GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

BEZWAARDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEZWAARDEN

over en onder de synodocratie 46

10 minuten leestijd

De houding van Ds Van Teylingen, III.

Nadat Ds Van Teylingen in September 1944 zijn verklaring had afgelegd, begon, na den hongerwinter van 1944/45' het synodale schip in Augustus 1945 opnieuw haar vaart door de kerkelijke wateren.

Er was inmiddels reeds heel veel geschied.

Door geheel het land hadden duizenden zich vrijgemaakt van de synodale besluiten en een golfstroom van schorsingsbesluiten was daarvan het gevolg geweest. En nog was die beweging in vollen gang.

Het was nu voor alles taak het synodale scheepke met groot „beleid" door de bewogen kerkelijke wateren te loodsen.

Niet dat men de koers oo'k maar één streep wilde verleggen. Neen, het kwam er alleen op aan de ingenomen lading met zoo gering mogelijke schade „aan menschen en materieel" door de opgestoken kerkstorm te sturen. En dat .deed men — om een woord van Ds H. J. Schilder te gebruiken — met gereefde zeilen, ingesnoerd met behulp van de koorden der tactische camouflage.

We geven in verband met de verklaring van Ds Van Teylingen een enkel voorbeeld van deze taktiek.

Op de synodale tafel was o.a. een voorstel van de kerk van Utrecht gedeponeerd, waarin een passage voorkwam, die letterlijk overeenkwam met een gedeelte van wat Ds Van Teylingen voor kerkeraad en classis had uitgesproken.

Er waren, zoo deelde de kerkeraad van Utrecht aan de synode mede, in zijn midden een aantal ambtsdragers, die ten aanzien van belofte en doop het volgende hadden verklaard:

De belofte des verbonds, die een toezegging is „van alle weldaden des verbonds, dat is dus van Christus en alles wat Hü voor ons verworven heeft en door zijn Geest in ons toepast, is onlosmakelijk verbonden met deri eisch des verbonds om in de wegen des HEEREN te wandelen, de toezegging van den zegen des verbonds, welken God in den weg der geloofsgehoorzaamheid schenken wil en de d r e i g i n g met den vloek des verbonds indien op zoo groote genade geen acht wordt geslagen. !Deze eenheid van belofte, eisch en toezegging van zegen en vloek is zoo innig, dat de belofte indien ze daarvan gescheiden wordt, geheel te niet gaat. In dezen onverbreekbaren samenhang komt de belofte des verbonds aan alle kinderen der geloovigen toe".

En de doop is „de verzegeling van deze verbondsbelofte. In overeenstemming met de uitspraak van de Gtenerale Synode van 1863 en met Prof. Lindeboom en degenen, wier consciëntie in 1905 moest worden gerust gesteld en ook inderdaad gerust gesteld werd, gelooven wij, dat „volgens de Belijdenisschriften de H. Doop wezenlijk éèn is met de Besnijdenis. Hij beteekent en verzegelt niet wat IN den doopeling AAN­ WEZIG IS, of VOORONDERSTELD WORDT aanwezig te zijn, maar de beloften van het Genadeverbond in het Evangelie geopenbaard"; 1)

Men ziet heet: tot in alle bizonderheden kwam deze verklaring overeen met wat Ds Van Teylingen eenmaal beleed.

Maar terwijl Ds Van Teylingen uitsprak: dit heb ik steeds geleerd, dit leer ik nog, en dit blijf ik leeren en daarmee basta — vroeg de kerkeraad van Utrecht aan de synode of zij zou willen verklaren, dat ambtsdragers die overeenkomstig de genoemde uitspraken leerden naar haar oordeel niet in strijd kwamen met Schrift en belijdenis en dus zonder eenig bezwaar hun ambt zouden kunnen blijven waarnemen.

Men voelt onmiddellijk het belang van deze geste van Utrechts kerkeraad. Hij wilde helpen klaarheid te scheppen. Aan het clandestiene invoeren van feitelijk niet getolereerde leeringen moest een einde komen. Heilige, wijl voor Gods aangezicht genomen leerbeslissingen, mochten niet langer worden gesaboteerd — al geschiedde dit soms met medewerking van kerkeraad en classis. Eén van tweeën: de synode moest, speciaal de oude reformatorische opvatting omtrent den doop, zooals die door Prof. Lindeboom werd geformuleerd, de koninklijke als schriftuurlijke, confessioneele waarheid door de voordeur de kerk binnenlaten. Of anders — dus indien ze daartoe niet wilde besluiten — moest het grondig u i t zijn met het onwaarachtige gedoe van toch te blijven leeren wat duidelijk en nadrukkelijk was afgewezen. En allen, die in dezen met Prof. Lindeboom één waren in belijdenis moesten dan in vollen ernst de consequenties trekken, hetzij door hartelijke onderwerping of hartelijke Vrijmaking.

Wat deed nu de Synode?

De vraag van Utrecht's kerk was eenvoudig. Ze kon met, een simpel ja of neen beantwoord worden.

Dit geschiedde evenwel niet.

Het zou al te duidelijk zijn geweest.

Indien de synode open en rond „neen" had gezegd, zou de kerkelijke storm toen wellicht tot een orkaan zijn uitgegroeid.

Daarom pakte de sjoiode deze zaak heel anders aan.

Zij begon met omtrent Lindeboom's uitspraak over den doop te verklaren, dat zij „met de bedoeling hiervan ten volle in (stemt), zoover deze is om af te weren alle gedachte, als zoude de doop aan eiken doopeling beteekenen en verzegelen, dat hij inwendige genade bezit, zoodat iemand uit zijn doop zou kunnen concludeeren, dat hij een geloovige is, of ook op grond van den doop eenige stellige uitspraak aangaande de innerlijke gesteldheid van zijn gedoopte kind zou kunnen doen". 2)

Wie deze woprden leest kan zich alleen maar verbazen.'

Want het was natuurUjk, nooit en in geen enkel opzicht de bedoeling van iemand, wie dan ook, geweest de gedachte, als zoude de doop aan eiken doopeling beteekenen en verzegelen, dat hij inwendige genade bezit, af te weren! Een klein kind wist immers, dat een dergelijke dwaasheid door geen enkele gereformeerde werd gedebiteerd. De Kerkeraad in Utrecht had er dan ook nooit aan gedacht deze zotte stelling „af te weren". Ze was zelfs nooit in zijn gezichtsveld verschenen.

Toch is deze uitspraak van belang.

De synode verklaart immers in deze woorden, dat ze het er heel goed mee eens is, dat de gedachte als zou de doop aan ELKEN doopeling beteekenen en bezegelen dat hij inwendige genade bezit wordt afgeweerd. Maar, zóó sprekend, ontkent de synode niet dat de doop aan SOMMIGE doopelingep die inwendige genade .wel verzegelt!

Neen, dat ontkent de synode zeker niet!

Want dat leert ze juist!

Men lette slechts op den volgenden zin:

Er moet aan worden vastgehouden — aldus de synode — „dat de doop aan den geloovige niet maar bezegelt een belofte, waarvan hij, indien hij gelooft den inhoud zal ontvangen, maar een belofte, van welker inhoud hij bij den aanvang deelgenoot geworden i s en in volkomenheid zeker zal worden ". 3)

Hei. is duidelijk, dat volgens de Synode, zooals ze toen sprak, de doop-van-den-geloovige — en dat is natuurlijk de eigenlijke, waarachtige doop —^de aanvankelijk reeds vervulde belofte verzegelt. Dat is dus: de belofte met haar a, anvankelijke vervulling en dat is dan op zijn minst, althans in dit gedachtenklimaat: de belofte mét de wedergeboorte of de aanwezige inwendige genade.

Het ia voorts óók duidelijk, dat volgens deze Synodeuitspraak, de doop van den niet-geloovige niet zoo'n bij den aanvang reeds vervulde belofte verzegelt. Wat die doop dan beteekent en bezegelt wordt hier niet gezegd. Maar dat is in ieder geval minder dan wat de aan de geloovigen bediende doop in dit opzicht doet.

En die doop der niet-geloovigen is derhalve een niet volledige, niet volle, niet eigen-1 ij k e doop.

Nadrukkelijk leerde de synode aldus, óók weer in deze uitspraak, dat de eigenlijke, ware doop, aanwezige, inwendige genade bezegelt.

En tegelijk leerde zij, dat er ten aanzien van de verzegelende kracht tweeërlei doop is: een doop welke de reeds aanvankelijk vervulde belof-' te verzegelt èn een doop, welke dat niét doet!

Alzoo oordeelde de Synode over den doop in verband met de vraag van Utrecht's kerkeraad.

En zoo werd het een wonderlijke geschiedenis.

Wcint de ambtsdragers, waarop de kerkeraad van Utrecht doelde, hadden juist uitdrukkelijk verklaard,

dat zij van deze synode doopsleer juist niets, heelemaal niets wilden hebben.

Zij hadden haar zelfs op een kerkeraadsvergadering met deze woorden nadrukkelijk verworpen:

„1e. Wij verwerpen de gedachte, dat in verbond en sacrament zou voorkomen, resp. verzegeld worden, een algemeene aanbieding des heils èn een onvoorwaardelijke heilsbelofte aan de uitverkorenen, die den specifieken inhoud zou vormen van verbond en sacrament.

2e. Wij verwerpen de gedachte, dat de sacramenten — indien zij n.l. wasirachtige sacramenten zijn — het aanwezig geloof of reeds gerealiseerde inwendige genade bezegelen en dat ze daarom bij degenen, wien ze worden toegediend, het geloof veronderstellen.

3e. Wij verwerpen de gedachte, dat den niet-uitverkoren doopelingen het recht op den doop in zijn vollen, diepen zin niet zou toekomen en hun doop niet in vollen zin als een doop zou te beschouwen zijn". 4)

Scherp stonden zoo de standpunten tegenover elkaar.

De kerkeraad van Utrecht had uitgesproken, dat ambtsdragers, die de zooeven genoemde synodale doopsleer verwierpen en omtrent den doop precies zoo leerden als Prof. Lindeboom en dus verklaarden, dat de doop nooit iets verzegelt, wat in den mensch aanwezig is of verondersteld wordt aanwezig te zijn, doch alleen Gods belofte en dat deze belofte aan alle kinderen gelijkelijk toekomt en verzegeld wordt, geheel conform Schrift en belijdenis waren.

De Synode zei daartegenover: neen, alleen als ge leert, dat de doop van den geloovige inderdaad ook iets verzegelt dat aan dien doopeling alleen toekomt en in hem aanwezig is en dat de doop van den geloovige meer verzegelt dan de doop van den ongeloovige. zijt ge Schriftuurlijk en confessioneel.

En wat was toen de conclusie van de Synode?

Ieder zou natuurlijk verwachten dat de synode duidelijk, klaar en zonder omwegen uitsprak: Neen, kerkeraad van Utrecht wat U verklaarde is niet juist, dat moet U herzien.

Doch zoo geschiedde niet.

Dat ware al te duidelijk!

De synode sprak uit, dat, naar haar oordeel, de uitgesproken inhoud van de Utrechtsche uitspraak omtrent den doop toetsend aan Schrift en belijdenis, ZOO DEZE WERD VERSTAAN IN DEN DOOR DE SYNODE AANGEGEVEN ZIN „niets bevat(te) waarom hun onderteekenaars hun ambt niet zouden kunnen blijven waarnemen". ^)

Hetwelk, overgezet zijnde uit de diplomatieke in de eenvoudige klare taal, welke men vooral in de kerk dient te gebruiken, zeggen wil: Ik, synode, v e r k l a a r uw u i t s p r a a k o m t r e n t den doop te kunnen goedkeuren, indien ge er tenminste dat inleest, wat ge juisthebtwillenverwerpen !

De synode sprak ongeveer als een Vader, die tot zijn jongen, welke hem vroeg of hij voor dezen keer eens na negen uur 's avonds thuis mocht komen, antwoordde: Ongetwijfeld mag dat, mijn jongen, als je er maar voor zorgt, dat je vóór negenen thuis bent!

En sindsdien wordt overal in den lande verteld, dat het Utrechtsche voorstel indertijd door de Synode werd aangenomen!

En men „gelooft” dat ook. Zelfs in „Utrecht"!?

Voor lederen nuchteren hoorder en lezer is het evenwel volkomen duidelijk, dat de Synode de echt-calvinistische uitspraak, dat de doop Gods belofte in het Evangelie geopenbaard, verzegelt en niet iets wat in den mensch aanwezig is of voorondersteld wordt aanwezig te zijn had verworpen.

En daarmee ook de opvatting van Ds Van Teylingen!


1) Zie mijn: In den chaos, p. 5.

2) Acta, art. 625.

3) Idem.

4) In den chaos, p. 7; 5) Acta, art. 625.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juni 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

BEZWAARDEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juni 1948

De Reformatie | 8 Pagina's