GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Kerkelijke Deputaten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerkelijke Deputaten.

19 minuten leestijd

Amstcrdicn, 21 December 1894.

III.

Uit de volledige mededeeling van hetgeen door Voetius over Kerkelijke Deputaten geschreven is, kunnen twee dingen zeer duidelijk blijken.

In de eerste plaats doet het zien, wat toen de beschouwing en de practijk was van de kerken zeivé, met betrekking tot dit onderwerp; daar de aangehaalde plaatsen uit de »Politica Ecclesiastica" betrekkelijk weinig redeneeringen van den Schrijver zelven bevatten, maar voor verre het grootste gedeelte eene beschrijving zijn van den kerkdijken toestand in de eerste helft var. de g z d m g zeventiende eeuw. Er wordt in getuigd, en dat door een man die in dit opzicht beter dan iemand op de hoogte was, dat de Gereformeerde kerken hier te lande destijds het beginsel vasthielden en ook in toepassing brachten, dat de kerken zelve in hare onderscheidene vergaderingen alle kerkelijke zaken moesten regelen, leiden en beslissen; en dat dienovereenkomstig Deputaten sle.chts benoemd werden voor werkzaamheden, die de vergadering als zoodanig niet doen kon; en dan enkel om hetgeen door haarzelve besloten was uit te voeren, met verantwoording aan de committeerende kerken; en voorts wél met de macht, om te adviseeren, ta vermanen, te waarschuwen, enz., maar niet met de macht, om zelfstandig te handelen.

En ten tweede is in al het aangehaalde onmiskenbaar, 'Mat Voetius er op uit is, om datzelfde beginsel en diezelfde practijk onverzwakt te handhaven. Wetende, hoeveel daarvan afhing, en hoe licht het toch gebeuren kon dat men in dit opzicht van de zuivere lijnen eenigszins afweek, heeft hij blijkbaar dienstig geacht, met de meeste kracht tegen zulke afwijking te waarschuwen; soms misschien wel met wat al te groote en ocnpodijjp scherpte, maar toch zeker niet met onnoodigen nadruk en ernst.

De geschiedenis onzer kerken heeft hem te dien aanzien maar al te zeer in het gelijk gesteld. Toen de stem van dien wachter niet meer kon gehoord worden, en zijn handboek weinig meer gelezen werd, en het kerkrecht zelf veelszins werd verwaarloosd, is het aantal en de werkkring en de macht van Kerkelijke Deputaten allengs toegenomen. Het beginsel, waar dit tegen indruischte, werd wel niet laestreden of terzijde gesteld; maar het werd tochlin de practijk vaak verloochend. En al had dit kwaad in de achttiende eeuw nog betrekkelijk kleine afmetingen, er werd toch door voorbereid en ook mogelijk gemaakt, dat de kerkinrichting zelve in den aanvang van de negentiende eeuw geheel werd omgekeerd. De Classicale* en Provinciale en Algemeene »besturen", die door het Koninklijk Reglement van 1816 aan de kerken werden opgelegd, en die voorgesteld werden als eene voortzetting en betere regeling van hetgeen men reeds sedert de zestiende eeuw onder den naam van »Deputaten" gehad had, zouden wel terstond in hunnen waren aard erkend en dan algemeen verworpen zijn, ja men zou zelfs niet beproefd hebben, ze aan de kerken op te leggen, indien deze niet vergeten hadden wat haar in de zeventiende eeuw nog zoo ernstig herinnerd werd, en indien zij niet in allerlei opzicht zich gewend hadden, Deputaten te hebben aan wie meer, dan wel mocht, werd opgedragen of overgelaten.

Voor de kerken, die nu ondervonden hebben welke schade daaruit voortvloeit en die dus om haars levens wille tot de oude Gereformeerde beginselen zijn teruggekeerd, is het waarschifWend woord van den ouden Voetius dan ook zeker geenszins verouderd. Ja wat meer is, het is thans ook noodig, meer zelfs dan wel in de zeventiende eeuw.

Destijds moest gezegd worden, zeker niet van alle Deputaten, maar dan toch van een aantal hunner, dat zij juist niet uitmuntten door bekwaamheid en door ijver. Het getuigenis, dat te dien aanzien gegeven wordt in het laatst aangehaalde stuk uit de ^Politica Ecclesiastica", nog wel afkomstig van iemand die zelf met velerlei deputatiën was belast geweest, is waarlijk niet vleiend. Bij zulke Deputaten nu is er altijd minder gevaar, dat de kerken er toe komen zullen hunne macht uit te breiden, en dat zij zelven een veel meerderen en vaak lastigen arbeid zich gereedelijk zullen laten opleggen.

Maar in onzen tijd is de toestand gelukkig anders. Men kan veilig zeggen, zonder vrees voor iemands tegenspraak, dat het in onze Gereformeerde kerken thans vaste regel is, om voor allen arbeid, die aan Deputaten wordt opgedragen, juist diegenen te kiezen, die geacht worden er in alle opzichten het best voor berekend te zijn. Dit nu is zonder twijfel uitnemend ; maar het geeft ook lichtelijk aanleiding, dat men dan aan zulke Deputaten liefst veel opdraagt en toevertrouwt; en deze zijn dan wel gehouden, aan die opdracht gevolg te geven. Eer of voordeel of gemak is er aan een Deputaatschap der Gereformeerde kerken thans niet meer verbonden; eerder het tegendeel van dat alles. En wanneer er dan zijn, die zooveel bezwaren gewillig op zich nemen, die hunnen ijver verdubbelen opdat zij niet alleen hunnen last uitvoeren maar ook hun andere werk zoo min mogelijk laten schade lijden, en die den hun toevertrouwden arbeid goed verrichten, soms zelfs beter dan de kerken zelve het doen zouden, dan ligt het gevaar voor de hand, dat die kerken, meenende hierdoor de zaken zoo goed mogelijk te behartigen, op bekwame en ijverige Deputaten hoe lapger hoe meer laten aankomen, en ten slotte een aantal aangelegenheden, niet meer in hare vergaderingen, maar door middel van hare Deputaten gaan behandelen en afdoen. Waaruit volgt, niet dat men dan maar liever Deputaten moet kiezen, die weinig beteekenen en die weinig doen ; maar dat de kerken des te meer moeten toezien om haar eigen werk niet aan anderen over te dragen; en dat zulke waakzaamheid, wel verre van'aan Deputaten ook maar eenigszins onaangenaam te zijn, door hen slechts kan worden toeejuicht.

Door het reeds gezegde kan nu des te eter begrepen worden, wat er in de Kerenordening over Deputaten voorkomt. Uit en aard der zaak zijn het die bepalingen, ie voor onze kerken den regel aangeven, aarnaar ook bij deze aangelegenheid moet ehandeld worden. Ook al mag die regeling elve altijd weer beoordeeld worden naar e in Gods Woord uitgesproken beginselen, en moet in het kerkelijk leven toch uitaan van de onderstelling, dat zij daarmede e b n s U d in overeenstemming is. En het komt er voor. de practijk dan op aan, die bepalingen niet slechts oppervlakkig te kennen, maar ook zoo goed mogelijk te begrijpen.

Veel in aantal zijn zij zeker niet. In het algemeen geeft de Kerkenordening, daar zij slechts eene verzameling is van besluiten eener Generale Synode, alleenlijk bepalingen over algemeene zaken, die in de kerken tot moeielijkheden hadden aanleiding gegeven, en die in de mindere vergaderingen niet hadden kunnen afgedaan worden; terwijl alle andere regeUng, als niet tot de bevoegdheid eener Generale Synode behoorende, aan de mindere vergaderingen werd overgelaten. Dit geldt ook in zake de bepalingen over Deputaten. En vandaar, dat er in de Kerkenordening slechts driemaal van gesproken wordt: in Artt. 4, 44en49.

Eigenlijk zou ook Art. 48 hierbij te noemen zijn, waar gezegd wordt: »Het zal iedere Synode vrijstaan, correspondentie te verzoeken en te houden met hare naburige Synode of Synoden, in zulken vorm, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting." Immers, die Correspondenten, die in vroeger tijd uit de meeste provinciën naar de Provinciale of Paiticuliere Synoden van andere provinciën gezonden werden, waren ook Kerkelijke Deputaten. Maar in onzen tijd moet die geheele manier van correspondentie geacht worden feitelijk vervallen te zijn, daar de eenige beweegreden, die er indertijd toe geleid heeft, thans geheel is verdwenen. Tusschen de kerken van de onderscheidene provinciën moet natuurlijk zooveel mogelijk verband zijn, zoodat zij met elkander samenwerken en elkander steunen. Hiervoor nu is het meest natuurlijke, het gewone, het regelmatige, het in de Kerkenordening zelve voorgeschreven middel, dat zij van tijd tot tijd in Generale Synode bijeenkomen. Maar in den tijd der Republiek was, ten gevolge der toenmalige betrekking tusschen Kerk en Staat, zoodanig samenkomen zeer bezwaarlijk en wel bijna onmogelijk, als het door de Hooge Overheid niet werd toegestaan. En reeds in de zestiende eeuw werd het door die Overheid, die beducht was dat de kerken door zulke samenwerking al te machtig zouden worden, jaar op jaar ganschelijk verhinderd. Om dan toch eenig verband daarvoor in de plaats te hebben, werd toen door de meeste Provinciale en Particuliere Synoden achtereenvolgens besloten, elkanders vergaderingen zooveel mogelijk door Deputaten te doen bijwonen. En zoo was dit reeds vele jaren in gebruik, toen de kerken eindelijk, in i6i8, weer in Generale Synode konden samenkomen. Deze Synode had er zich toen mede bezig te houden, daar (blijkens de Acta van hare 158e Sessie) over dit punt een gravamen was ingekomen. En nu ondervonden hebbende dat het houden eener Generale Synode gedurende 32 jaren belet was, en terecht voorziende dat het in de toekomst ook wel weer zou kunnen belet worden, heeft de Dordtsche Synode op het ingekomen gravamen zóó geantwoord, dat zij aan het reeds lang in gebruik zijnde hulpmiddel hare goedkeuring gaf, eni haar daartoe strekkend besluit als Art. 48 in de bestaande Kerkenordening inlaschte. Dit is dus een artikel, dat in 1619 bij wijze van noodhulp gemaakt is, en dat met het ganschelijk wegvallen van dien nood uit den aard der zaak geene beteekenis meer hebben kan. Wie het thans nog zou willen toepassen, tenzij dan in enkele gevallen van zeer buitengewonen aard, zou wel, zonder eenige noodzaak en ook zonder nuttigheid, zoowel kerken als kerkedienaren met veel moeite en lasten en kosten en schade bezwaren. De in dit artikel bedoelde correspondentie wordt thans heel wat beter onderhouden, doordat de in Art. 50 genoemde Generale Synode thans geregeld kan samenkomen.

F. L. RUTGERS.

Depositie van het vrije Hooger Onderwijs in Nederland.

« Vrijheid, de levensvoorwaarde voor het Hooger Onderwijs.'' Inleiding tot het debat over de stellingen, voorgedragen in de ineeting der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, ie Utrecht gehouden den iTen Juni 1894 door Dr. J. Woltjer. Amsterdam, J. A. Wormser 1894.

Het debat van Donderdag 13 December in de Tweede Kamer te 's-Hage verbindt uit meer dan één oorzaak de gedachte aan deze Inleiding tot het debat van 2"] Juni te Utrecht. Tusschen het een en het ander liggen bijkans zes maanden, doch wat Donderdag der vorige week is gesproken heeft als bij vernieuwing aan de woorden van Dr. Woltjer zulk een actualiteit gegeven, dat ik met een bespreking van zijn referaat, door de Redactie van ons blad daartoe aangezocht, zeker niet te laat kom. En waar de positie van het vrije Hooger Onderwijs ook de kerken raakt, zal men een onderwerp als dit in een kerkelijk blad als de Heraut H wel niet ongepast achten.

Hoe die positie thans is, hoe het vrije Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag aan Universiteit en Gymnasium er thans in Nederland aan toe is, laat Dr. Woltjer het u zeggen.

Voor hun eigen geld hebben de Gereformeerden een Universiteit opgericht en Gymnasia ook. Aan de Regeering was hiervan kennis gegeven en zeker, zegt Dr. Woltjer, dat heeft ons niet in de gevangenis gebracht n niemand onzer is er zelfs met boete om edreigd.

Maar nu verder.

Wel, dan is de positie deze.

De Overheid erkent uw vrije onderwijs iet, steunt het niet, gunt het geen aanpraak op eenig recht.

Dat alles is uitsluitend voor de Overheidsniversiteiten.

Voor haar alleen de publieke erkenning, e fuiancieele steun, het recht om graden d te verleenen, die in de burgermaatschappij gelden.

En dat gaat voor het Gynmasium zelfs zoo ver, dat, naar Dr. Woltjer te Utrecht mededeelde, een Hervormd predikant voor zijn jongen op het Vrije Gymnasium te Amsterdam het schoolgeld, dat Hervormde predikanten voor hun zonen die Latijn leeren, van de Regeering ontvangen, niet eens kon krijgen op een bewijs van den Rector van dat Gymnasium, maar eerst nadat de Rector van het openbaar Gymnasium er aan tepaswas gekomen.

En toch weet de Regeering heel goed van het bestaan van zoo'n vrij Gymnasium af, want, en dit behoort ook nog tot dt vrijheid, tweemaal in het jaar moet een vrije school een beredeneerd verslag indienen van haar toestand. En daar staat nu weer wel boete op ; / 25 bij een eerste verzuim.

Voeg daar nu nog aan toe, dat jongens zoo van openbare als bijzondere Gymnasia zoo in het buitenland — de wet noemt b.v, Noorwegen met name — als in onze Koloniën en overzeesche bezittingen, op een bewijs van een goed afgelegd eindexamen, ongeveer overeenstemmend met dat onzer openbare Gymnasia, tot de Overheids-Universiteiten worden toegelaten, terwijl de leerlingen van een vrij Gymnasium in Nederland in een dergelijk geval uitgesloten worden.

Ziedaar, door een bezadigd man als de hoogleeraar Woltjer, die niet met schrille kleuren schildert, u de positie van het vrije Hooger Onderwijs in Nederland geteekend.

Deze toestand is aan velen bekend.

In Juni had Woltjer er nog eens de aandacht op gevestigd in de meeting te Utrecht en eenige weken later dit woord in druk doen uitgaan. En toen kwam December. In ons Parlement was de Begrooting van Binnenlandsche Zaken aan de orde en nu, Donderdag voor een week, de Afdeeling: Hooger Onderwijs.

Welnu, de positie van het vrije Hooger Onderwijs in Nederland «j in debat gebracht.

Voorop ging de heer Everts, de in deze materie zoo bekwame Roomsche afgevaardigde. Ongetwijfeld maakte hij zich, zooals hij zeide, tot tolk van de gevoelens van duizenden en millioenen in den lande, toen hij klaagde over het materialistisch karakter van ons openbaar onderwijs; op minstens twee vrije Hoogescholen met ruime subsidie van den Staat aandrong, en eindelijk ook op de belangen der bijzondere Gymnasia bij de samenstelling van de examen-commissiën wees.

En daarna is van antirevolutionaire zijde de heer Heemskerk opgetreden met een woord waarvoor hij, niet minder dan de heer Everts, den dank verdient van alle voorstanders van het vrije Hooger Onderwijs. Het woord van Dr. Woltjer, wiens naam door den spreker ook in het debat genoemd werd, werkte hier blijkbaar na. Ja, de heer Heemskerk ging zelfs verder en wenschte, wat wij straks zullen zien, dat Dr. Woltjer nog niet eens eischt, den effectus civilis voor de gegradueerden der vrije Universiteiten. Overigens drong hij, evenals Dr. Woltjer, op subsidieering van het vrije onderwijs van Staatswege aan; wees op de ongelijke positie van het openbare en vrije onderwijs ook wat betreft de Gymnasia en vroeg: »als er drie Rijks-universiteiten moeten zijn, moeten dit dan & ükti liberale Universiteiten wezen? " Met uitzondering nog van den heer de Savornin Lohman, die later, toen de Minister over het jus promovendi handelde, van een afzonderlijk Staats-examen voor de aan bijzondere Ploogescholen opgeleiden sprak; en de repliek der heeren Everts en Heemskerk op het hun gegeven antwoord van den heer Van Houten, is verder door de overige zoo Roomsche als antirevolutionaire leden op dien i3en December over de positie van het vrije onderwijs in Nederland een stilzwijgen bewaard, dat, tegenover het spreken hunner politieke vrienden in, voor vele hunner politieke vrienden buiten de Kamer waarschijnlijk nu juist niet in de verhouding van goud tot zilver staat. Het heeft er iets van of de vrienden toen Heemskerk over den val van Jericho's muren sprak, bij het geklank dezer bazuinen plotsehng dachten, dat nu ook voor hen gold Jozua's gebod: »Gij zult uwe stem niet laten hooren, en geen woord zal er uit uwen mond uitgaan."

Evenwel, er is ditmaal dan toch gesproken en uitnemend ook, zij het al dat men geen weerklank hoorde.

Er was op 13 December een krachtige uitmg van beginselen op het stuk van ons Hooger Onderwijs bij de Christenen in ons Parlement en ook bij den Minister Van Houten. Na eerst den heer Everts het recht te hebben betwist om van »volksliefde" ten onzent »voor de wetenschap op Christelijken grondslag" te spreken, waarop deze afgevaardigde afdoend repliek gaf met zijn verklaring, dat zijn gevoelen dat was van "/lo der Katholieken, die ^/j der bevolking uitmaken, en van de groote meerderheid onder de Protestanten; liet de heer Van Houten onder meer deze krachtige uiting van beginselen hooren: »De wetenschap moet op een bepaalde richting steunen; anders zou dit tot de grootste oneenigheid leiden. Men zou zoodoende Calvinistische en andere Uuiversiteiten moeten hebben. De Minister kent niet Christelijke of onchristelijke wetenschap, maar de wetenschap. Aan de wetenschap wordt geen voorrecht toegekend; zij zoekt slechts naar waarheid. ls zij in liberale richting propageert, dan s dit haars ondanks."

Ik zou zoo zeggen, ook hier werkte et woord van Dr. Woltjer na, maar nu in egatieve richtmg.

Ik vermoed, dat mijn ambtgenoot den inister wel een exemplaar van zijn boekje al hebben gezonden, en dat ZExc. het eeft gelezen, wordt meer dan waarschijnijk, indien men Dr. Woltjer's eerste vau ijn drie stellingen naast het antwoord vaU en Minister legt. Zij toch luidt:

xln 't belang van de wetenschap en het

onderwijs; als eisch van recht en billijkheid; ter bevordering van vrede en eendracht tusschen de burgers, is het noodzakelijk, dat de rechten aan het Staats-Hooger Onderwijs toegekend, aan het Vrije Hooger Onderwijs niet worden onthouden."

Men ziet, naast elkaar gezet, is het een zoo ongeveer het vlak omgekeerde van het ander.

Het woord van den Minister een negatie gericht tegen het gestelde van Dr. Woltjer.

Een negatie allereerst tegen de woorden van den heer Heemskerk, die door Dr. Woltjers stelling geïnspireerd was, dat spreekt vanzelf, maar vervolgens tegen die stelling zelf en wel zooals zij daar ligt.

Waarschijnlijk bracht dat uitspreken van den naam van Prof. Woltjer door den heer Heemskerk, in het bewustzijn van den Minister, dien Donderdagmiddag de gedachte verbinding aan deze stelling teweeg; ja, dat min vriendelijke : »Men zou zoodoende Calvinistische en andere Universiteiten moeten hebben" verhoogt den graad dezer waarschijnlijkheid ten zeerste.

Ea leest men nu de toelichting door Dr. Woltjer op zijn stelling gegeven, zijn »Inleiding" tot het debat van 27 Juni, nog eens na, dan wordt dit alles bijna zekerheid.

Dr. Woltjer toont daar eerst aan, wat hij noemt, het subjectief karakter der wetenschap voor welke niet de feiten maar de beginselen hoofdzaak zijn, en welke beginselen weer op het innigst saamhangen met het wezen van hem, die de wetenschap beoefent. Niet de wetenschap dus, maar wel degelijk tweeërlei wetenschap: de Christelijke en de onchristelijke. En evenzoo is ook het onderwijs, dat den weg wijzen, richting geven moet en dus juist op de beginselen aankomt, tweeërlei.

Is nu 's Ministers zeggen : > De wetenschap moet op een bepaalde richting steunen. Ik ken geen Christelijke of onchristelijke wetenschap, maar de wetenschap, " geen negatie, die zich richt tegen wat Dr. Woltjer stelt en betoogt?

Verder, Dr. Woltjer toont in de Hveede plaats aan hoe de feitelijke positie van het vrije Hooger Onderwijs in Nederland, dat heusch geen liefhebberij is, maar aan Christenouders, die een onderwijs voor hun kinderen verlangen naar hun beginselen, door den nood is opgelegd, in haar ongelijke rechtsbedeeling met het openbaar Hooger Onderwijs, een onrechtvaardige en onbillijke is.

Is nu 's Ministers zeggen: »Aan de wetenschap wordt geen voorrecht toegekend; zij zoekt slechts naar waarheid. Als zij in liberale richting propageert, dan is dit haars ondanks", geen negatie, die zich richt tegen wat Dr. Woltjer stelt en betoogt?

En eindelijk, als Dr. Woltjer in de derde plaats aantoont, dat gelijk recht voor het vrije en het openbare onderwijs aan vrede en eendracht tusschen de burgers bevorderlijk is .en de Minister daar juist van »de grootste oneenigheid" spreekt, wie zal hier dan nog aan geen opzettelijlie negatie denken?

Vraagt men nu of Dr. Woltjers betoog van 27 Juni dan zoo yveinig steekhoudend is geweest, dat de heer Van Houten na lezing nog altijd vlak het tegendeel kan volhouden, dan verwijzen wij dien vrager eenvoudig naar het boekje zelf. Doch het ging met dit betoog als met alle andere. Indien gij het over de diepste beginselen saam niet eens zijt, zal ook de meest steekhoudende betoogtrant u niet van de waarheid kunnen overtuigen. Juist de houding van den heer Van Houten tegenover de stelling van den heer Woltjer is een bewijs voor Dr. Woltjers en tegen des heeren Van Houtens bewering omtrent de wetenschap.

Overigens kan ik mijn hooggeachten ambtgenoot gelukwenschen met het succes dat zijn woord van 27 Juni ook op 13 December, toen het vriend en vijand bezielde, gehad heeft. Een woord, ook een geschreven woord, dat na een halfjaar nog blijft, ziet dat is in onzen tijd, waarin alles zoo snel vliegt, een benijdbaar iets.

Doch Woltjers woord moet nog langer blijven, ook in het bewustzijn van allen die het vrije Hooger Onderwijs een goed hart toedragen, en ook daarom schrijf ik deze regelen.

Men moet het lezen en herlezen.

Het doet ook daarom zoo weldadig aan, wijl het zoo volkomen gespeend is aan wat men noemt valsch idealisme.

Wat Dr. Woltjer voorstelt om tot een zuivere positie van het vrije Hooger Onderwijs tenonzent te geraken is uitvoerbaar.

Hij overvraagt niet.

Dit blijkt uit zijn tweede steil ing, waarin hij aandringt op een bepaling in de wet op het H. O. van dezen inhoud:

1". Aan Bijzondere Gymnasia en Universiteiten, die voldoen aan den eisch door de wet nader te bepalen, wordt door de Regeering subsidie gegeven op gelijken voet als aan het O. H. O.

2". Wat de examens betreft worden aan deze Gymnasia en Universiteiten dezelfde rechten toegekend als aan de openbare.

Men ziet hier wordt gerekend met de practijk. »Er is nu eenmaal een openbaar onderwijs en niemand zou willen dat dit kortweg werd opgeruimd", zegt Dr. Woltjer.

Evenwel er zij tusschen het openbare en bijzondere gelijkheid van rechtsbedeeling.

De wijze waarop, zoekt Dr. Woltjer èn in subsidie van Staatswege en daarbij toezicht dat het aantal vakken en het peil der kennis niet worde verminderd en verlaagd èn in het toekennen van deselfde rechten aan de geexamineerden, ook der vrije inrichtingen.

Wat het J2is promovendi betreft, waarvan de heer Van Houten den 13en December in de Kamer verklaarde: »De Staat mag het niet uit handen geven, omdat daaraan Staatsbevoegdheden zijn verbonden", welnu Dr. Woltjer wenscht die Staatsbevoegdheden, dien sefTectus civilis" er juist van gescheiden te hebben. In de nieuwe regeliilg, die hij voorstelt, zou de doctorstitel slechts een wetenschappelijk karakter dragen zonder bevoegdheid te geven voor de praktijk, evenals thans het doctoraat van de medische faculteit. Dr. Woltjer toch wenscht, dat tot het verkrijgen van Staatsbevoegdheden, onder het doctoraat, het meesterschap door een Staatscommissie zal worden verleend.

Voorloopig zal echter deze regeling wel niet tot stand komen.

Van deze Kagier, van dezen Minister is geen verandering in de onbillijke en onrechtvaardige positie van ons vrij Hooger Onderwijs te wachten. Hooghartig wijst de heer Van Houten alle aanzoek hier af. Hij weet, en de meerderheid der Kamer weet het met hem, wat kracht in de onderdrukking van het vrije, in de bevordering van het tegenwoordig openbaar Hooger Onderwijs schuilt. In bondgenootschap met ons tegenwoordig openbaar Middelbaar Onderwijs — waarover Dr. Woltjer in zijn derde stelling en toelichting ook wetenswaardige dingen zegt — is het een kracht tot ontkerstening van de natie. Reeds in 1888 sprak Dr. Jur. S. van Houten in sdasCausalitatz-Gesetz" van »een opvoeding die er zich niet op moet richten een bepaald dogma, als het éénig ware te leeren gelooven."

Toch zal Jericho vallen.

Toch zal het vrije Hooger Onderwijs tot een betere positie komen, maar zeker niet voor, zooals de heer Everts sprak, een Vertegenwoordiging opgetreden is als vrucht van een ruimer kiesrecht.

GEESINK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 december 1894

De Heraut | 4 Pagina's

Kerkelijke Deputaten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 december 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken