. Anders zou men ook moeten komen tot den staat als OPEN­ BARING van een in zich zelf onzichtbare grootheid, die toch ook „staat" zou dienen te heeten. Dat voor Calvijn de kerk de onzichtbare eenheid van alle in Christus verkorenen zou zijn, zooals schrijver' op bl. 116 constateert, achten wij . in dezen vorm onjuist. Zoo ware natuurhjk wel meer te noemen.

Voorts schijnt de verdienste van dit werk ons te liggen in zijn refereerend karakter, doch het grootendeels daartoe zich beperken is dan weer z^jn zwakheid. Er ligt in het boek een massa historisch materiaal verwerkt; maar bepaalde oplossingen van brandende kwesties blijven dikwijls uit.

Neem b.v. de kwestie van scheiding van kerk en staat. Het laatste woord der desbetreffende paragraaf is, dat de uitdrukking „scheiding van kerk en staat" geen vasten inhoud bevat, doch indien men haar wil bezigen, altoos nadere toeUohting behoeft, bl. 204. Of, neem de kwestie van de afwikkeling der financieele ondersteuning van kerken vanwege den staat; schrijver concludeert, dat het w a a r s c h ij n 1 ij k de voorkeur verdient af te zien van een historisch-juridisch volkomen verantwoord wetsartikel in dezen en in plaats daarvan terwille van de practijk te bepalen, dat de tot dusver uitgekeerde bedragen tegen finale kwijting door den staat gekapitaliseerd en aan de verschillende kerkgenootschappen, die ze tot dusver ontvingen(!), uitgekeerd zullen worden, 269. Of ook, neem de kwestie, die in deze dagen ons wel meer dan vroeger is gaan interesseeren, hoe het moet, als de rechter uitspraak moet doen inzake de kerkelijke goederen, wanneer ergens een breuk i§ ontstaan. Schrijver herinnert aan de doleantieproce? sen, die zonder uitzondering voor de „doleerenden" ongunstig verloopen zijn. Men heeft het al kunnen beleven, dat een synodocratisch advocaat den rechter in de jare 1946, misschien ook reeds eerder, heeft verzocht zich aan de rechtspraxis van de dagen der doleantie toch maar aan te sluiten: de zonen der doleantie verloochenen het bloed, de tranen, en vooral de gebeden himner vaderen, nu et erop aankomt, ons, die de Gereformeerde Kerken hebben voortgezet, door haar vigeerend recht onverminkt te handhaven tegenover de aan dat recht zich vergrijpende sjoiodes, tegen te werken, en in hun schandeüjke rechtskrenking te volharden met alle vleeschelijke voordeelen, daaraan in begeerte verbonden. Komt schrijver hier tot een solutie ? We kunnen haar niet vinden. Historisch • is zijn uiteenzetting wel van belang; vooral om d^ openhartigheid, waarmee toegegeven wordt, dat in de dagen - der doleantie de rechtbank te maken meende te hebben, niet met het recht, zooals een naïeveling nog kon denken, doch met belangen. Zoo ongeveer als het ging met de Joden na Christus' vraag over den doop van Johannes: uit de menschen, dan wel uit God; zij overleiden toen: als we dit antwoorden, dan zal het effect zóó zijn, en antwoorden we dat, dan is de uitkomst zus.

Maar tot een heldere uiteenzetting van de grondslagen, die het gereformeerde kerkverband naar de K. O. heeft, en tot het trekken van vaste, voor alle conforme gevallen geldende consequenties, komt het niet. Wel vinden we eenige rechterlijke uitspraken vermeld (enkele zeer mooie ontbreken, vermoedelijk wel dateerend mt den tijd na afsluiting der copie). Doch we missen een exposé als zooeven omschreven werd. Voor een rechter, die zich voor de hem voorgelegde gevallen houdt aan het binnen de kerken zelf aangenomen recht zou zulk exposé waarde gehad hebben.

In zijn refereerend karakter kunnen we dit boek waardeeren; overigens laat het ons de noodsiaak van eigen principieele bezinning.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 april 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 april 1946

De Reformatie | 8 Pagina's