GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

8 minuten leestijd

Dr A. Kuyper Sr over de „onsterfelijkheid der ziel".

Nog even wil ik antwoorden op Prof. Kuypers critiek op mijn citeeren van Dr A. Kuypers uitspraak over de „onsterfelijkheid der ziel", zoo^ als die te vinden is in „De Reformatie" van 22 Januari j.l.

Om het citeeren van deze uitspraak te verklaren, wil ik er vooraf aan herinneren, dat in het laatst van 1936 en begin 1937 een hardnekkig gerucht de rondte deed, dat er onder ons menschen zouden zijn, die de „onsterfelijkheid der ziel" loochenden! Ook Prof. Kuyper schreef hier meermalen over. En steeds werd de indruk gegeven, dat die beweerde ontkenning va, n de „onsterfelijkheid der ziel" eigenlijk zou zijn de loochening va.n het „VOORTRESTAAN der ziel".

Dit was absoluut in strijd met de werkelijkheid. Niemand, volstrekt niemand loochende het voortbestaan der ziel. Later is dat ook wel zeer d'uidelijk gebleken. En nu gelooft niemand' meer dat er zulke loochenaars onder ons bestonden of nog bestaan.

Wat velen toen en ook nu nog beweren, was alleen dit, dat het minder juist is bij ongeloovig en te spreken van „onster f elij k held der ziel", als men bedoelt het v oortbest aan hmi' ner zielen!

Natuurlijk bestaan ook de zielen der verworpenen, na him dood voort, en dan v^^el in volle klare bewustheid van eigen staat en toestand. Niemand onder ons heeft ooit ook maar één milligram twijfel aan die waarheid in zijn ziel gehad! Maar het voortbestaan van die zielen der verdoemden is juist een v o o rtbe s t aan-in-den-dood, een voortbestaan, dat een voortdurend sterven is! Terwijl dan het voortbestaan van de zielen der geloovigen is een vo ortbest aan-inhet-leven, een voortbestaan dat voortdurend leven is. Men denke aan het woord van Prof. Ravinck (Dogm. IV^ p. 648) „Leven is bij haar (= de Heilige Schrift) nooit alleen voortbestaan en dood is nimmer aan vernietiging gelijk, maar leven sluit in gemeenschap met God en dood is gemis aan Zijne genade en gunst".

't Had mij reeds meermalen getroffen, dat Dr A. Kuyper, wanneer hij zich opzettelijk met dien term „onsterfelijkheid der ziel" bezig hield, dit bezwaar tegen dien term telkens aangaf. •

Wel spreekt hij tallooze malen heel gewoon van „onsterfelijkheid" der ziel in den zin van „voortbestaan" der ziel, maar mij waren in zijn werken drie plaatsen bekend, waarin hij zijn critiek op die uitdrukking uitoefent. Een critiek ongeveer gelijk aan die, welke te vinden is in het boek van Prof. VoUenhoven: Het Calvinisme enz, noot 40. Die critiek ga, f Dr Kuyper voor het eerst in een artikel in „De Heraut" van 24 Dec. 1869. Later is dit artikel in brochure-vorm bij honderd^ tallen in den lande versp'reid. Danj sprak' hij er"- O'ver in zijn dogmatiek-colleges van 1885/86 (Locus de PeccatO') en van 1891 (Locus de Consummatione Saeculi). 'k Heb toen omi deze critiek weer aan de vergetelheid te ontrukken het Herautartikel gekozen omdat dat door Dr Kuyper zelf was gesclireven. Zalielijk kwamen de drie genoemde betoogen toch overeen.

Nauwkeurig gaf ik een teekening van de historische entourage van het citaat, en nadrukkelijk gaf ik aan, dat Dr Kuyper dit schreef tegen de ratio'nalistische opvatting van de „onsterfelijkheid der ziel". Maar al is het van veel belang te weten tegen wellien vijand een wapen wordt gezwaaid, dit neemt niet weg, dat het wapen' zelf goed en deugdelijk en waar moet zijn en ook „op ziclizelf" bekeken mag en moet worden. Daarom leek mij het W'cergegeven citaat met zorgvuldige histo'rische omlijsting geheel geoorloofd en ter opklaring van den verwarden toestand van, het debat buitengewoon nuttig.

Als Dr Kuyper dan schrijft: „ „O n s te r f e 1 ij k - heid der ziel" is een uitdrukking, die voor het Evangelie niet kan bestaan. „Onsterfelijk" is wat „niet sterft" en het Evangelie leert juist, dat de ziel dood is en dood blijft, zoolang ze niet door Christus ten leven gewekt wordt", dan geldt zoo'n uitspraak onverschillig tegen wien ze wordt gericht.

Prof. Kuyper reageerde tegen dit artikel van mij in „De Heraut" van 7 Febr. En tot mijn stomme verbazing stelde Prof. Kuyper mij' in dat artikel voor als iemand, die Dr Kuyper het be> weren, dat de ziel na den dood niet zou voortbestaan! Prof. K. schreef n.l.: „hij (Dr Kuyper Sr) heeft nooit ontkend, maar juist op grond van de Schrift betoogd, dat de dood een scheiding is tusschen ziel en lichaam en de ziel na den dood voortbestaat. Dat nu wordt betwist."

Werkelijk ik wist niet wat ik las! Want in het bewuste artikel had ik n.l. gezegd: „'tSpreekt van zelf dat niemand er ook maar in de verste verte aan gedacht zal hebben, het voortbestaan der ziel te loochenen. Wie zoo iets zou doen plaatst zieh

onmiddellijk buiten die kerlc van Jezus Chïistus, ja zelfs buiten het Christendom!" Zou ik dan in mijn artikel Dr Kuyper hebben willen voorstellen als staande buiten het Christendoin ?

Juist omdat nu het gansche volgende betoog van Dr Kuyper mijlen ver langs mij heen ging, heb ik er indertijd niet op geantwoord, 't Leek mij onmogelijk, dat iemand, die mijn artikel goed gelezen had, omtrent mijn bedoeling in het duister kon verkeeren. De „stand des geschils" had ik immers duidelijk als volgt omschreven: „Neen, de vraag is gesteld of de uitdrukking (let wel de uitdrukking, meer niet) „onsterfelijkheid" der ziel wel door den beugel kan, of ze wel schriftuurlijk is, n.l. als aanduiding van de leer dat de zielen van alle menschen eeuwig zullen blijven voortbestaan, hetzij in de eeuwige vreugde hetzij in de eeuwige pijn". Hierover ging het, hierover alleen; wie er iets anders van maakt fantaseert.

Nu Prof. Kuyper weer op deze kwestie terug komt in het No. van 18 April leek het mij goed toch nog even op dit cileeren in te gaan.

"Wanneer Prof. Kuyper schrijft, dat men van zijn bestrijding en van de door hem aangevoerde citaten van Dr A. Kuyper geen nota nam, dan zeggen we: die bestrijding ging langs ons heen en de citaten kenden we allemaal. Prof. Kuyper moge er verzekerd van zijn dat onder de jongere predikanten een innige diepe Mefde voor het levenswerk van zijn Vader is; ©en liefde van dien aard, dat ze drong tot het doorlezen en bestudeeren van al diens werken, al de Herauten van het begin af aan incluis!

En wanneer Prof. Kuyper beweert, — dat men „achteraf" kwam met de verklaring, dat men het voortbestaan van de ziel of haar onsterfelijkheid fgenomen dan in den zin van „voortbestaan" natuurlijk 'C. Y.) nooit ontkend had, dan zeggen we: Dat is mis Professor, die verklaring stond vooraan in mijn artikel, voor het citaat, opdat de lezers zich vooral niet vergissen zouden. „Achteraf" werd door mij zelf heelemaal niets meer over dit onderwerp geschreven.

Ten slotte wil ik belangstellende lezers nog veirwijzen naar „Het Werk van den Heiligen Gees.!", dat prachtige boek van Dr A. Kuyper Sr, p. 359; het hoofdstuk: Onze dood. Het nauwkeurig bestudeeren van dit hoofdstuk is voor deze kwestie zeer de moeite waard, 'k Geef, alleen om de aau'^ dacht te prikkelen, enkele citaten:

„Al wat creatuurlijk leven heeft, kan ook creatuurlijk sterven. En overmits nu ook onze ziel Creatuurlijk leven bezit, kan ook aan onze ziel dit creatuurlijk leven ontnomen worden.

Wel, dit geven we aanstonds toe, is in ander op'zicht onze ziel onsterfelijk, maar ter voorkoming van verwarring verzoeken we den lezer dit feit een oogenblik uit zijn g^edachte te willen stellen. We komen erop terug."

We zien hoe fijn Dr Kuyper onde!Pscheidt. Rustig spreekt hij van een sterven der zieJ, ter^ wijl hij anderzijds de onsterfelijkheid in den zin van voortbestaan natuurlijk vasthoudt. Die onsterfelijkheid - in - den - zin - van - voortbestaan om- /schrijft hij op pag. 364 als: „ze (de ziel) kan niet vernietigd worden".

Nog een uitspraak:

„En evenzoo leefde de ziel van Adam op haar beurt door de beweging, die aan die ziel wetrd meegedeeld door den Heiligen Geest. Die beweging kon de Heilige Geest aan die ziel alleen meedeelen tengevolge van den band, dien God op wonderbare wijze tusschen die ziel en den Heiligen Geest gelegd had. En toen dus de Heere als straf dien band besloot te slaken, ging door die slaking die ziel dood, en wierd lijk."

Nogmaals verzoeken we het gansche hoofdstuk nauwkeurig te lezen opdat citatenspel, dat onwaarachtig, onzedelijk gedoe vermeden worde.

Bestudeert men nu ook nog wat Dr Kuyper in E Voto en de Gemeene Gratie over deze dingen zegt en in heel veel meditaties teekent, dan begint men zoo langzamerhand Dr Kuypers opjniên in dezen te verstaan.

En die zijn — ik moge dat ten slotte zeggen — zeer mooi en zeer diep en — naar ik geloof — al te weinig bekend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken