GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

DE ZOOGENAAMDE RELIGIEUSE VOLKSKUNDE.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE ZOOGENAAMDE RELIGIEUSE VOLKSKUNDE.

14 minuten leestijd

De meeste menschen in onzen tijd hebben wel eons gehoord van de religieuse volkskunde. 'We schreven hierboven, met opzet, „de zoogenaamde leügieuse volkskunde". En wel omdat er naar ons inzien op dien naam zóó, wel iets valt af te dingen. Wat we O'p dien naam tegen hebben? Wel, dat zal ZOO onder het behandelen van ons onderwerp, in het eerste artikel, wel al blijken.

Onder religieuse volkskunde verstaat men gemeenlijk de kennis van wat aan religie leeft onder het volk. Het is bekend, dat, wanneer men in bepaalde streken de menschen gaat vergelijken in hun opvattingen met die uit andere streken, er nogal eenig verschil aan den dag treedt. Dat heeft men wel steeds geweten. Vroeger sprak men van do ligging van een streek, en bedoelde dan. daarmee aan te geven, of men in zulk 'een streek m.eer onderwerpelijk of voorwerpelijk, meer lijdelijk of actief was. Maar met die „ligging" is lang niet alles gezegd wat er onder de religieuse volkskunde valt. Immers de ligging van een streek be paalt zich tot een nuanceering van het godsdienstige leven, zóó, dat onder religie dan de waaj-achtige dienst Gods wordt verstaan.

Maar onder de wetenschap, die ons onderwerp bedoelt, valt veel meer. 'Alles wat aan religie, in haar hreedsten zin genomen, onder het Volk leeft, wordt er onder begrepen. De z.g. religio vera èn de religio falsa — de ware en de valsche religie oefenden invloed op het godsdienstige leven van een volksdeel of een bepaalde groep onder het volk. En omdat er ook in christen-landen zoo heel veel is, dat herinnert aan het oude heidendom; wijl er ook in ons vaderland onder het volk tea platten lande nog allerlei heidensche motieven in belijdenis en levensbeschouwing worden aangetroffen; omdat zonder de kennis van veel van de valsche reUgie feitelijk niets van de doorsnee opvatting van het volksdeel, dat men in zijn godsdienstige beschouwing wil begrijpen, verklaarbaar is — daarom moet ook wel allerlei, dat geen waarachtige religie is, vallen onder de religieuse volkskunde.

In de laatste jaren is de religieuse volkskunde als een bepaald studievak bekend geworden. Dat heeft zijn reden.

Voorheen bepaalde men zich er toe bij de opleiding van predikanten, hen allerlei nuttige wenken te geven voor de uitoefening van hun ambt. Dit moet ge zóó, dat weer iets anders doen. En de meest nullige futtiliteiten werden behandeld.

Zoo wijdde eens een professor een groot deel van het college-uur aan de vraag, of een predikant, die naar tabak rook, wel bij een zieke mocht komen. En dikke boeken schreef 'men vo] met verhandelingen over tropen en figuren in .ie laai, over geschikte en ongeschikte teksten bij veel en weinig voorkomende plechtigheden. Maar men had hitter weinig resultaat. De predikers, die met A? rgelijke mooie theoriën gewapend in de gemeente kwamen, voelden, dat hen iets ontbrak.

Zoo kwam er een roepen om verandering. Ea in de laatste twintig jaren heeft men speciaal in Duitschland déze gedachte naar voren geschoven: wanneer een prediker en zielverzorger in do gemeente komt, dan moet hij die gemeente kennen. .Voor wie het interessertj noem ik hier namen van mannen als: Drews, Bornemann, Sc hi an. Rade en in den laatsten tijd zeer spqcia.al Friedrich Niebergall. Zooals een landman, die het zaad strooien gaat, eerst zich vergewist van den aard van den akker, zoo moet ook ieder predikant, ja, feitelijk ieder ambtsdrager, op de hoogte zijn van de gesteldheid op go'Is dienstig gebied, van de menschen, die hij bearbeidt.

Maar zal dat kunnen, dan is het noodig. Jat men wete, wat de menschen denken; gevoelen en waardeeren. Dan moet men op de hoogte zijn met hun „religieusen" aanleg. Dan moet men hun zielsgesteldheid' kennen. Nu leert de volkskunde ons een volk kennen, naar de onderscheiden zijden van zijn openbaringen. En zoo sprak men van de volkskunde, die zich bezig hield met dé kennis van het religieuse leven van een volksdeel als van „religieuse volkskunde".

Deze religieuse volkskunde nu is het middel, van 't welk de nieuwe richting in de „practlsche theologie" in Duitschland zich bedient, om een reformatie in de studie dezer vakken teweeg te brengen.

Helaas echter is deze richting uiterst modern. Het meest sterke subjectivisme wordt gehuldigd, en een principieel verschil tusschen de ware en de valsche religie wordt door de school van Niebergall en. de zijnen niet-t^gemaakt. Daarbij komt, dat men er een gevaarlijke - chei' ding opna houdt. Men spreekt namelijk van religieuse, zedelijke en kerkelijke volkskunde. Deze drie laat men opzettelijk naast elkaar voorkomen, en men scheidt ze zooveel mogelijk.

Maar nu is het steeds waar: verba valent usu, d.w.z. de woorden ontleenen hun waarde aan het gebruik. En dat geldt ook van een bepaalden term'. Wanneer we dus gaan spreken van religieuse volkskunde, dan zouden we opzettelijk een anaeren Inhoud moeten geven aan de woorden, dan men in Duitschland doet in den laatsten tijd, óf we scheiden den godsdienst van de zedelijkheid en van het kerkelijk leven. In de kringen van heU; die zich bij onze Ooster-buren op de religieuse volkskunde toeleggen, kunt ge dat laatste inderdaad zien. E]-is bij hen telkens weer een pogen, om toch vooral te doen uitkomen, dat het kerkelijk' leven geheel los staat van het godsdienstig leven, en dat eveneens de beschouwing omtrent de zedelijkheid weinig of geen verband houdt met wat als religie van een volksdeel werd gevonden.

Dit nu is een lijn, welke w ij niet kunnen en ïiiet mogen volgen. We kunnen wel het speciaal religieuse tot voorwerp van onderzoek maken, maar voor onze beschouwing is dat religieuse nooit te scheiden van het zedelijke en het kerkelijke. Wel is het te onderscheiden, maar bij de beschouwing zuUen nooit de motieven van kerkelijk - en zedelijk leven geheel kunnen worden uitgeschakeld, veeleer moeten ze juist geheel tot htm recht komen, voorzoover ze op het godsdienstig leven Jiun invloed oefenen.

Men zal nu verstaan, waarom we spraken van de zoogenaamde religieuse volkskunde. Op zichzelf hebben we geen bezwaar tegen dien naani, maar zooals hij gebruikt wordt in den laatsten tijd, nemen wij hem niet over.

We moeten dus één van tweeën doen. Of een anderen naam zoeken, of hetgeen als naam gebruikt wordt een anderen inhoud geven. Ofschoon ons het eerst het beste leek eenvoudig een anderen naam te zoeken, geven we nu toch den naam, zooals hij bekend is, daar anders gevaar van ver warring bestaat — en bovendien „De Reformatie" niet de plaats is om een dergelijke formeel-wetenschappelijke kwestie uit te maken.

Maar uitdrukkelijk zeggen we erbij, dat we de methode en den inhoud van hetgeen men religieuse volkskunde noemt, anders zien dan de corypheën van dat vak in Duitschland.

Tot recht verstand van wat de religieuse yolfcskuncie ïs, moeten we ook de verschil-punten met de „psychologie van de religie" en de , , kennis van het kerkelijk leven" wèl zien.

Immers zoo licht komt er verwarring van spraak op dit terrein.

De psychologie van de religie bedoelt de religie zelf, als psychisch phaenomeen, te maken tot voorwerp van onderzoek. Men constateert het feit, dat de religie er is. Men tracht iia te gaan, welke zielsfunctiën er bij de religie werken. Men tracht de religie te verklaren en te systematiseeren als 'verschijnsel, en als complicatie of opeenvolging van verschijnselen. De religieuse mensch is dus niet zelf het directe object van onderzoek, maar de religie, gelijk die bij hem wordt gevonden. Van den invloed, van deii aard der werkingen, die de religie te voorschijn roept, moet een zielkundige verklaring worden gegeven. Zóó tracht de psychologie van de religie het algemeene te vinden, voor ieder mensch geldig. jOok al ïs het waar, dat men daarbij natuurlijk weer kan onderscheiden h.v. tusschen de religie in de kinderziel en in die'van den volwassene, of tusschen de religie onder de natuurvolkeren en die onder beschaafden. Maar steeds weer is het dt« religie zelf, zooals zij als geestelijk verschijnsel zich aan ons voordoet, die wordt onderzocht. Op do vraag: wat gelooft deze of gene, geeft dus de psychologie van de religie nimmer antwoord. Ze antwoordt slechts op de vraag: wat is de religie als psychologisch verschijnsel.

De kennis van het kerkelijk' leven is ook weer iets anders dan religieuse volkskunde. Ook die twee worden meer dan eens verward. Immers de tennis van het kerkelijk leven bedoelt in te lichten over wat er op het terrein van de geïnstitueerde kerk onder het volk is te vinden. Die kerk moge dan de meest zuivere, een verwordene, of een valsche openbaring van het lichaam van Christus zijn, — als instituut is zij toch een verschijnsel, dat onder onze aandacht en beoordeeling valt.

De teekening nu van toestanden op het gebied van het kerkelijk leven vallen onder wat men in Duitschland gemeenlijk „Kirchenkunde" noemt. Deze kennis van het kerkelijk' leven is wel van /eor groot gewicht voor de religieuse volkskunde. Immers waar die „Kirchenkunde" ons b.v. inlicht omtrent het meer of minder getrouw ter kerk ^aan van een bepaald volksdeel, waar gegevens verstrekt worden door dit vak, omtrent het aantal Avondmaalgangers in een bepaald gebied, omtrent den invloed van kerkeraden en predikanten op het leven, daar zal het te verstaan zijn, dat fil wie zich toelegt op de religieuse volkskunde, ook gegevens moet bezitten omtrent het kerkelijk leven, hem door ihet vak, dat bedoelt deze gegevens ce verzamelen, verschaft.

Maar met dat al is de „.Kirchenkunde" in werkelijkheid iets anders dan de religieuse volkskund.e.

Want de religieuse volkskunde accepteert eenvoudig de gegevens door de „Kirchenkunde" haar verschaft. Zij onderzoekt die niet verder, en zij heeft niet ten doel, die gegevens op zichzelf verder bekend te maken.

Zij bedoelt, datgene wat aan religieuse opvatting onder een bepaald volk of volksdeel kenbaar worden kan, op te sporen en te verklaren. Alles wat religie is, in zijn hreedsten zin, oofc de meest groote verwording van de religie ónder het heidendom, ook' de reminiscensen van dat heidendom onder zoogenaamd christelijke volkeren, vallen onder haar aandacht. Maar de uiterlijke kerkvormen enz. behooren niet tot haar terrein.

Om nu aan het doel: het teekenen en verklaren van de religie onder het volk, te beantwoorden, kan de religieuse volkskunde zich bedienen van onderscheiden methoden.

Allereerst is er de methode, van welke de Amerikanen zich meestal bedienen. Zij gaan als volgt te werk. Ze willen b.v. iets weten omtrent de

religieuse gesteldhoffi*'¥.& 'fzip'-^? ï^i*ae bewoners van den Gelderschen Achterhoek. Nu trachten ze met zoovee] mogelijk menschen in relatie te komen.

Ze stellen hen alien dezelfde vragen. B.v.: Wat denkt ge van de almacht Gods? Wat is uw meening , omtrent de goede werken ? Wat verstaat ge onder loon, dat God geeft? enz. We noemen natuurlijk maar een paar willekeurige voorbeelden. Tenslotte krijgt men echter een zeer groot aantal ingevulde vragenlijsten.

Nu gaat men aan de hand van d: ie vragenlijsten een statistiek opmaken. Men zegt dan — Tnatuurlijk na ernstige 'schifting en verwijdering van die tabellen, die klaarblijkelijk afkomstig zijn van menschen, die niet in de reeks behooren, omdat ze to groote afwijking vertoonen) —• dat de statistische gegevens bewijzen, dat de religieuse gesteldheid in die bepaalde streek aldus is Over God oordeelt men dit Over het heil in Christus dat... enz. Men concludeert, dat zooveel procent van de antwoorden verraden, dat er nog een zeer groote invloed van het heidendom aanwezig is, dat voor zulk een deel b.v. het Calvinisme invloed oefende, enz.

Deze statistische methode mag een oogenblik bekoren, door haar schijnbaar wiskundige-juistheid, in werkelijkheid voldoet ze toch allerminst.

Twee groote gebreken kleven haar aan.

Ten eerste is het zeer moeilijk werkelijk objectieve statistieken te maken.

Immers zoo licht is ook de meest eerlijke man van wetenschap geneigd, datgene, wat zijn statistiek zou willen bederven om een of andere reden uit te schakelen, als afkomstig van een type, dat niet in de groep behoort. En bovendien is het uiterst moeilijk dooi mondelinge of schriftelijke vragen, die bovendien nog meermalen door een vreemde worden gedaan, een eenvoudige er toe te krijgen precies te zeggen hoe hij over de dingen denkt Waarbij dan nog komt, dat juist in religieuse dingen, waar een kleine nuanceering in de uitdrukking een geheel anderen zin kan geven aan de uitgesproken gedachte, het zoo heel gevaarlijk is op grond van een uitdrukking van een eenvoudige, die niet gewoon is zich met wetenschippelijke nauwkeurigheid uit te drukken, een beschouwing te bouwen en een theorie op te stellen

In de tweede plaats heeft deze methode het groote gebrek, dat ze echt Amerikaansch is, d.w.z., dat ze meer haar kracht zoekt in het constateerea, dan ïn het verklaren der dingen. Of we al een ongeveer juist beeld hebben van de gesteldheid in een streek of omgeving, daaraan hebben we betrekkelijk weinig. Want zoodra we moeten gaan v; erken met het gevondene, moeten we ook de ver klaring van hetgeen gevonden werd, en de oorzaken van-den geconstateerden toestand kennen. En hier laat ons de z.g. statistische methode schier geheel ïn den steek.

Een andere methode is die, welke sedert eenige jaren in Duitschland nogal in trek is, tengevolge van het feit, dat Friedrich Niebergall haar sterk voorstaat. Dat is de methode, die als volgt te werk gaat. Men tracht zooveel mogelijk kennis op te doen omtrent de religieuse gesteldheid van oen volksdeel. Met die kennis gewapend denkt men zich een type, dat in alle opzichten aan het doorsnee type uit de omgeving gelijk is. Is men-sterk bijgeloovig ïn de streek, doet men er aan duivelbannerij, aan neerbinden van ziekten enz.; i.3 men bovendien streng orthodox in zijn opvatting omtrent Avondmaal en, Doopj omtrent de eischen van het zedelijk leven in engeren zin echter a.1 te conciliant — welnu dan wordt een mensch f.eteekend, zoonoodig in een rom'dn, die al deze eigenschappen ïn zich vereenigd heeft. De religieuse volkskunde gaat nu een verzamelstaat — vergun me het woord — aanleggen; een soort staalkaart van geestelijke gesteldheden'. Het staal is het geteekende type. Naar die typen zijri dan de volksdeelen gevormd. Men heeft zelfs voorgesteld, die typen karakteristieke namen te geven. In Nederland zouden we hen b.v. kunnen noemen, Kloias Ommeland, Durk Grönning, Eelke Frieër, Sjouke Greidland, Ale Drent, Gait Jaan Vecht, — enz.

Terecht wordt om ééne reden deze methode geprezen.

Dat ïs om dezelfde reden, die Niebergall bewoog haar tot de zijne te maken.

Niebergall heeft voornamelijk het oog mét zij a methode op de jonge predikanten, die hun arbeid onder het volk aanvangen. Nu is het ontegenzeggelijk waar, dat het met deze methode zeer gemakkelijk is, wanneer men in een bepaalde streek komt zijn typen te herkennen. Immers de typen blijven lang in het geheugen. Hun eigenaardigheden, - hun feilen en hun groote bekoorlijkheden vergeet men niet licht. En al spoedig zal een jong predikant, wanneer hij in aanraking komt met de menschen uit zijn gemeente, allerlei eigenschappen vinden, die hem bekend zijn uit zijn typen-boek.

Maar....."

Dat is tegelijkertijd het groote gevaar van deze methode.

Het is altijd onmogelijk een type zuiver neutraal te teekenen; en bij het lezen van de schildering van zulk een type, tegenover dat type neutraal van gevoelen te blijven. Men vindt de type aan-

En dat is zoo buitengewoon gevaarlijk. Immers zoo heeft men het dubbele gevaar, dat men bij ontdekking ook maar van een enkele van de vroeger geziene trekken zal meenen zijn houding tegenover een volksdeel, of een sterk op den voorgrond tredend type uit dat volksdeel, te kunnen bepalen.

En zoo komt men er toe zoo heel spoedig on recht te doen.

En tevens schuilt hier het kwaad, dat men ra? t een groot gebaar — bijvoorbeeld — van alle Ommeland ers een Kloas Ommeland wil maken. Juist bii de methode van de typenteekening ligt het gevaar voor de hand, dat men het subjectieve, het zoo heel eigenaardig persoonlijke, dat toch ieder mensch kenmerkt, ook al leeft hij als lid van een sterk gem.arkeerd en getypeerd volksdeel gehee! moe, op den achtergrond gaat schuiven.

En zoo wordt de fout van het 'generaliseeren van het volksdeel-eigenaardige voor elk individu uit de streek héél groot.

Ook de methode van het typeeren kan, meenen we, de onze niet zijn.

Deze methode, hoe mooi ook om „jonge theo logen" rnet hun typen vertrouwd te maken, heeft om haai' gevaarlijken kant, ons vertrouwen niet.

We moeten zoeken naar een andere methode. Doch daarover in een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

DE ZOOGENAAMDE RELIGIEUSE VOLKSKUNDE.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922

De Reformatie | 8 Pagina's