GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

10 minuten leestijd

DR. A. G. HONIG. „ETHISCH" OK GEREFOR­ MEERD ? — EENE STUDIE. — Utrecht. O. J. A. Ruys. 1914.

II.

DR. HONIG schetst, naar ik in mijn vorig artikel vertelde, in het eerste deel zijner STUDIE het ontstaan, de historie en het streven van de „ethische" richting in NEDERLAND. Na zijn teekening van dat ontstaan en die historie een vorig maal te hebben weergegeven, kom ik nu tot wat ik van zijn eerste deel het derde onderdeel zou willen noemen, het strccen van de ethische richting in NEDERLAND (p. 18-—31).

Onder dit „streven" nu is hier tweeërlei vervat.

Om dit te doen verstaan wil ik op het resultaat waartoe hij in dit onderdeel van zijn STUDIE komt, vooruitgrijpen.

HONIG deelt dat resultaat mee op p. 30 :

„Onrecht deed men haar (de „ethische" richting), in zoover zij duidelijk genoeg hare hoofdbeginselen in het licht stelde. Maar men gaf slechts der waarheid getuigenis, ais" men klaagde, dat in hare dogmatische bespiegelingen heel wat duister is, dat zij de wijsgeerige speculatie telkens de theologie laat overheerschen en dat zij, al meende zij voor zich, dat zij zich aansloot aan de Gereformeerde Theologie, geenszins voortspon aan het weefsel, door onze Vaderen zoo gelukkig vervaardigd".

Hier nu zit tweeërlei in.

In de taal eencr ietwat versleten homiletiek zou men het deftig kunnen noemen : een onverdiende beschuldiging afgewezen en een rechtmatige klacht ingebracht.

Zien wij hoe DR. HONIG tot dit tweeërlei resultaat komt.

Eerst dan : de beschuldiging, die hij als onverdiend afwijst.

Wat is ethisch ?

„Er is wel geene richting, die meer de verzuchting slaakte, dat zij niet werd verstaan, dan de „ethische".

Aldus, en terecht, DR. HONIG op p. 18 zijner STUDIE.

En op p. 19 laat hij Orthodoxen en nict-Orthodoxen tot de Ethische» zeggen: „De schuld ligt wel bij u. Gij zijt zóo duister, uw betoog is zoo onklaar, uwe terminologie is zoo onvast..."

HONIG gaat daar echter niet in mee.

Hij verkeert daarbij in gelukkiger omstandigheid dan PIERSON, die in zijn RIGTING EN LEVEN, wat ik juist dezer dagen weer eens ter hand nam, in 1863 schreef: »Wat beweert dan de ethische rigting ? Op deze vraag is nog zelden, naar het mij voorkomt, zelfs door hare voorstanders een duidelijk en algemeen antwoord gegeven. Toch valt het niet moeilijk tot zulk een antwoord te komen. Mogen wij ons vermeten om in haar naam te spreken, dan zouden wij zeggen : de ethische rigting ...".

Het antwoord dat PIERSON dan geeft in dit zijn geschrift, •— waarop DE LA SAUSSAYE liet volgen zijn LEVEN EN RIGTING, — laat ik, als hier niet ter zake, rusten. Het is mij alleen maar te doen te laten zien, dat volgens PIERSON in 1863 een duidelijk en algemeen antwoord op de vraag : wat is ethisch : zooal niet geheel ontbrak, den toch van groote zeldzaamheid was. Thans, nu wj ruim 50 jaar verder zijn, kent HONIG er wel vijf.

Hij citeert deze vijf antwoorden, «definities" noemt hij ze, op p. 19—21.

Van die vijf laat ik hier, en dan verkort, de eerste drie volgen.

DE LA SAUSSAVE schreef: „Ethisch is niet de naam van ecne richting in de gemeente; maar de wijsgeerige karakteristiek van het beginsel der theologische wetenschap tegenover het empirisme, zoowel het naturalistische als het supranaturalistische."

üüNNiNG zeide van het hoofdbeginsel van DE LA SAUSSAYE en de zijnen: „Wij gelooven, dat men bekeerd moet zijn om de waarheid te kunnen zien en over haar te kunnen spreken, hetzij als man der kerk, hetzij als man der wetenschap".

En VALETON-sprak van het ethische standpunt als : „het poneeren van de absolute zelfstandigheid van het geloofsleven, als hebbende zijn zekerheid alleen in zich zelf".

Ik ben het hier met Dr. HONIG goed eens, dat uit deze verschillende omschrijvingen „wel is aan te wijzen wat met den term „ethisch" is bedoeld en wat door de „ethische" richting — zooals hij, ten spijt van ook DE LA SAÜSSAVE'S protest, schrijft, — „wordt nagestreefd".

Ten gerieve van zijn, theologisch niet-of niet-voldoend geschoolde lezers geeft PROF. HONIG zich dan nog de moeite van op blz. 22—24 de, door hem vermelde, »definities« nader toe te lichten om, met een: »Het is wel helder en duidelijk te zeggen wat met den term «ethisch» werd bedoeld», — de beschuldiging van duisterheid, als een onverdiende, aftewijzen.

Maar nu, en iiV de tweede plaats : de rechtmatige klacht, die hij inbrengt.

Vergelijkt incn nu dit deel van het resultaat waartoe DR. HONIG komt, met de wijze waarop hij dat van p. 24—30 tracht te bereiken, dan doet het cenigszins zonderling, dat op die zes bladzijden vrijwel alleen sprake is van den ouderen DE LA SAUSSAYE.

Al de argumenten toch voor de rechtmatigheid der drieërlei klacht zijn zoo goed als uitsluitend ontleend aan wat geschreven is door „den baanbreker van de „ethische" richting in Nederland".

Dit is zeker bevreemdend, want VALETON mocht in 1903, zooals HONIG meer dan eens vermeldt, al klagen, dat „een goede Dogmatiek van uit het ethisch beginsel nog ontbrak", — doch op dogmatisch gebied hebben wij van ethische zijde toch niet enkel publicaties van DE LA SAUSSAYE. Ik denk hier, om van de oudere generatie slechts één te noemen, aan GUNNING, op wiens literaire nalatenschap óók wat het dogmatisch gedeelte betreft, toch zeker van toepassing is wat HONIG p. 19 van „de geschriften der woordvoerders van de ethische richting" zegt, ., dat er talrijke mooie bladzijden in voorkomen en meermalen ernstige dingen in worden gezegd". En wat de jongere generatie betreft is het, om iets te noemen, alsof dat van uit het ethisch beginsel geschreven HANDBOEK DER DOGMATIEK van PROE. ]MULLER, — verschenen, al ik mij niet sterk vergis, na 1903, — heelemaal niet bestaat. Niet hier tocli, maar eerst in zijn tweede deel en dan in gansch ander verband, wordt dit boek door HONIG genoemd.

Dan nog eens, bevreemdend is dit alles, doch alleen voor wie vergeten is, dat Prof. HONIG in bet eerste deel zijner STUDIE en dus ook in het derde onderdeel daarvan, hetwelk handelt van het streven der ethische richting in Nederland, slechts een schets levert.

Wat alzoo door hem op p 24—30 omtrent DE LA SAUSSAYE gezegd is, wordt, zooals ik boven reeds meedeelde, door HONIG op p. 30 saanigevat in een, naar ook zijn overtuiging, rechtmatige, drieërlei klacht, die tegen de ethische richting in NEDERLAND, wat haar streTcn betreft, is ingebracht.

Ter verduidelijking wil ik deze klacht in haar drie declen, elk van een enkele kantteekening voorzien, nog eens doen hooren.

lo. sin de dogmatische bespiegelingen der i ethische" richting in NEDERLAND is heel wat duister". Dit slaat, blijkens het verband, op DE LA SAUSSAYE, »die zich, niet evenals Valeton Jr, , op dogmatisch gebied tot de aanduiding van algemeene beginselen bepaalt, maar zich over bepaalde dogmata — vooral over de Christologie — heeft uitgesproken", p. 25. Déze klacht over duisterheid had, mij dunkt, elders dan bij het streven der ethische richting onder-dak moeten gebracht.

2o. )»De lethische" richting in NEDERLAND laat de wijsgeerige speculatie telkens de theologie overheerschen.". Ook dit is aan het adres van haar »baanbreker". De uitdrukking J overheerschen" acht ik hier zeer gelukkig. Zij toont, dat Prof. HONIG niet tegen het gebruik, maar tegen het misbruik van de wijsbegeerte in de Theologie, bepaaldelijk in de Dogmatiek, bedenking heeft.

3o. »De «ethische" richting in NEDERLAND spon, al meende zij voor zich, dat zij zich aansloot aan de Gereformeerde Theologie, geenszins voort aan het weefsel, door onze vaderen zoo gelukkig vervaardigd." Adres als boven. Niet onaardige beeldspraak voor: zelfmisleiding der „ethische" richting op het stuk van orthodox-zijn en op dat van : wat HONIG elders noemt „Weiterbildung" van de Gereformeerde leer.

De stof nu door HONIG op p. 25—30 be handeld en die, naar hij op p. 30 zegt, »saam te vatten" is in de rechtmatige drieërlei klacht, is op die zes bladzijden in een vijftal punten verdeeld.

Van die vijf wil het mij echter toeschijnen, dat uit het 4e en 5e, hoe waar ook op zichzelf, het op p. 30 gestelde niet kan afgeleid.

Het 4e punt toch is : , , Het christelijk gemoed wordt ge\yond, als het oog wordt gericht op het verschil in de wijze, waarop ter eener zijde de Groningers en Modernen, en ter anderer zijde de Gereformeerden worden bestreden", p. 28. En het 5e is: .de voorstanders der »ethische" richting in het algemeen komen op voor de sSchriftkritiek". p. 30.

Gunstiger is mijn oor'Seel over de drie andere punten, al moet het mij van het hart, dat HONIG ten eerste: door alleen van DE LA SAUSSAYE te spreken en dat nog wel terwijl hij schrijft: »De beginselen van de ethische richting zijn met één met de Theologie van DE LA SAUSSAYE of wien ook", zijn argumentatie minder sterk maakt, en ten tweede, dat wat betreft de argumentatie aan DE LA SAUSSAYE ontleend, deze zeker meer zou spreken indien HONIG ze met, al ware het maar enkele, aanhalingen uit diens schriften had gedocumenteerd.

In betrekking nu tot 3e deel der rechtmatige klacht constateert HONIG onder punt 2 op 27, dat »DE LA SAUSSAYE op zeer bedenkelijke wijze van de Gereformeerde Belijdenis afgeweken is".

Voor het Ie en 2e deel dier klacht constateert hij evenzeer, en wel onder punt 3, op p. 28 eerst, dat »DE LA SAUSSAYE bij de behandeling van het dogma zich schuldig maakte aan allerlei wysgeerige bespiegelingen" en dan »dat hij meermalen duister was".

Zoals ik zeg, Prof. Honig constateert slechts en acht overbodig van zijn

Maar, en daarin is hij, evenals met zijn, als onverdiende beschuldiging afwijzen, dat de term ethisch zoo onverstaanbaar zou zijn, in dit derde onderdeel van het eerste deel zijner STUDIE naar het mij toeschijnt bijzonder geslaagd, — hij verklaart hoe dit alles *bij DE LA SAUSSAYE 200 gekomen is.

Hij doet dit onder de punten 1 en 2 en 3 op die, in dit deel zijner STUDIE, ZOO lezenswaardige bladijden 25—28.

Eerst toont hij daar met groote helderheid aan, dat, al was er ook overeenkomst tusschen SCIILEIERMACHER en DE LA SAUSSAYE, door dat beiden »hun uitgangspunt niet in het object, maar in het subject namen", er toch een diepgaand verschil was doordat de eerste van het gevoel in de Theologie uitging, terwijl voor den laatste, beïnvloed als hij was door VINET, het .beginsel der Theologie ethisch van aard was, moest gezocht in den wil, in de uitspraak der con scientie". Zoodat dan ook DE LA SAUSSAYE I in zijn sympathie voor SCHLEIERMACHER te ver ging en daardoor verwarring stichtte, p. 25. |

' Daarna toont hij op diezelfde bladzijden onder punt 2 aan, dat IJE LA SAUSSAYE op zeer bedenkelijke wijze van de Gereformeerde Belijdenis afgeweken is, doordat hij, wat de VERMITTLUNGSTHEOLOGIE betreft, wel sterk accentueerde hetgeen hij met haar gemeen had, — het christendom is niet leer, maar leven, — doch niet genoeg liet uitkomen, waarin hij van haar verschilde, en wel door de plaats welke volgens VINET en ook volgens ^hem in de Theologie toekomt aan het geweten, p. 27.

En eindelijk, onder punt 3, dat DE LA SAUSSAYE, 4oor zich te stellen onder den invloed der speculatieve VERMITTLUNGSTHEOLOGEN, »die de Theologie lieten overheerschen door de philosophic van het Duitsche Idealisme», tot zijn „wijsgeerige bespiegelingen" en zijn „duisterheid" kwam. p. 28.

Hier is DR. HONIG in zijn kracht en hoort men den, in de geschiedenis der nieuwere niét minder dan in die der oudere Theologie, bedreven hoogleeraar der Dogmatiek.-

Verbetering. In kolom 1, alinea 6 v. o. van mijn vorig artikel ontsnapte een kwaadaardige zetfout aan de correctie. Er staat tweemaal : geloofs^/^; 7'/w^ inplaats van tweemaal geloofkearhig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1915

De Heraut | 4 Pagina's