GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Over den Satan.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over den Satan.

8 minuten leestijd

I. Inleiding.

, Sedert Tiet uur, waarin in. schaamte de mensch zich ongehoorzaam wist, is de vraag aan de orde, waar de oorsprong der zonde hgt.

Die vraag naar het ontstaan van het kwaad in de wereld is de eerste, die werd gesteld en in de tegenwoordigheid Gods met grooter ovennoed dan bij het eerste vraag-stuk spreken mocht, beantwoord ook.

'Het antwoord was er dan ook naar. Wij zeggen dit in vollen ernst. Het antwoord op de vraag naar den oorsprong der zonde was volmaakt naar de wet der zonde. (

E'aar is eerst de man. Hij werpt de aanklacht terug op de vrouw en wijst den Onderzoeker den weg, waarlangs Hij zijn recht en ondervraging kan voeren tot bevrediging. Maar terwijl hij, de man, zich van deschuldvraag af-maakte en de , zaak der zonde aan zijn Rechter o-verlaat, schroomt hij toch niet, te constateeren, dat er wel rapport eenig-erwijze moet iDestaan tusschen de daad van G-od en de daad der vrouw. „ D'e vrouw, die Gij mij gegeven hebt." Een overweging, die in de gehoorzaamheid te laat, en in de ongehoorzaamheid te vroeg kwam tot formuleering van ©en uitspraak. Deze tegenwoordigheid van geest laat zien, dat de zonde in het bestaan van den mensch het talent niet vernietigde, ^ doch zijn zedelijk-geestelijk bestaan in zijn wezen bedierf; want wie zal in de tegenwoordigheid van den Geest, die God genaamd wordt, zóó kunnen spreken en niet dood zijn in misdaad en zonde?

Daar is vervolgens de vrouw. „De slang heeft mij bedrogen." Ook zij beantwoordt de vraag naar den oorsprong der zonde. Zegt iemand, dat ze dan toch haar maehteloosheid belijdt ten aanzien van dit vraagstuk, omdat ze immers de 'vraag verschuift ea de verantwoordelijkheid ook? Maar wie met betrekkin-g-tot de schuldvraag' zegt: ik verschuif de-vraag, - dieheeft al een proisve van oplossing gegeven; want de brandende vraag is juist, of iemand de verantwoordelijkheid van zich at-schuiven mag, of dit niet de handhaving aller zonde is.

Zoo vertoont reeds de eerste bespreking van het vraagstuk naar den oorsprong der zonde alle verschijnselen van machteloosheid èn overmoed, welke alle eeuwen door ze hebben gekenmerkt.

Want telkens weer werkt de mensch zich o-ver de kwesties heen naar. de wijze van „o-nze eerste voorouders in het paradijs". Nóg wordt op deze vraag het antwoord zoo lichtvaardig gegeven. Want ook wie niet zou willen nazeggen de toch eigenlijk niet juiste uitspraak, dat

Op den bodem aller vragen Ligt der wereld zondeschuld,

ook hij moest erkennen, dat de oorsprong, en het ontstaan, en de ontwikkeling der zonde-, met al wat het leven voorts ter onderzoeking biedt, op het nauwst verbonden is.

En dan wordt het voor zijn besef een smartelijk gebeuren, dat de gemakkelijkheid, waarmee men hier de „oplossingen" ten beste geeft, maar al te vaalc M; ; doorzichtig bedeksel is van de mo-edte, die de vraaf! den denker stelt. , ' i

D'e tegenstrijdigheden liggen hier voor het grijpenal de eeuwen van godgeleerd en wijsgeerig denlïeii door. ••

jWas er niet nog in den laatsten tijd ie-mand, die durfde zeggen, dat goed en kwaad beide zijn uit God' Goed en kwaad waren volgens hem twee posten vaa één; deur; en door die ééne deur komt men in tot dei bovenzinnelijke wereld, zoo leerde hij. . ï

In die opvatting staat deze mensch niet alleen; dm-: zenden zeggen betzelfde en honderden gelooven het ook.;

'Slaar wat dit woord uit dezen mond toch zoo heel bizonder treffend doet zijn, dat is bot feit, dat die-j zelfde schrijver (Lhotzky) in hetzelfde boek, slechts: een paar bladzijden vóór deze uitspraak, de verklaring neerschreef, - dat de einden der geschapen wereld tod; eigenlijk o-n^door-zoekelijk zijn.

Dunkt u dat geen tegenstrijdigheid, als iemand eerst verklaart, dat hij de einden der geschapen - wem niet kan afzoeken, omdat ze te ver zijn en te duisfci': ^ en als hij daarna toch meent, de diepten van deif on-eindigen God wel te kunnen door-zoeken, Pi in , ea door dat onderzoek straks te bevinden, dat %o^ • en kwaad beide in de duistere diepten Gods verschoteii; liggen?

De eeuw, waarin wij leven, is niet bang voor zu'" een tegenstrijdigheid. . j

Eerder meent ze juist de waarheid in aUen waan-zm te grijpen; en in deze geestehjke ontwikkeling of vet-j wildering is een logische tegenstrijdigheid welköiner

g^M—< »»•»—i— I — dan iets: waar de tegen-strijdigheid maar met woorden kan gezegd worden, daar heeft voor de zwervers, wier schip van den stroiom gehavend is, de vreugde gelicht: land in zicht!

Ja, ideze eeuw ziet met vreugde ook andere, volgende geslachten mèt haar liggen onder dezen ban., „fteslachten na ons zullen gefascineerd blijven door die hymne en dit beeld: de oude Faun, die geen wet of 'Zedelijk gebod ooit maar begreep, — 'fa. aar die den dans der G O' d d e 1 ij k e liefde danst (met een speelgoedpop op den arm"; aldus sprak nog onlangs iernand zijn verzekerdheid uit. i)

Maak van den faun een duivel, een satyr, een demon, tot den satan toe, en men zal geen bezwaar hebben, dat 'de volzin blijft staan. Tusschen Gorky's „Christehjken Boschgod, dezen argeloozen Goddronken faun" en den lOpstandigen geest van het kwade, die de

„schoonheid van bloed en moord en wildheid" zegli te zien en wel aan te durven ook, is geen wezenhjilc verschil. Waarom zouden de parken van Gods dronkenmakende wellusten niet aan beiden een schuilplaats kunnen bieden? Heeft God ze niet beide gemaakt?

Ja, als men den dansenden faun luchtig te treden; leert, door hem de geboden af te nemen — dien - zwaren last — en hem enkel de „speelgoedpop" te laten; en als men den zang der goddelijke liefde ook al weer zeggen kan met een „speelgoedpop op den arm"; ja, dan wordt aUes een spel, de psalm en de vloek, de liefde-belijdenis en de gebalde' vuist, de Geest en het Beest, God en de duivel, hemel en hel.

En nu zijn faunen en parken misschien nog wel wat al te onwezenlijk en te ver af gelegen verbeeldingen voor wie 'de schare wil gaan zeggen, wat hij God reeds' heeft aangezegd: dat God en satan vriendem z ij n; dat Godes is het spel; en dat dit ook des duivels is!

Maar dichterbij dan parken zijn de steden der menschen; en zooveel onwezenlijks als er in faunen mogen zijn, zooveel rauwe werfcelijklieid is er in den krantenverkooper, die in de Rue Dauphine zijn waar niet kwijt kan:

de Heiige Maagd, , een draaglijke maitresse. Waren hem even ver en ongenadig.

Welnu, wa't is die ellendeling, die zijn klacht niet kwijt kan tegen het bestaan van warmte, vreugde en zon, wat is hij anders dan de andere worp op het speelbord van God en duivel, na den eersten worp, die dansende faunen riep?

Maak den duivel eerst een speler, dan is straks God in zijn onvervaard gezelschap. Goed en kwaad zijn immers posten van één deur?

En waarom zouden ze dan ook niet zijn twee pionnen op één schaakbord? Als die God even vrij en luchtig met krantenverkoopers speelt, als de Wetlooze zulks doet met faunen, dan zijn Gods vermakingen nog wel wat anders dan de strenge „inzettingen" die den kerkstijl vorderen! En waarom zouden dan ónze vermakingen nog moeten zijn de inzettingen van God? Zie dien kranteriverkooper en denk aan den boschgod, den argelooze en toch christelijke, - 7-dan mag d-e diebter Mvool worden, zonder haastig in Gods ban te worden verdaan^ Wie speelt, die deelt immers den bonden medespeler geen ban toe. Spel wordt met spel heel prompt betaald; en de duivel-speler kan God, den speler, wel voldoening schenken.

En straks is de dichter van den krantenverkooper gereed om van zijn vermoeiden en verlaten broeder-, slenteraar heen te gaan naar God, zeggende:

God. dit zijn dus Uw mar tiende vermaken. Daarom zal 'k zonder U mij wel vergeven De enkele frivole woorden hier geschreven, Die van mijn dof gedicht de wil verzaken.

God, daé, rom hebt Gij dus Uw welgevallen'. Geef mij de zonnen en de sterrebeelden. Dan zal ik ze te pletter laten vallen. Volhardende, dat Gij 't lichtzinnigst s p e e 1 d e. 2)

Waarlijk, breng het spel in de wereld, laat in Gods eigen diepten deugd en ondeugd stuivertje wisselen, — en Gtod en Satan hebben elkaar in der eeuwigheid niets meer te veirwijten. Wie van de twee mocht onder gaan, zou den ander den besten prijs betaald hebben.

Maar de rekening is in elk geval altijd vereffend»

Er is geen verschil tusschen duivel en God.

Aldus het frivole woord van den mensch der 20e eeuw. Hij reciteert het voor de poort van Gods hooge woning met rustige stem.


'•') Dirk Coster, over Maxim Gorky, De iCluizenaar. Erts Almanak 1926, Amsterdam, S. L. v. Looy; bl. 49.

2) J. Slarierhoff, De Krantenverkooper, Erts, Almanak 1936, 133. ' ' • .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

Over den Satan.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's