GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„PUBLIEK VERMAAK”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„PUBLIEK VERMAAK”

11 minuten leestijd

LITERATUUR EN KUNST

In voorgaande artikelen hebben wij gewezen op het principiële verschil van inzicht dat er is tussen wat onze gereformeerde voorouders beleden en wat er vandaag in gereformeerde kring betoogd wordt aangaande het publiek vermaak of wat men meestal liever aanduidt met de wijdse naam van „de Cultuur".

Wij hebben uit de arterisken van Dr A. Kuyper, (geschreven in De Standaard in 't jaar 1880) aangetoond, hoe scherp afwijzend hij en andere gereformeerde leiders van ons volk tóén stonden tegenover het bezoek aan het toneel. Vandaag zouden zij er in één adem de bioscoop ook bij genoemd hebben.

Wanneer Kuyper uit de historie heeft laten zien, dat de gereformeerde zede zich steeds verzet heeft tegen alles wat op toneelspel Mjkt, besluit hij met de conclusie:

„Het kon niet anders, of een levenskring, die zich bij het Woord hield, moest wel tegen zulke publieke vermakelijkheden in verzet komen, zoodra ze ernst ging maken met het Woord des Heeren, dat: „wie een vrouw ook maar aanziet, om haar te begeeren, reeds overspel met haar in zijn hart heeft gedaan", of ook met dit ontzettend woord van den Heiligen Apostel uit Epheze 5:3, 4: „Laat geen onreinigheid ook onder u genoemd worden, gelijk het den heiligen betaamt, noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gelikernij, welke niet betamen" (cursivering van A. K.). Wie toch is er, die in eenig land, onder eenig volk, of in welke eeuw ook, een Schouwburgwereld mogelijk acht, zonder dat er tegen dit woord van den Heiligen Apostel wordt gezondigd!

Gijsbertus Voetius, de groote theoloog en gestrenge moralist, in wiens hart en brein meer zedelijke energie school, dan in al het , , geef-en-neem" gekeuvel onzer dagen, is dan ook, onder de hartelijke toejuiching aller vromen, niet slechts hier te lande, maar in heel Europa, zonder sparen en in de kracht zijns Heeren tegen het toen opkomend volksbederf ingegaan, en heeft met een betoogdwang en klem van redeneering, die ons nog verbaast, voor goed en voor immer tusschen de levenswereld van Gereformeerde Christenen en de Schouwburgwereld een muur opgetrokken, waar slechts zelfzuchtige genotzucht een poorte door slaat, en die niet dan met verloochening van het heilige wordt overklommen."

Kuyper laat het hier nog niet bij. Hij heeft meer bezwaren.

Dr Buitendijk vertelt op meer dan één plaats in zijn boek „Op de keper beschouwd" dat wij door onze afwijzende houding ten aanzien van toneel en bioscoop vaak de jeugd juist naar deze plaatsen gedreven hebben. Op pag. 50 van zijn boek citeert hij de verklaring over het fihnvraagstuk, opgesteld door een aantal Protestantse Christenen, in wier gezelschap hij zich goed thuis vindt en welk gezelschap tot de conclusie komt: „Tot nog toe heeft men zich ten onzent, zij het met de beste bedoelingen, teveel bepaald tot een alleen maar signaleren en veroordelen, waarbij de persoonlijke verantwoordelijkheid van de Christen veelal werd uitgeschakeld. Door deze methode heeft men vooral bij de jongeren aan vertrouwen ingeboet; deze varen nu op eigen kompas, dat niet altijd de juiste richting wijst. Allen, die in de vorming en opvoedihg van ons volk een taak hebben (kerken, de jeugdbeweging, culturele verenigingen e.a.) zijn verplicht om aan hen die deze leiding begeren (en dat zijn er zeer velen), voorlichting te geven." „Een deskundige plaatselijke keuringsraad van Amsterdamse Protestanten, die uit ervaring weten wat ons volk hier nodig heeft, zal over de t.z.t. uitkomende films tevoren een controle en selectie moeten uitoefenen. Het resultaat hiervan worde op geregelde tijden gepubliceerd (bij voorkeur in de dagbladpers) in die zin, dat alleen worden aangekondigd de weinige films welke aanvaardbaar zijn".

Dr Buitendijk hoopt nu maar, dat dit „positieve geluid" weerklank zal vinden. Hij schrijft (pag. 51): „Allereerst op het gebied van het toneel. Juist het toneel, omdat de meeste leerlingen hun schreden het meest richten naar de bioscoop. Ze moeten begrijpen, dat goed toneel het altijd wint van de goede fihn. De band die het toneel verbindt met de literatuur en met de voordrachtkunst, maakt, dat de vorm van mimische kunst dichter staat bij ons onderwijs, al wil ik niet over het hoofd zien dat b.v. de verfilming van stukken als Shakespeare's Hendrik V en Hamlet ongekende perspectieven heeft geopend voor een vroeger onmogeUjk geachte vertolking van klassieke stukken. Christelijke scholen behoren derhalve vertegenwoordigd te zijn in de gemeentelijke commissies voor schoolvoorstellingen, opdat onze jeugd met oordeel des ondersoheids toneelspel en filmkunst leert beschouwen."

Dr Buitendijk stuurt dus welbewust aan op een opvoeding van de Verbondsjeugd, waarbij toneel en film een onmisbaar bestanddeel vormen.

En hij wraakt daarbij het „negativistisch standpunt" van velen, die dit van de hand wijzen, omdat juist daardoor die jeugd gedreven wordt tot erger.

Nu heeft Kuyper in zijn dagen ook reeds te maken gekregen met dit standpunt van , , iets toegeven en er van te maken wat er van te maken valt, om erger te voorkomen". Maar luisteren we nu eens, wat zijn antwoord daarop geweest is. Ge vindt dat in zijn broschure „Publiek Vermaak", de pag.'s 59 e.v.v. Hij schrijft daar, deze „toegevende" ouders sprekend invoerend:

„Stellen wij, als ouders, ons daar nu bot tegen, helaas! wat is dan het gevolg? Immers, dat ze het toch doen! Maar dan in stilte! Dan op ellendiger manier! Bn dat ze, later vrij man geworden, als een stroom door den dijk breken; met alle maat den spot drijven; en onze ziel kwellen door wangedrag.

Zie maar eens aan zooveel zoons van vrome ouders; niet het minst van predikanten, die toch heusch geen aanbevelingsbrief waren.

En daarom denken wij er anders over. We gunnen het onzen kinderen met zekere mate. Dan gaan ze voor ons geld en houden wij door dit geld controle. Zoo blijven we de vertrouwden van hun hart. Ze leven niet in een wereld buiten ons. We kunnen ze waarschuwen voor het ergste. En, om het nu maar gul te bekennen, we genieten zelf soms in hun navertellen, zooveel goeds als in de komedie wordt gehoord".

Dat is dus zo ongeveer dezelfde redenering als Dr Buitendijk en velen vandaag onder hen, die zich leidslieden rekenen van het gereformeerde volk, er op na houden.

En wat antwoord geeft Dr Kuyper daar nu op? Hij schrijft (pag. 61):

„Heel het systeem- van opvoeding, dat aan deze overweging ten grondslag ligt, druischt lijnrecht in tegen den elsch van Gods Woord; tegen de snijdende beslistheid van Jezus, onzen Heiland; tegen het ideaal karakter van het zedelijk leven; en tegen het edeler getuigenis der edeler en hooger geesten van ons geslacht.

Want toegegeven al dat ge zoodoende een periode van uitspatting en hooger gevaar in het leven van uw kind voorkomt, nooit zal dit de onberekenbare schade goedmaJcen, die ge aan geheel zijn opvatting van het zedelijk leven door uw ellendige utiliteitstactiek hebt toegebracht.

Niets is er, dat zoozeer den geest der volkeren verslapt, als de kunstmatige teelt van brave Hendrikken en oppassende Maria's, alleen karakters met één verdieping, zonder sousterram, maar ook zonder hoogopgaanden gevel.

Daarmee doodt ge in uw kinderen, en door hen in den boezem uws volks, dien fierder, dien nobeler, dien alles wagenden, wijl alles hopenden zin, waar de geestdrift des harten uit spreekt en het élan voor machtige daden uit geboren wordt.

Verbeeldt u Jezus, uw Heiland, Hij, die van het uitrukken van het oog, van het afsnijden van de hand sprak; verbeeldt u zijn apostel, die den rok ook van het vleesch besmet noemde, opgeroepen om de theorie te bepleiten, dat half toegeven beter ware dan heel ondergaan.

Predikt zijn kruis u dan niet, dat juist heel te durven ondergaan de eenige profetie en waarborg is van volkomen, zij het ook spaden triomf?

Ze zijn gedoopt, uw kinderen, niet waar? Welnu dan, zoudt gij den prediker met verachten in uw hart, die u bij den Doop aldus had toegesproken: „En voorts, geliefde broeder en zuster in onzen Heere Jezus Christus, nademaal ge dan beloofd hebt, uwe kinderen op te zullen voeden in de leere Christi, zoo verzuimt vooral niet, als ze tot jaren van onderscheid zullen gekomen zijn, ze bijtijds in de schouwburgzalen in te leiden, opdat ze niet uitspatten tot erger? "

Heerlijk, niet waar? zou daarop de liturgische vermaning passen: „Ter contrarie worden wij ook van God in den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat we de wereld verlaten, onze oude natuur doeden en in een nieuw, godzalig leven wandelen mogen!"

Kuyper schrikt er niet voor terug, dat standpunt naar Jesaja's woord „een verbond met de hel te noemen, om door Beëlsebubs trawanten den Overste der duivelen te weerstaan.

Hij meent dan ook, dat de empire, waarop men zich beroept, volstrekt niet opgaat.

Want, zegt hij: , , De overgroote meerderheid der losbandigen en ellendigen wordt geleverd juist door die categorie der maatschappij, die in komedie-bezoek geen kwaad hoegenaamd ziet. Uit gezinnen vaii predikanten en vromen zijn, ja, beschamend genoeg, heel wat uitvaagsels voortgekomen; maar, vergeet ook niet: die uitvaagsels springen het meest in het oog, en voor de breede schaar van de gemannen, in die gezinnen opgevoed, sluit men het oog. Tenslotte constateert hij:

„In de dagen van oudtijds, toen niemand onder de Christenen om zoo iets dacht, verliep het opkomend geslacht niet.

In Schotland, waar de komedie nóg contrabande is, staat het geslacht van jongelingen eer hooger dan lager.

Bn nu nog, onder onze Gereformeerde burgerij, die, aan de klip der methodistische eenzijdigheid ontkomend, stoelen bleef op den ouden wortel, heeft men op verre na niet met die ergernissen te tobben, die den droeven nasleep vormen van een opvoeding in de kringen van den daarop niet aangelegdeu, aan eigen ernst vervreemden, reveil.

Men late dus af van zoo valsche theorie, en keere liever in eigen tuin terug, om het jonge plantsoen nog wat vaster in den zedelijken bodem te pooten; dan heeft het die stutjes van buiten niet van doen."

Hij noemt die hang naar de comedie (tegenwoordig kunnen we er de bioscoop in één adem bij noemen), niet anders „dan een ellendige, genotzieke, zelfzuchtige, in-zondige en onzedelijke overtuiging, die een wig drijft in ons volksleven".

„Komedie (en bioscoop zeggen we vandaag) en huiselijken zin staan als twee polen tegen elkaar over", zegt hij. „Ziet men nu, stemt men toe, dat onze overspannen eeuw, dat onze zinkende natie (het lijkt voor vandaag geschreven! R. v. R.) niets zoozeer ter zedelijke weêropleving behoeft, als sterking van het huiselijke leven als het van God geboden instrument om het gemoedsleven weer te ontwikkelen en stille burgerdeugd in praktijk te brengen, dan zou men zoo zeggen, niet waar? dat onze moderne moralisten tegen niets zoo fel als tegen de komedie te velde moesten trekken."

Nu weten we heel goed, dat we niet meer in 1880 leven. We weten ook heel goed, dat Dr Buitendijk en velen met hem, in de overtuiging leven, dat naast de staat, het sociale leven, de wetenschap en noem al die terreinen maar op, nu ook de „Cultuur" eens aan de beurt moet komen om te worden opgeëist voor „de ere Gods". Immers, er is „geen duimbreed grond", niet waar? We kennen het Kuyperiaanse zinnetje allemaal. En zijn we dus daar niet mee „in de lijn van Kuyper"? Toneel en bioscoop, dans en ballet, we moeten er iets „christehjks" van zien te maken. Het „Cultureel Kompas" gaat er ons de richting toe aanwijzen.

Maar wij geloven, dat we op deze weg helemaal niet ^meer in „Kuypers lijn" zijn, doch alleen maar nog wat graden verder zijn afgedwaald van het „utiliteitsstandpunt", dat hij in de hierboven geciteerde zinnen zo fel en grondig bestreed. We noemen tegenwoordig zo wat van alles „Cultuur". We moesten eens wat voorzichtig gaan worden met dit woord.

Het is wel opmerkelijk, dat dit hele z.g. „Cultuurprobleem" cirkelt om wat de mens graag wil tot streling van zijn eigen vlees. Ik geloof, dat heel die kwestie van bioscoop en schouwburg, dans en ballet, veel meer een „genotsprobleem" dan een CultuurprolDleem is. We willen daar graag in een volgend artikel nog iets meer van zeggen. We willen nu volstaan, met wat Kuyper (pag. 64) zelf daarover opmerkt:

„Zie toch, het menschenhart is nu eenmaal belust op genot. Het was het in alle eeuwen door en is het ook nu. Maar het verschil met vroeger is, dat eertijds de wijsheid der vaderen in het leven een dam opwierp tegen dien stroom, terwijl thans de wijsheid onzer wijzen alle sluizen openzet en, als stroomde het nog niet sterk genoeg, eenvoudig alle dijken doorsteekt."

Wanneer Kuyper dit in 1880 schreef, wat zou hij

er dan vandaag wel van gezegd hebben ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

„PUBLIEK VERMAAK”

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 juni 1952

De Reformatie | 8 Pagina's