GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE SCHRIFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SCHRIFT

5 minuten leestijd

Zoo zat ik neder en weende en bedreef rouw eenige dagen." Nehemia 1: 4a.

Rouw om Zion.

Het boek Nehemia is het laatste der geschiedkundige boeken van het Oude Testament. Hoofdpersoon daarvan is Nehemia zelf en één der schoonste trekken in de gestalte van dezen heW des geloofs is ongetwijfeld zijn diepe, ongekunstelde liefde tot Zion.

In méér dan één opzicht is deze liefde merkwaardig.

Er waren in Nehemia's tijd duizenden Joden, misschien even bekwaam en invloedrijk als hij, maar zij kwamen noch tot gebed, noch tot daad en om Jeruzalem bekreunden zij zich niet. Zij leefden voor zichzelf en schikten zich maar al te gemakkelijk in het vreemde land.

Nehemia daarentegen kon Zion niet kwijt.

O, z'n God had ook hem onder de vijanden genadle en eer gegeven. Uit natuurlijk oogpiimt gezien, had hij alles om in uiterlijke vergenoegd^ held een leven van rijkdom en aanzien te genieten. Eén der hoogste vertrouwensposten aan het Perzische hof, temidden eener wereld van fabelachtige macht en weelde, mocht hij bekleeden. Zoon van een zekeren Hachalja, zeer waarschijnlijk een telg uit Juda's stam, viel hem de eere te beurt „schenker" te zijn van den machtigen Artaxerxes Langimanus, den Perzischen wereldheerscher, voor wien volkeren bogen. En al weten wij niet meer nauwkeurig, wat Nehemia's taak als , , schenker" geweest is — (sommige Schriftverklaarders vergelijken zijn positie met die van een minister-president ten onzent) — in elk geval had hij alle reden om in rust van veirfgenoegdheid over zulk een hooge en voorname positie zich gelukkig te gevoelen. Indien één, dan kon hij zonder moeite en zorg vroolijk leven in den tooverglans. van het vorstelijke paleis.

En toch... héél diep in z'n hart was hij niet

gelukkig. Een machtig verlangen trilde in z'n bdnnenstie a'.s een vlinder, op 't punt de zijden windselen te doorbreken en zich feest te maken in God|s

wijden, schoonen dag van Ucht en vrijheid. Nehemia, de machtige, rijke, aanzienlijke Nehemia voelde zich in 'skonings paleis niet thuis.

Hij wist zich balling en op den bodem van zijn hart zong het lied van Jeruzalem, de plaats der begrafenissen zijns vaders. Daar huiverde de heimwee-roep der oude psalmen, waarin hij zijn geloof en liefde tot Gods naam en zaak wist vertolkt en soms zullen er momenten zijn geweest, waarin dat verborgen vuur oplaaide en waarin het hunkerde door zijn binnenste: „Wiaimeer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? "

Gods Geest had het Zelf geschreven op al de wanden van z'n hart: „Eer ik u vergete, Q Jeru"zalem en zoo ik u niet stelle boven het uitnemendste mijner bUjdschap, zoo vergete mijn rechterhand zichzelve!"

Nehemia had Jeruzalem lief.

En in „Jeruzalem" Israels God, den Heere des hemels, den eenigen en waarachügen God. Naai- dat Zion trok hem 't hart.

Uit de liefde tot Zion wordt z, ijn rouw om Zion geboren. Eens — het Was in de maand KiisLeu, wij zouden zeggen, in December — eens was hij te Susan in bet paleis des koningiS.

't Was in het twintigste jaar der regeering van Artaxerxes. Overeenkomstig het jaargetijde had de koning zijn zomerpaleis betrokken en Nehemia was hem derwaarts gevolgd.

Daar kreeg Nehemia bezoek.

Eén zijner broeders, een zekere Hanani, die reeds eerder naar Juda was teruggekeerd, hleeft vandaar de reis naar het hooge Noorden ondernomen en natuurlijk gpeep hij deze mooie gelegenheid aan zijn broer Nehemia te ontmoeten.

Maar de blijdschap der ontmoeting bleef niet ongemengd.

Nauwelijks toch is 't gesprek ingezet of Nehemia informeert naar de Joden, die ontkomen waren, die overgebleven waren van de gevangenis en naar den toestand van Jeruzalem.

Hoe somber luidt dan Hanani's antwoord. 't Stond er ook zoo ellendig voor.

„De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het land van Juda zijn overgebleven, zijn in groote ellende en versmaadheid en Jeruzialems muur is verscheiu-d én haar poorten zijn met vuur verbrand!"

Die tijding slaat Nehemia terneer.

Of — juister — zij zet het heimwee zijner ziel in lichter laaie.

Zij werpt hem terneer in r o u w o m Z i o n.

Verstomd, verslagen zit hij neer.

Hij weende.

Dagenlang bedreef hij rouw, in zak enasch. Met vasten en bidden kermt hij tot God. Jeruzalem, Jeruzalem!

Rennen wij óók dien rouw over Zion, ? Christus' Kerk, het Nieuw-Testamentisclie Jeruzalem, heeft in onzen dag veel gescheurd© muren en verbrande poorten.

Gods Zion werd overtogen met den smaad van machteloosheid temidden van de cultuur-crisis onzer dagen, met den smaad ook van velerliei. wereld-geUjkvormigheidi, welke haar in katheder en op den kansel het woord Gods deed inruilen voor het woord der menschen. Hoe jammerlijk zijn de poorten harer eendracht verstoord door eene verdeeldheid, welke tot aan het ongelooflijke, het schier belachelijke grenst!

Hoe wordt ook in veler persoonlijk leven het Werk Gods door verkoeling van liefde, door lauwheid en traa, gheid, door wereld-begeerlijkheid en zondelust overgroeid. Hoe breekti Gods Kerk en Gods kind dikwijls den mond der vijanden open; hoe geeft Zion zelf soms aanleiding tot hun zeggen: „Waar is nu uw God? "

Kent ge daartegenover iets van dat weenen, iets van dat vasten en bidden vanwege Zions gruisi?

Velen leven er maar al te gemakkelijk voorbij. aan

Ze hebben het in de wereld nu eenmaal zoo goed.

Ze denken over God^ zaak niet verder dan hun sleurigen kerkgang en ze willen tot geen prijs „sentimenteel" worden.

Dat staat zoo d'weperig, weet u.

Schreien om de „breuke Zions", dat is toch al te dwaas!

En anderen gaan haastig aan het werk. Ze critiseeren er op los, dat de spaanders er af vliegen. 't Is met dat Zion, met die kerk niets gedaan!

Tot bidden en vasten komen zie niet.

Tot weenen en rouw worden ze niet bewogen.

Maar gij niet alzoo! Gij hebt Zion toch lief? Gij zijt toch door Zions God en ZaligmaJcer gekocht en verlost?

Gij gelooft toch aan Zion en aan Jeruzaliems) toekomst?

Gij gelooft toch in Zions G ó d ?

Maar laat dan de rouwl des hartien U dr)ijven tot gebed.

Blijft „doleerenden" In 'tsmeeken voorGo'ds Zion en in het worstelen voor Christus' Kerk: „Ach, Heere, hoor!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE SCHRIFT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's