GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELUKLEVEN

Bekijk het origineel

KERKELUKLEVEN

34 minuten leestijd

„Het verbond Gods". (II.)

Verleden weeli merkten we op, dat de stelling van prof. Aalders, volgens welke zonder eenigen twijfel (!) de deelgenooten van het genade verbond de uitverkorenen zijn, en derhalve (!) verbond en uitverkiezing quantitatief identiek zijn, ook door ons betwist wordt.

En aangezien door Gods genade over onze kerken in dezen tijd van dieper onderzoek en van opbloei der theologie „onze menschen" niet meer genoegen nemen met een paar uitspraken van een of anderen schrijver, doch naar de argumenten vragen, willen wij gaarne daarover iets opmerken.

Prof. Aalders meent voor zijn nog al verzekerde bewering doorslaand bewijs te hebben. Hij laat zich in zijn overtuiging niet schokken door de omstandigheid, dat vóór en na ettelijke gereformeerden het anders hebben gezegd, en doet ook geen enkele moeite, om met hun argumenten voor het andere gevoelen „klaar te komen". Het is, als bestaat die andere meening niet voor het besef van prof. Aalders, tenzij dan in het hoofd van enkele ongenoemden, èn van een hervormden predikant, ds Woelderink.

Maar hoe vermoeiend het ook zijn moge, we zullen niettemin luisteren naar de aangevoerde gronden.

Hoofdargument voor prof. Aalders schijnt te zijn, dat Christus het hoofd is van het genadeerbond". Let wel: het HOOFD. We lezen op bl. 193:

„Indien toch Christus het Hoofd van het genadeverbond is, zou men de identiteit van bondelingen en uitverkorenen slechts kunnen loochenen, indien men durfde te stellen, óf dat er bondelingen zijn, wezenlijk© bondelingen, die niet in Christus begrepen zijn, óf, dat men vrel in Christus kan begrepen zijn zonder uitverkoren te wezen. Het eene is al even onmogelijk als het andere. Want dat er bondelingen zouden zijn in het genadeverbond die niet in Christus begrepen zijn, is eene even ongerijmde gedachte als dat er menschen zouden zijn, die niet in het eerste verbondshoofd Adam begrepen zijn, menschen van wie niet zou golden dat zy' in Adam de verdoemenis deelachtig zijn, menschen zonder erfzonde; en dat er in Christus begrepen bondelingen zouden wezen, die niet de volkomen verlossing in dien Heiland zouden bezittyn, is met heel de leer der H. Schrift in zoo flagrante tegenspraak, dat daaraan verder geen woord behoeft verspild te worden; maar het is toch ook niet denkbaar dat iemand de volkomen verlossing in Christus zou bezitten, die niet uitverkoren was. Daarom, wanneer men in vollen ernst zou willen staande houden, dat het getal der bondelingen, der wezenlijke bondelingen, niet gelijk is aan dat der uitverkorenen, zou men er wel toe moeten komen om te loochenen, dat het genadeverbond gesloten is met Christus en in Hem met al degenen, die in Hem begrepen zijn, dan zou men er toe moeten komen om te loochenen, dat Christus het Hoofd van het genadeverbond is. En dat is, zooals we boven reeds zeiden, op Gereformeerd standpunt onhoudbaar. Door de duidelijke parallel die het Nieuwe Testament trekt tusschen Adam en Christus, is de waarheid, dat Christus het HOO'FD' is van het genadeverbond voor geen bestrijding vatbaar. De meeningsverschillen, die in de Gereformeerde dogmatiek aan den dag zijn getreden ten aanzien van de vraag naar de juiste formuleering, of het genadeverbond gesloten is met Christus en in Hem met de Zijnen, dan wel met de uitverkorenen in Christus, hadden geen betrekking op die waarheid. Dat Christus het tweede Verbondshoofd is, gelijk Adam het eerste was, is de eenstemmige belijdenis van allen die Gereformeerd denken".

Tot zoover prof. Aalders.

Men zal hebben opgemerkt, dat in zijn betoog alles er van afhangt, dat Christus het HOOFD van het genadeverbond 'genoemd wordt. Zou men Hem liever MIDDELAAR van het genadeverbond willen heeten, dan is al aanstonds het probleem gewijzigd, wijl „hoofd" en „middelaar" onderscheiden begrippen zijn.

Nu kan men echter in de oude dogmatieken etc. Christus telkens als MIDDELAAR van het genadeverbond hooren betitelen. Als middelaar, die tusschen twee partijen verzoening tot stand brengt. Ursinus' „Schatboek" (ik gebruik de editie van Pareus, Bremae, 1623) zegt, 120, dat een middelaar steeds middelaar van een verbond is: en degene, die de partijen met elkandei verzoent. Hier zijn volgens hem de te verzoenen partijen: God en de menschen.

Maar Ursinus is al lang weg; misschien wil iemand dichter baj honk blijven. Goed. Prof. Aalders verwijst in een noot naar vier auteurs: Bavinck, Honig, Kuyper, De Graaf. Indien dit beroep ook maar iets zal beteekenen voor het onderhavige punt, en daarin voor prof. Aalders' stoutmoedige verzekering, dat het op gereformeerd standpunt niet anders kan, dan hij het construeert, dan zullen zij dus ook moeten zeggen, dat Christus HOOFD van het genadeverbond is. Hoofd, in onderscheiding van Middelaar.

Slaat men evenwel de bedoelde auteurs na, dan wordt men al dadelijk teleurgesteld, wat betreft de bewijskracht van het door prof. Aalders gedane beroep. Prof. Honig spreekt in één adem van Hoofd en Middelaar, en laat zelf zeer duidelijk ruimte voor andere onderscheidingen (Handboek 430). Ds de Graaf noemt 't woord „Hoofd" slecht® in het voorbijigaan, kiest dan ook geen geding in een eventueel debat over nadere onderscheidingen. Op Kuyper (in verband met Ten Hoor) kom ik volgende week. Rest dus Bavinck.

Wat Bavinck betreft, prof. Aalders verwijst naar diens 2en druk, III, Ë'iO. Die plaats komt overeen met 4en druk, 209/210. Ongetwijfeld staat daar, althans in de buurt van de door prof. Aalders aangehaalde bladzijde (immers op bl. 210/1, 4e dr., 241, 2e dr.), dat Christus in het genadeverbond als HOOFD en vertegenwoordiger der Zijnen optreedt, en dat het met Christus is gesloten.

Maar wat zegt dat voor de onderhavige kwestie, als men eens naar nadere onderscheidingen zou willen vragen? Niets. Immers, Bavinck zet hier het verband uiteen tusschen het z.g. „pactum salutis" (den „raad des vredes") en het „foedus gratiae" („verbond der genade"). Daarom laat Bavinck op de aangehaalde woorden ook dadelijk volgen: „Het pactum salutis breidt zich uit tot een foedus gratiae; het HOOFD van het genadeverbond is tevens de MIDDELAAR ervan". En dat z.i. dit laatste toch weer een nieuw, een bijkomend element aan den vrederaad doet toekomen, blijkt wel uit wat er dan weer op volgt: „En daarom" (n.l. wijl het HOOFD tevens' MIDDELAlAR is) „treedt het (genadeverbond) aanstonds bijl zijne promulgatie ook op met den e i s c h van geloof en bekeering, Mark. 1 : 15".

Men ziet bet: juist het punt, waar het op aankomt. Hoofd, dan 'wel Middelaar, is nog ter verdere bespreking opengelaten door Bavinck. Maar prof. Aalders redeneert in zijn hierboven aangehaalde woorden op de ééne Hjn door, alsof de andere niet bestond, en alsof ze niet, als men eenmaal (zooals hij zelf het hier doet) na/der uitpluizen wil, een nadere detailleering brengt in de constructie. Men moet bij' het lezen van Bavinck voorzichtig ziin. Een oogenblik later zegt hjji: „Het verbond der genade .... is .... volkomen afgewerkt binnen de drie Personen onderling" (in welk opzicht Bavinck het monopleurisch noemt, echter bestemd om dupleurisck te worden). Het is duidelijk, dat hij: niet dit „volkomen afgewerkt liggen binnen de drie Personen" feitelijk het oog heeft op het genadeverbond zooals het in den vrederaad voorkomt. Dat mag niet vergeten worden bij de lezing van hetgeen reeds daarvoor werd geciteerd. D'at Bavinck naast de punten van overeenkomst en samenhang tusschen vrederaad en genadeverbond ook ter dege zich van het onderscheid van die twee bewust is, blijkt wel uit wat vóór de door prof. Aalders geciteerde plaats gezegd is, en in welks licht dan ook heel die passage moet gezien - worden, wil men zich niet in een sohijnberoep begeven.

Vóór de door prof. Aalders geciteerde bladzijde, „maar dan ook" vlak daarvoor, zegt Bavinck: „Er is ook inderdaad onderscheid tusschen pactum salutis en foedus gratiae; in het eerste is Christus BORG EN HOOFD, in het tweede MIDDELAAR". Dat is' dus duidelijk. Wil men nu scherp onderscheiden, zoo zegt Bavinck, dan moet men erkennen, dat de naam „HOOFD" (der Zijnen) eerder biji den vrederaad (tusschen Vader, Zoon en H. 'Geest, waarin de menschen niet betrokken zijn) past, dan bij het genadeverbond (waarin de menschen wel degelijk ziin betrO'kken). Strikt genomen is de benaming MIDDELAAR beter, als het om het genadeverbond zélf gaat, dan de naam HOOFD. Jammer, dat prof- Aalders niet den hier door Bavinck in handen gegeven draad heeft opgenomen. Thans wordt, wat Bavinck nog onderscheidde, onbewust genivelleerd, en wordt ons een bepaalde opvatting als' de alleen-gereformeerde opgedrongen. Terwijil andere constructies reeds lang bekend zijn, en dan zulke, waarin wel degelijk op de kwesties wordt ingegaan.

In 1913 b.v. schreef L. J. Hulst („De Geref. Amerikaan, XVII, nr. 3, bl. 110) reeds vroeger betoogd te hei'ben, dat Christus in de H. Schrift wel als Hoofd der Chr. Kerk, doch nimmer als Hoofd van het genadeverbond voorkomt. Enkele rhaanden later (XVII, nr. 6> 256/7) betrekt hiji zelfs de beide Wielenga's, vader (pr"*' te Kampen) en zoon (Dr B. W.) in het debat, en herhaalt, den vader trouw blijvende, maar den zoon op dit punt niet, „dat Christus wel het Hoofd der Gemeente is, maar nergens in de Schrift en b®' 1 Ü d e n i s als het Hoofd des V e r b o n d s voorkomt. Het is louter een menschelijke uitvinding, die de praotijk van geheel het kerkelijke leven in verwarring brengt". En zoo ware er meer te noemen. Prof. W. Heyns, Geref. Geloofsleer, met voorwoord van prof. Bouwman, Sneek, 2e druk, 125, verzekert, dat volgens Gods Woord het Genadeverbond geen representeerend Verbon dsboofd heeft, die voor allen handelt, en voor allen beslist- Wel heeft z.i. de Raad des Vredes zulk een representes" rend Yerbondshoofd, „gelijk, ook het Werkverbond zulk een Verbondshoofd had". Wat Christus betreft. Deze is

volgens Heyns, „representeeiend Verbondshoofd in den Raad des Vredes, die met Hem is opgericht, maar Hij is dat niet in het G € • n a d e v © r b o n d, dat niet met Hem, maar mede door Hem is opgericht met Abraham en zijn zaad". En, om nog even bij' Amerika te blijven (want ook de beide voorgaanden zijn amerikanen). Ten Hoor schrijft in zijn Compendium der Geref. Dogmatiek (niet in den handel, gedrukt bü A. ten Hoor, Holland, Mich.) op bl. 136: „Nergens wordt Christus in de H. Schrift Hoofd van het verbond der genade genoemd. Hij is wel Hoofd van Zijne gemeente, maar dit duidt een andere relatie aan. In Eph. 5: 23 wordt Hiji Hoofd genoemd als eerste partiji, niet als tweede partiji van het verbond. Doordat Hij' Borg en Plaatsvervanger is in het werkverbond, kan 'Hiji Middelaar zijn in het genadeverhond Daar Christus Borg en Middelaar is van het genadeverbond, kan Hij daarvan niet de tweede partij zijn. Beide begrippen onderstellen de twee partijen van het genadeverbond. Borg zegt, dat Hiji de schuld betaalt van den mensch aan God. En Middelaar duidt aan, dat Hii' den mensch en God in het genadeverbond vereenigt, Gal. 3 : 20; 1 Tim. 2 : 5".

Dit alles komt van de oudere amerikanen; evenals wat Hodge opmerkt, als 'hiji, Syst. Th. II, 358, ons opwekt, om toch vooral, ook ter vermijding van vroeger misverstand en gerezen moeilijkheden, te blijven onderscheiden tusschen vrederaad en genadeverbond; in den vrederaad (z.g. verlossingsverbond) is Christus één van de contracteerende PARTIJEN, maar in hei genadeverbond de MIDDELAAIl (vgl. 358/9, 364) en BORG (364). En, om een nog levend hoogleeraar ook te citeeren, prof. L. Berkhof (Rei. Dogm. I, 250, Manual 152/3) ver'klaart, dat in het „verlossingsverbond, den vrederaad, Christus voorkomt als HOOFD des verbonds, in den zin van representant dergenen, die de Vader Hem gegeven heeft, en als hun Borg, doch (Ref. Dogm. 270, Man. 164/5) als het gaat over het genadeverbond in onderscheiding van den vrederaad), dan zegt Berkhof: Christus komt hier voor als MIDDELAAR.

Opzettelijk citeeren we niet meer. En laten we ook nederlandsche theologen buiten beschouwing. Ik wees er reeds op, dat prof. Aalders voor wat bepaalde kwes^ tieuse punten betreft, geen nota neemt van hedendaagsche andersdenkenden onder zijn broeders. Woelderink, de hervormde dominee, wordt bestreden; zij niet. We vinden dat jammer, omdat op die manier het debat, als interne aangelegenheid van de eigen kerkelijk-gereformeerde gemeenschap, niet veel verder komt. Tenminste niet wat de helderheid betreft. Geen mensch zal verwachten, dat al "Woelderink's opinies door ieder onzer gedeeld worden, al heeft ook m.i. deze uitnemende theoloog zeer veel goede dingen opgemerkt, die dan ook door prof. Hepp (in een aanval op ds Veenhof) slechts onder het maken van ernstige fouten konden weersproken worden.

Maar als we eens naar anderen dan Woelderink zien, dan blijken er theologen genoeg, zóó maar voor het grijpen, die bewijzen, dat prof. Aalders geen recht had tot zijn niettemin stellig klinkende bewering, dat het de eenstemmige belijdenis van allen, die gereformeerd denken is, dat Christus het tweede Verbon dslioofd isi. Er z ij n er genoeg, die d a a f andere oi v e r denken. Hen uit te sluiten van het gereformeerde denken is, en daar moge men wel aan denken, niet zoo maar één, twee, drie klaar.

Duidelijkheidshalve voegen we hier iets aan toe. Ik weet niet, in hoeverre prof. Aalders nota genomen heeft van den vroegeren strijd over het verbond. Ik moet aannemen, dat hij er mee op de hoogte is. In dat geval weet hij wel, dat zijn beweringen, al gaan ze nominaal alleen tegen Woelderink in (ten dezen), toch ook een streep halen door wat vóór 1905 in ons eigen land is gezegd door ouderen, die zich niet steeds in elke constructie van Dr A.. Kuyper konden vinden. Welnu, gaat het goed, als men, zonder hen te noemen, zegt: het is ongereformeerd, een andere constructie te geven, dan de mijne hier? Ik meen, dat de synode van 1905 heeft ge-, werkt in verzoenende richting, al heeft ze — men kan het hier al weer zien .—- geen enkele kwestie opgelost; . hetgeen vrijwel van alle kwesties geldt, die in Kuyper's' dagen gerezen, maar erg vaak op zü gezet zijn.

Nu hebhen wiji er niets tegen, dat prof. Aalders de kwesties weer ophaalt. Dat zijn we zelf ook van plan. Maar ik wijs er wel op, dat de „toon" hier zeer, soherp is. Niet gereformeerd, afgeloopen. Geen namen van de ouderen, ook niet van de jongeren, die hier zakelijk bestreden worden. Een poging dus, om bepaalde meeningen van Dr A. Kuyper weer als de eenig-gereformeerde voor te stellen. Een gedeelte van het gereformeerde volk denkt dan: dat gaat tegen een groep van thans levende menschen, tegen wie soms zelfs door een ongeroepen adviseur schriftelijt gewaarschuwd Vfordt. Ik wil speciaal die goedmeenende menschen waarschuwen voor misvatting. Het gaat in feite óók weer tegen ouderen, die in het graf liggen. Ik zeg niet, dat die ouderen gelijk hadden in alles. Dat hadden ze niet. Dat hadden m.i. de geciteerde auteurs ook niet. Ik heb het evenmin. Maar ik kom er toch tegen op, dat zonder breede argumentatie wordt heengeredeneerd over probleemstellingen, die de ouderen wel degelijk wisten te stellen, terwijl dan toch het etiket van nietgereformeerd hun na 1905 opgedrongen wordt. De dingen zijn eenigszins ingewikkelder, dan prof. Aalders in dergelijke passages laat zien. En als men „waarheid en vrede" en „vrede en waarheid" wil, dan moeten niet alleen over de jongeren, maar ook over de ouderen andere klanken gehoord worden, dan we hier vernemen.

K. S.

De scheuring in Amerika. (IX.)

Als ik thans nog verder op het artikel van ds Lyzenga inga, is dat tenville van de algemeene kwesties, die erbij te pas komen. Bespreking daarvan kan de oogen openen voor de lacunes in de redeneeringen, waarmee (zie ook wat ik elders in dit nummer opmerk) een werkelijke öf gewaande gemeene-gratie-meening wordt verdedigd. Ik heb nèg een reden. Als iemand, om maar een „gevestigde" opinie te kunnen blijven verdedigen, in een bijbeluitspraak met geweld meer leggen wil, dan erin staat, dan is er reden voor het „hijschen van het attentiesein". Welnu, in dat geval verkeert zoowel ds Lyzenga, als „De Heraut", die vindt, dat hij iets weerlegd heeft.

Het gaat hier over Romeinen 2 : 14, 15. Het vemiakelijke van heel het geval-Lyzenga is hierin gelegen, dat deze schrijver in gemoede meent, dat ik op dien tekst een bepaalde dogmatische constructie heb „gebouwd" (based); hij wil dan deze constructie bestrijden, teneinde zoo te kunnen verdedigen, wat hij houdt voor de beschouwing, die naar zijn meening de synode van Kalamazoo zou hebben gehad (our synod's view of it). Ik heb al betoogd (vorig artikel), dat die synodale kijk op Rom. 2:14, 15 een hypothese is, ontsproten aan ds Lyzenga's brein. Daar dus niet meer over. Ditmaal gaat het om wat anders: in werkelijkheid heb ik geen eigen theorie gebouwd op Rom. 2:14, 15, doch alleen maar betoogd — en dat was noodig tegenover bestaande theorieën, die ook van den katheder zijn doorgegeven — dat men op dien tekst niet bouwen kon, wat er vaak op „gebouwd" was. De kwestie staat niet zóó, dat ik zei: ziehier, wat ik uit dien tekst haal, doch: pas op, dat gij er niet uit „haalt", wat er niet in ligt opgesloten.

Dit staat ook duidelijk te lezen in mijn Catechismusbijlagen. Ik wijs op bl. 96: daar wordt gezegd, dat de „schriftuurlijke onderbouw" van Rom. 2 : 14, 15 (gecombineerd met Rom. 1 : 19, 20) „ongenoegzaam is om de leer te kunnen schragen en dragen, dat de Heilige Geest in den mensch apriori's ten aanzien van de hoogste autoriteit werkt". Ik wijs op bl. 79: waar ik opmerk, dat onze tegenwoordige exegeten bevestigend blijken te antwoorden op de vraag, of niet vroeger ongeoorloofde speculaties aan den tekst in kwestie vastgekoppeld zijn. Ik wijs op bl. 81: men moet niet in den tekst leggen, wat er niet in staat. Ik wijs op bl. 87: waar geconstateerd wordt: „in dezen tekst staat NIET, dat God Zijn algemeene openbaring geeft in het hart van den mensch; en ook niet, dat God in Zijn algemeene openbaring werkt van binnen naar buiten".

Alles is dus een opwekking tot voorzichtig omgaan met de Schrift. En als ik nu zie, hoe daarop gereageerd wordt, dan maak ik me toch heusch bezorgd, en geef ik ds Hoeksema gelijk, als ook deze zich bezorgd maakt over een opkomende neiging, om van den natuurlijken mensch meer goeds te verwachten, dan de Schrift zelf wettigt. Is hier geen jacht naar lofprijzing van den natuurlijken mensch? De Schrift zegt: het wérk der wet is in het hart der heidenen geschreven. Met alle geweld, ondanks waarschuwingen, willen menschen als ds Lyzenga gelezen hebben: de wetzelfisin het hart geschreven. Hebben deze broeders wel ooit kennis genomen van de geschiedenis der filosofie, met haar antigoddelijk drijven? Paulus zegt met geen enkel woord, dat de Heilige Geest in het hart der heidenen schreef. Maar ds Lyzenga wil persé dat van Paulus hooren: „we conclude that what Pauls says is that the heathen prove by their conduct that the Holy Spirit wrote in their hearts"! Wei ja, nu heeft de Heilige Geest al geschreven in heidenharten.

Het moet mij van het hart, dat niet de Chr. Geref. Kerk in Amerika, maar wèl zi^ilke auteurs, en tenslotte ook een dergelijke artikelen opnemende redactie (die zelf niet aan een gesprek deelgenomen heeft) met vuur spelen. In het vervolg van mijn catechismusverklaring heb ik bezwaren ingebracht tegen de lijn, die van prof. Hepp naar dr Prins loopt inzake het algemeene getuigenis des Heiligen Geestes (verzekering aangaande centrale waarheden, excusez du peu!). Maar een inzender in „The Ranner" krijgt zoo maar de kans, nog veel verder te gaan dan prof. Hepp. Dié was tenminste nog zoo voorzichtig, te betoogen (zie mijn Catechismusverkl. bl. 148—9), dat de Heilige Geest wel verzekert, maar niet openbaart in wat hij dan het algemeen getuigenis des Heiligen Geestes noemt. Maar in Amerika is er al een dominee klaar met de verzekering, dat Paulus den Heiligen Geest laat „ s c h r ijven" (!) in heidenharten.

Voor de zooveelste maal zeg ik het: indien een leiding, die zulke dingen onder het volk brengt, ds Hoeksema stijven wil, dan moet ze vooral dergelijke onbekookte dingen laten publiceeren, en de tegenspraak, zelfs voor een gedeelte, buiten haar kolommen houden. Men klaagt, dat ds Hoeksema zoo scherp is, niet toegeeft, en zoo voort. Het past mij niet te oordeelen over détails van den strijd, over en weer. Wel zou ik me een verrader van de waarheid vinden, als ik verzweeg, dat zulke artikelen in „The Banner" terecht hem doen zeggen: tusschen zulke broeders en mij ligt een ernstig verschil. Ik hoop, dat hij tusschen deze personen en de kerk zal weten te onderscheiden.

En voorts, wat Rom. 2 : 14, 15 betreft, het is toch duidelijk, dat het niet aangaat, de dingen, -die de ónwedergeboren, buiten de Schrift levenden mensch „van nature" doet, toe te schrijven aan de algemeene openbaring? Zijn soms alle daden of gewoonten van den wedergeboren mensch, die met de Schrift dagelijks omgaat, te danken aan de bijzondere openbaring? Weineen; al kan hij zich daarvan nimmer ontdoen, toch is zij lang niet de eenige

(Zie vervolg op blz. 324.)

factor, die in zijn daden optreedt. In zijn daden komt ook uit, hoe hij de openbaring ontvangt, hoe hij erop reageert, wat hij zijnerzijds er mee doet. En dan zijn daar verder nog duizend en één andere factoren, die op hem inwerken: de mode, de opvatting der medemenschen, lichamelijke gesteldheid, psychische toestand, en zoo voort. Natuurlijk staat het niet anders met hem, die alleen maar de „algemeene openbaring" ontvangt. Zeker ze werkt op hem in. En ze is daarom ook nooit „weg te denken" uit het geheel van zijn daden, zijn „poiein" en zijn „prassein". Maar er komen nog ettelijke andere factoren optreden in zijn levensgang, zijn acties en reacties. Géén van die alle mag men dus veronachtzamen, als het erop aankomt zijn levensgang in schets te brengen, zijn dagboek met historischen zin te ontleden. En voorzoover men het recht heeft, Rom. 2 : 14, 15 te pas te brengen in zijn leer omtrent wegen en werking der algemeene openbaring, dient men toch steeds te bedenken, dat in hetgeen de heidenen „van nature" (door hun gegeven gesteldheid, phusei) doen, altijd minstens deze twee factoren optreden ter verklaring:

a. de werking, die van Gods algemeene openbaring uitgaat;

b. zijn natuurlijke, d.w.z. Gode-vijandige reactie daarop. Wat hij onder inwerking van deze twee factoren (de andere nu maar daargelaten) tot stand brengt, dat doet hij „van nature".

Als dus de heidenen „van nature" handelingen verrichten, die naar den buitenkant met de wetsletter correspondeeren, dan vergete men niet, dat tot dit doen hun natuurlijke gesteldheid heeft meegewerkt, en aangedreven. En hun wil tot zelfhandhavlng. En hun zoeken van eigen eer, van eigen belang, veiligheid, en wat dies meer zij.

K. S.

Nogmaals: voornaamste leiders.

We zouden nog iets opmerken in verband met wat verleden week uit , , D'e Heraut" werd aangehaald. Het blad constateerde, dat juist de „voornaamste leiders" der Ghr. Ref. Church waren weggebleven uit de informeele conferentie, l© Grand Rapids gehouden tussohen ds Hoeksema c.s. ^n predikanten der Ghr. Ref. Church. Nu, van de oorzaken van dat niet verschijnen weet ik ook wel wat af; maar ik wil er maar niet over schrijven. Wèl is dit merkwaardig:

a. Eén der met vollen naam door „De Heraut" tot de „voornaamste leiders" gerekenden gaf mij: in een prettig discours in het gebouw der Theol. School te Grand Rapids over de algemeene genade zijn meening over de beteekenis der drie punten. 'tWas prof. Wijngaarden. Ik was er bliji mee; kreeg later wat mondeling gezegd was, op schrift; om het te publiceeren; en heb dat ook gedaan (eerste artikel over de scheuring in Amerika), 't Kwam hierop neer: de 3 punten van Kalamazoo zjjn geen dogmatische, maar weerleggende punten. Uitvoerige bewijsvoering uit de Acta der synode zelf! Onlangs evenwel kwam een ander, die ook met vollen naam door „De Heraut" tot de voornaamste leiders gerekend is, ds H. J. Kuiper, in „The Banner" vertellen, dat die prof. Wijngaarden verkeerd gezien had, en dat ik daar vooral niet op bouwen moest. Wel werd de naam van prof. Wijngaarden in het Had verzwegen, maar dat verandert de zaak niet. Als dus de „voornaamste leiders" van elkaar blijken te verschillen zelfs in het verstaan hunner eigen synode, heb ik dan gelijk of ongelijk, als ik zeg: kom, praat nog eens samen? Zou „De Heraut" niet liever daarbij; steunen? „Waarheid en vrede, vrede en waarheid? "

b) Prof. Berkhof, eveneens tot de „voornaamste leiders" door „De Heraut" gerekend, schrijft in zijn „Manual of Ref. Docirine", 224, dat de onderscheiding tusschen algemeene en bizondere genade niet van toepassing is (does not apply) op genade als een attribuut (eigenschap) van God, doch alleen (only) op de genadige werkingen van God en de uitwerkingen daarvan in natuur en menschenleven. Men kan daarover denken, zoo men wil, in elk geval is duidelijk, dat volgens prof. Berkhof men niet zoomaar zeggen kan: als God aan alle menschen prettige dingen geeft, is dat een kwestie van Gods GEZINDHEID'. Nu wees ik er in mijn amerikaansohe lezingen op, dat daar een heel stuk van de kwestie op vastzit; alsmede (in conferenties, en later in ons blad) dat de EIGENLIJKE uitspraak der synode van Kalamazoo niet van die „gezindheid" sprak, al werd dat wel gedaan door haar OMLIJSTING, om zoo te zeggen: het presenteerblaadje, waarop de 3 punten werden opgediend. Ik redeneerde dus van dat (offioieuse) presenteerblaadje wèg, en dan naar prof. Berkhof toe. Nauwelijks deed ik dat, of de andere voorname leider, ds H. J. Kuiper, plaatst daartegen eerst een lang stuk- Lyzenga, en verzekert thans, dat die gezindheid er ter dege bij. hoort. De voorname leiders tegen elkander. Is er ook reden om nog eens kalm te praten?

c) Prof. Berkhof, a.w. 225/6, schrijft ook over het verband tusschen „gemeene gratie" en Christus' verzoe^ ningswerk. Wat, zoo vraagt hiji, is de rechtsbasis voor Gods gemeene-gratie-werkingen? Hoor dan eens, hoe voorzichtig hiji nu wordt: „Het is MiOGELIJK („possible") dat men zulk een rechtsbasis heelemaal niet noodig heeft (no such basis is needed) in betrekking tot het feit, dat gemeene gratie de schuld der zonde niet wegneemt, en het eigenlijke vonnis niet af-, doch alleen maar uitstelt. MISSOHIEN („perhaps") is bet goddelijke welbehagen om de openbaring van Zijn toom uit te stellen al voldoende verklaring voor de tijdelijke zegeningen. NIET ONWAARSCHIJNLIJK echter is het, („not unlikely") dat er toch op een of andere manier (in some way) verbajid te zoeken is met den dood'van Christus. Ook al behoeft dit niet te beteekenen, dat Christus die zegeningen verdiende. Alles even voorzichtig en aarzelend. Dat is in mijn mond geen misprijzing, maar een lofprijzing. Maar hier in Nederland bebben sommigen deze kwestie allang uitgemaakt; en als de bladen goed berichten, dan heeft prof. Grosheide in Engeland van wat nog in het midden gelaten werd door Berkhof, een stellige „boodschap" gemaakt, die de nederlandsche calvinisten badden te brengen aan de buitenlandsche.

Voorloopig breng ik die boodschap nog niet. Ik zeg liever tot wie met een „perhaps" een voornaamsten leider ziet opereeren: in dubiis abstine, brand uw vingers niet.

Dit over „vooi-naamste leiders" bier en ginds. Wie durft hier een gesprek smoren, en God danken? De t ijid zal 't Ie er en.

K. S.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

In hartelijken dank ontving ik door ds D. K. Wielenga te Capelle a. d. IJsel de volgende giften:

Mej. P. te C. a. d. IJ. f 10, —; f am. J. P. te C. a. d. IJ. f 10, —; f am. H. P. te Z. f 1, —. Tezamen dus f 21, —.

Ook ontving ik van M. P. T. en M. K. T. elk een half £, beide wonende in Zuid-Afrika. Reeds in December zijn deze giften verzonden, maar doordat ze aankwamen tijdens mijn verblijf in Amerika en de wissel inmiddels verloopen was, is de verantwoording tot nu toe weggebleven. Het bedrag was in HoUandsohe munt f 8, 48. Hartelijk dank.

Met blijvende aanbeveling,

K. SCHILDER.

Giro 127 278.

Dr F. L. Rutgers en Jhr Mr A. T. de Savomin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht. (VII, Slot.)

De Auteurs zeggen verder: „Zoo leert ook Voetius, „dat de Classen en Synoden tegenover de enkele kerk geen afdoende en dwingende macht hebben, doch slechts eene afgeleide, zoodat de kerken wel alles moeten aannemen en uitvoeren wat de Synode bepaalt omtrent de leer en andere kerkelijke zaken, doch altijd... voor zoover de naleving of het dulden daarvan niet strijdt met Gods Woord", blz. 39v.v.

Over Voetius' meening inzake de verhouding van plaatselijke kerk en classis zie blz. 41 v. in de noot, en „De Reformatie" van 13 Mei 1938.

„Hoogstens kon de Synode dezen band doorsnijden, en dus de weerbarstige kerk berooven van de aan het bondgenootschap verbonden voordeelen... De Synode kon natuurlijk eene zich verzettende kerk van het kerkverband uitsluiten. Maar haar bestaan als wezenlijke en volledige kerk kon zij niet vernietigen. Zij had slechts eene afgeleide, haar opgedragen macht", blz. 44 in de noot.

De Synode heeft dus maar eene haar opgedragen, eene afgeleide, macht, geene eigene macht boven de kerken met hare kerkeraden en leden, en kan hoogstens den band met weerbarstige kerken doorsnijden, eene zich verzettende kerk van het kerkverband uitsluiten.

„Hing de eenheid der kerken van hare voortdurende samenwerking en samenstemming af, dan was niet alleen de band, die haar verbond, vrij los, maar kon er ook moeilijk onderdrukking van den een door den ander ontstaan, behalve in de locale kerk zelve, omdat de richting, die daar in den kerkeraad de overhand wist te verkrijgen, tevens en uitsluitend het gebruik had van de kerkelijke goederen en fondsen. Vandaar de buitengewone zorg om alle dienaren door persoonlijke en schriftelijke onderteekening te binden aan Gods Woord en de belijdenisschriften; want die onderteekening was eigenlijk de eenige waarborg, dat de kerk in beginsel bleef wat zij was", blz. 52.

Zij wijzen dan verder op de overheidsbemoeiing, ook in gedeeltelijke bezoldiging der predikanten, en schrijven vervolgens: „Let men op deze feiten, dan is het duidelijk waarop de in theorie niet te betwisten zelfstandigheid der kerken in de praktijk neer moest komen. Elke kerk op zich zelve mocht zich verzetten tegen de Synode; hare zelfstandigheid handhaven, zoodra men haar iets wilde opdringen, dat zij in strijd achtte met Gods Woord; maar dan, indien zij de Overheid niet op haar hand had, ten koste van al wat zij bezat; ten koste van kerkegoed en tractement", blz. 54v.v. „Maar in den rechtstoestand bracht deze feitelijke verhouding geen wijziging. Onveranderlijk bleef in alle provinciën het beginsel gelden, dat geene kerk mocht bedrijven of toelaten, wat zij zelve in strijd achtte met Gods Woord", blz. 60.

Herhalen en onderstrepen wij de woorden: wat zelve in strijd achtte met Gods Woord. zij

„Uit al het voorgaande blijkt alzoo, dat gedurende de republiek... 4o. de kerken ook in andere opzichten groote zelfstandigheid hadden, en geenerlei bestuur boven zich erkenden; 5o. de kerkeraden de voornaamste kerkelijke colleges waren en de gemeente vertegenwoordigden...", blz. 62v.v.

In de resumtie van hun geschrift schrijven Dr Rutgers en Jhr Mr de Savomin Lohman dan nog o.a.: „In de streken, welke thans het Koninkrijk der Nederlanden uitmaken, aanvaardden reeds ten tijde der vervolging die kerken, welke later de Gereformeerde Kerken genaamd zijn, als zelfstandige lichamen, vrijwillig, zonder eenige medewerking der overheid, enkel daartoe gedreven door het goddelijk recht, een ander verband" — n.l. dan de pauselijke hiërarchie —, „dat zij oordeelden overeenkomstig de Heilige Schrift te zijn... In dat verband wordt de kerkeraad een college, dat, samengesteld uit de Opzieners, de predikant daaronder begrepen, de gemeente vertegenwoordigt...

Geen eigenlijk bestuur, allerminst een hooger bestuur of eene Overheid, is in deze organisatie bestaanbaar. Elke kerk is, als instituut, een volkomen geheel, en als zoodanig in beginsel van alle andere kerken onafhankelijk...

Niettemin onderhouden de kerken naar den eisch der Heilige Schrift onderling een nauw verband. Zij komen daartoe op geregelde tijden in classen en synoden bijeen. Wel niet door het samenkomen van gansche, kerkeraden, maar van hare daartoe van lastbrieven voorziene afgevaardigden. Wat in deze „meerdere" vergaderingen door de gezamentlijke kerken wordt vastgesteld, is, onder straks te noemen voorbehoud, bindend voor alle...

De aard van dat verband is, uit juridisch oogpunt beschouwd, conctractueel. De gezamentlijke kerken maken niet een bestuur of overheid uit; niemand is aan haar als aan eene overheid gehoorzaamheid schuldig, maar, krachtens de oorspronkelijke overeenkomst, wordt wat in de „meerdere" vergaderingen besloten wordt als datgene beschouwd, wat ieder, die zich verplicht acht, in het verband te blijven, heeft te volgen...", blz. 177 V.

Aan deze laatste alinea schenke men goed zijne aandacht.

„Zoowel elke kerkeraad, als alle kerkeraden tezamen, zijn in de eerste plaats gebonden aan Gods Woord, waaronder verstaan wordt de Heilige Schrift...

Hoezeer, naar eisch van Gods Woord, het samengaan der kerken plicht is, moet naar den eisch van datzelfde beginsel hij, die oordeelt, dat de ambtsdragers Gods Woord ter zijde stellen, zich aan dat verband onttrekken...

Bij onttrekking aan zoodanig verband hebben de gezamentlijke kerken evenmin dwangmiddelen tegenover een enkele kerk, als de kerkeraad die heeft tegenover het enkele lid. Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat; maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden ", blz. 178v.

Op blz. 54 wordt in eene noot nog betreffende Dr H. G. Kleyn, die de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerken in theorie niet betwistte, en erkende, dat die tegenover andere kerken in den aanvang der Reformatie niet belemmerd werd, maar zeide, dat dit alleen gold van de kerken onder het kruis, gezegd: „Door die laatste woorden nu wordt wel ingewikkeld te kennen gegeven, dat de latere belemmering een gevolg was van de Overheidsbemoeiing. Maar uitgesproken wordt dat toch niet. En daarentegen wordt beproefd, door een zeer uitvoerig „historisch" betoog... den lezer duidelijk te maken, dat de Classen en Synoden uit zich zelve dwingende macht hebben over de kerken; waarbij dan de lezer ook wel denken kan aan eene macht, die gehandhaafd kon worden, niet door administratieve Overheidsbemoeiing, maar in rechten, door de uitspraak van den burgerlijken Rechter. Jammer slechts, dat het met die menigte aldaar aangehaalde „feiten", en dan met alle zonder uitzondering, geheel anders gesteld is dan Dr Kleyn het voorstelt".

Zij wijzen dan aan, waar zij in hun geschrift de door Dr Kleyn genoemde feiten bespreken, en voegen er dan nog allerlei bij, om op blz. 57 te schrijven: „Inderdaad echter hebben de Classen en Synoden zelve in den hier bedoelden tijd niets geweten van een recht, dat zij tegenover onwilligen zouden gehad hebben. Wel hebben zij in zulke gevallen zich niet altijd bepaald tot bloot zedelijken drang; maar ook zelfs waar zij de Overheid te hulp riepen, waren de gronden, die zij aanvoerden, nooit van juridischen aard, alsof zij in rechtmatige aanspraken moesten gehandhaafd worden, maar uitsluitend van zedelijken aard, ten einde den steun te ontvangen van administratieve Overheidsbemoeiing".

Classes en Synodes hebben zich dus in den vroegeren tijd „niet altijd bepaald tot bloot zedelijken drang".

Met het aanvoeren van allerlei gevallen uit de historie kan men daarom op zichzelf niet volstaan.

Toch kwam men ook tegen de Doleantie op met allerlei „feiten", die echter door Dr Rutgers en Jhr Mr de Savomin Lohman niet als juist noch ter zake doend erkend worden. Doch zij schrijven: „Inderdaad echter hebben de Classen en Synoden zelve in den hier bedoelden tijd niets geweten van een recht, dat zij tegenover onwilligen zouden gehad hebben".

Zoo is het duidelijk, welk het karakter van het Gereformeerd kerkverband in de 16e eeuw tot het begin der 19e eeuw in ons land was volgens Dr F. L. Rutgers en Jhr Mr A. F. de Savomin Lohman, n.l. geene hiërarchie, maar eene vrijwillige naar Gods wil aangegane confoederatie. De meerdere vergaderingen waren geene hoogere vergaderingen noch hoogere besturen, en hadden geen eigene macht, doch slechts eene van de kerken afgeleide. Er was geen institutaire classicale, provinciale, landelijke, kerk. De plaatselijke kerken waren geene afdeelingen van deze landskerk of provinciale of classicale kerk.

Uit dit alles is ook duidelijk het Doleantiekerkrecht. Dat stemt met dit oude Gereformeerde kerkrecht overeen. En daamit kan gezien worden, dat het nieuwe kerkrecht van gansch anderen aard is.

S. GREIJDANUS.

Geestelijke veizorging van onze militairen' aan < mze grens.

Deputaten der Generale Synode der Gereformeerde Kerien ter behartig-ing van de geestelijke belangen van onze militairen verzochten plaatsing van het navolgende:

Uit de rapporten van D's "W. E. Gerritsma te Aalten, js J. Wristers te Helmond en Ds K. W. Derofeen te 3Iaastricht, die namens - Deputaten der Generale Synode de grens verzorgen, blijkt het volgende:

1. Aan de Oostgrens liggen 982 Gereformeerde militairen op 63 posten. Ds Gerritsma heeft een groot deel van hen reeds bezocht, vaak vergezeld van een predikant tiit de naaste omgeving. De predikanten roemden zeer de orgemisatie van dit werk door Deputaten en waren verbaasd, dat er zoo veel gereformeerde militairen op hun terrein lagen.

Met veel predikanten en kerkeraadsleden is een samenspreking gehouden.

Van verscheiden christen-officieren en onderofficieren, maar ook van manschappen, gaat een goede invloed uit.

Er zijn nieuwe diensten des Woords ingesteld te Buurlo, Barchem (daar was^ al een dienst op Zondag) en Eist (waar ook één dienst was). Voorts rijden er op onze kosten enkele autobussen om de militairen naar ierken Je vervoeren.

De eenige Gereformeerde 'broeder in Huissen stelde zijn huis ter beschikking voor de militairen. De commandant van Ootmarsum gaf verlof, dat de daar gelegerde 30 Gereformeerden in dienstverband per fiets naar Oldenzaal ter kerk gaan (afstand 13 km; anders mogen ze zich maar 6 km van hun post verwijderen).

Mevr. Strootman ie Bemmel werkt prachtig mee. De militairen Vcin Bemmel, Gendt en Haalderen gaan per autobus naar Eist, waar Ds Kuiper van Arnhem en Ds Gerritsma af en toe zullen voorgaan, omdat Eist gecombineerd is met Zetten en Ds Ubbens daar dus maar eens om de twee weken 's morgens kan preeken.

Andere verstrooiden worden geregeld bezocht.

2. Aan de grens van Limburg wordt ook contact gezocht met de posten, waar vaak maar enkele militairen liggen, die gereformeerd zijn; Ds Pontier verricht daarbij goede medewerking.

Ds V. d. Weg, die als reserve-veldprediker in dienst is in de omgeving van Huissen, werkt ook. krachtig mee met Da Gerritsma. Hij' vraagt steun voor het militaire tehuisj© in het zeer Roomsche en wereldsche Huissen.

8. Over de Zuidgrens van Brabant rapporteert Ds Wristera, dat daar op enkele plaatsen een dienst des Woords ingesteld is, o.a. te Neerkant, Liessel, Milheeze, Helenaveen. Liessel werd later opgeheven, omdat de militairen naar Helenaveen en Neerkant konden gaan.

Hij: zelf is iedere week op reis om de verschillende posten te bezoeken en het contact te bewaren.

In Mei en Juni (te Helmond meegerekend) zijn 45 diensten gehouden. Predikanten en candidaten hielpen daarbiji. Daarna is cand. Koningsveld benoemd, die met ijver ook in het militair werk bezig is. .

Verschillende militairen zijn al naar huis, maar er liggen aan die grens (ook in de buurt van Deurne) toch nog 240 gereformeerden.

Er wordt uitnemend werk verricht.

Wanneer men van militairen hoort, dat er nog posten zijn, waarmee geen contact is, dan berichte men dat aan b. g. predikanten of aan mij'.

Ook wordt dringend aan de kerkeraden verzocht de namen van onze militairen, die aan de grens liggen, op te geven!

Deputaten hopen en verwachten, dat deze arbeid, die aoo noodzakelijk is en zooveel vruchten afwerpt, ruim «n mild door giften zal worden gesteund.

Tot nu toe werd nog maar van één kerk een gift ontvangen en een twintigtal van particulieren.

ledere maand is f 500 noodig, terwijl er tot op heden ontvangen is f 70.

Men zende zijn giften aan den penningm, van Deputaten, D's T. J. Hagen te Delft. Postgirorekening No. 35595.

Alle giften worden verantwoord in het „Geref. ZendingsWad"' (die van Juni in het Julinummer, die van JuU in het Augustusnummer, enz.).

Namens Deputaten voornoemd,

Dsi A. H. VAN MINNEN, praeses.

Bergen (N.-H.).

Ds T. J. HAGEN, scriba.

Delft.

De Kleine Catechismus van Zacharias Uisinus. (VI.)

32. Daar Christxis dan voor ons geleden heeft en gestorven is, waarom lijden en sterven wij ooh?

Ons lijden en onze dood zijn geen voldoening voor de zonden, maar een oefening tot Christelijk geduld, «en beproeving van ons geloof, een vaderlijke kastijding, die ons tot voortdurende boetvaardigheid roept, een gelijkvormigheid met Christus, en eindelijk een bevrijding van de zonde en alle ellenden.

S3. Wat gelooft gij van Christus' opstanding?

Dat Hij door Zijn Goddelijke macht Zijn lichaam tot het leven heeft teruggeroepen en met eeuwige heerlijkheid heeft versierd, opdat de mensch Jezus Christus ook mij en allen, die in Hem gelooven, ter bestemder tijd uit den dood zou opwekken en de gerechtigheid met alle hemelsche goederen, die Hij ons door Zijn dood verdiend heeft, zou deelachtig maken; en opdat Hij ondertusschen ons, die Zijn eigen leden zijn, zou verzekeren van onze opstanding.

3k. Wat gelooft gij van Zijn hemelvaart?

Dat Hij Zijn menschelijke natuur boven alle zichtbare hemelen verhoogd heeft en volgens deze (natuur) tot san het einde der wereld, niet op de aarde, maar in den hemel is en blijft; om voor ons als Middelaar voor het aangezicht Zijns Vaders te verschijnen, en, door ons vleesch als een pand in den hemel te brengen, ons te vei-zekeren, dat Hij als het Hoofd ons. Zijn lidmaten, tot Zich zal opnemen; en om Zijn Geest ons tot een tegenpand uit den hemel neder te zenden, door Wiens kracht wij bedenken niet wat op de aarde maar wat boven is.

G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELUKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1939

De Reformatie | 8 Pagina's