GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

26 minuten leestijd

Indrukken van de Generale Synode. (II.)

Pauze.

Verleden week gaven we geen „indrukken". Niet, dat we liet zonder indrukken moesten of konden stellen. Maar de synode is zoo goed als niet in plenaire zitting saamgekomen, sinds we ons laatste woord er over schreven. Dat hangt samen met eon nieuwe werkwijze, die aangenomen is, en die, als ik 't goed hegrijp, nog een heetje geprobeerd moet worden. Vroeger werd meestal dadelijk in plenaire zitting vergaderd, en intusscheii kwamen dan de commissies samen, om onder de bedrijven door, zoo goed en kwaad als 't ging, de haar in studie gegeven stukken te onderzoeken, en vooraf er over te beraadslagen, waarna dan een rapport werd opgesteld, dat ter synode werd ingediend ter afhandeling. Natuurlijk was 't dan wel eens moeilijk, altijd zooveel onderwerpen intijds klaar te hebben in de commissies, dat regelmatig de tafel der synodezitting in pleno kon voorzien worden van genoegzame agendapunten. Daarom is thans getracht, eerst wat meer tijd te reserveeren voor de commissies, opdat na opening der plenaire zitting wat meer schot in 't werk zou kunnen komen.

Of de nieuwe methode bevallen zal, moet nog blijken.

„Verplaatsing" van predikanten.

Een novum! Predikanten verplaatsen, gaat dat? Strookt het met het bestaande kerkrecht? En met de gangbare opvattingen inzake den zeer intiemen en eigen-aardigen band tusschen kerk en predikant!

Hier liggen, ieder voelt dat, groöte moeilijkheden, niet alleen van kerkrechtelij ken aard, maar ook uit een oogpunt van goede tact en fijngevoeligheid.

Aan den anderen liant voelt ieder de nioeilijltheid van den huidigen toestand. Het beroepingswerk is in de laatste jaren grootendeels gestremd; en dat geeft allerlei bezwaren, waarvan de meeste nimmer onder woorden worden gebracht, tenzij in het bidvertrek of in vertrouwelijke sfeer. Er zijn gevallen, waarin het èn voor een kerk èn voor een predikant bevorderlijk zou zijn, indien langs den gewonen weg van een beroep het bloed kon worden ververscht. Vroeger waren daarvoor de banen gemakkelijk te openen; thans gaat dat moeilijk, juist ook waar het op gang brengen i van den wagen schier onmogelijk was voor gegadigden; één fout, hierbij gemaakt, brengt schade in stee van baat, en doet denken aan een medicijn, dat erger dan de kwaal heeten moest.

De kwestie is in de jaren '36—'39 bestudeerd; en algemeen was ter synode de indruk, dat het ingediende rapport de moeilijkheden op kerkrechtelijk gebied had weten te ontzetten. Vanwege het „hiërarchisch luchtje", dat aan het woord „verplaatsing" iiangt, is het door prof. Greijdanus voorgeslagen woord „verwisseling" in de bespreking naar voren gebracht als juister weergave van de bedoeling der commissie; dit woord is ook later officieel vastgesteld.

Zoo kwamen volgende conclusies in stemming en werden aangenomen:

Uw commissie beveelt der synode op dien grond aan, aan lierken en dienaren des Woords te adviseeren, conform de voorgestelde conclusies van het rapport naar de volgende regelen te handelen:

I. Indien twee kerken en haar dienaren des Woords door onderlinge samenspreking tot overeenstemming inzake de verwisseling van predikanten gekomen zijn, gaan deze kerken op denzelfden dag over tot de beroeping van eikaars dienaren des Woords en ontvangen later op deze wijze van beroeping de approbatie der classis.

n. Aan de particuliere synoden wordt door de generale synode aanbevolen elk twee deputaten ad art. 49 K.O. aan te wijzen, tot wie de kerken en (of) dienaren des Woords zich kunnen wenden als tot vertrouwensmannen, om in gevallen als bovengenoemd van raad en bijstand te dienen.

III. De bedoelde deputaten van een particuliere synode kunnen zich verstaan met die van een ander ressort, opdat verwisseling tusschen kerlien uit verschillende ressorten desgewenscht worde bevorderd.

Bij een enkele, ook bij mij, was er even een klein bezwaar in zake punt II: daar worden twee vertrouwensmannen aangewezen uit een kring van deputaten, die toch tezamen gekozen zijn als mannen, aan wie men vertrouwen gaf. Aan den anderen kant legde men er den nadruk op, dat dergelijke zaken zoo voorzichtig en teer mogelijk moeten behandeld worden. En waar uiteraard (zie II) de kerken geheel vrijgelaten worden, en zij deputaten slechts betioeven te raadplegen, indien zij willen, daar was mijn bezwaar niet overwegend.

Of deze maatregel algemeen ingang vinden zal? De tijd zal 'tleeren. Moeilijkheden blijven er genoeg, en die zie ik liggen niet zoozeer aan het einde, doch aan het begin van den weg, dien men hier zou dienen in te slaan. Maar al zijn er bezwaren, indien door wie het aangaat, in dezen „voor God" gehandeld wordt, kan de gegeven vingerwijzing sommigen kerken en predilcanten profijtelijk zijn.

Vraagt men zich tenslotte af, wat van de genomen beslissing de uitwerking zal zijn, dan zal het antwoord van velen wel eenigszins sceptiscli zijn; zoo was het tenminste ook in de wandelgangen der synode zelf. In 't algemeen reeds zullen de inleidende besprekingen en vooral ook het gebed in een vergadering, waar een beroep wordt uitgebracht op een dominee, van de andere plaats, en waarin tevens er op gerekend wordt, dat de predikant van de eigen kerk dien zelfden avond in de andere beroepen wordt, geheel anders luiden dan in gewone gevallen. De spanning is er uit weg; men beroept een ander, op een tijdstip, waarin een vacature feitelijk nog niet bestaat. De „toezegging van beroep", een figuur, die elders reeds een officiëele kerkrechtelijke plaats verkreeg, zal in zulke gevallen ooli bij ons in feite de plaats van een beroep innemen. Officieel wordt de beroepen predikant nog wel „gevraagd", over te komen; maar het vragend karakter is aan de vraag feitelijk ontnomen. Wie zou bedanken, zou spelbreker zijn.

Ook voor den beroepsbrief moeten nieuwe formuleeringen worden gevonden. Zeker, de tekst van den beroepsbrief is in elk bepaald geval weer vrij; evenals de tekst van een attestatie. Maar dat het gewone concept hier geen dienst kan doen, - is duidelijk. „De kerkeraad... wenschende over te gaan tot vervulling der bestaande vacature, opdat de gemeente te dezer plaatse weer voorzien mocht worden van een nieuwen bedienaar des Goddelijken Woords"..., de zin past niet meei', want er is geen vacature. Hij (de kerkeraad) „komt tot U met de bede, dat Gij deze beroeping naar zijne gemeente in ernstige overweging moogt nemen, en bij aldlen dit de leiding des Heeren met u zijn mag, haar moogt opvolgen...", ook deze volzin past niet meer, want de ernstige overweging is al geschied, het resultaat is bekend, en feitelijk kan men niet meer terug.

De spanning is er niet meer.

Ze is alleen maar verlegd. Verlegd naar een tijdstip daarvóór, n.l. naar de vergadering, waar men besluiten moet, den voorgeslagen weg ook werkelijk op te gaan. Geen kerkeraad zal zonder de gemeente te raadplegen hier Iets willen doordrijven. Stel nu, dat op een gemeentevergadering te A bezwaren rijzen tegen den dominee van B, en dat de zaak niet door kan gaan, zal dan de positie van den predikant zoowel van A als van B niet enorm verzwaard worden? Men hoopt zorgen weg te nemen, maar het gevaar, dat ze tot blijvend levensleed aangroeien, ligt voor- de deur.

Wij merken dit niet op, om de genomen beslissing te wraken; daarvoor zijn we te sterk overtuigd, dat, indien er een goede methode te vinden is, wisseling van standplaats in bepaalde gevallen uitkomst geven kan. En ook, dat de rapporteerende commissie het mogelijke gedaan heeft, om Scylla en Charybdis te ontzien. Maar" de methode' is een gróote moeilijkheid. En dat werd in de synode ook wel algemeen gevoeld, naar

we meenen. We vermoeden, dat ons volk èn & si.n d gewone gangen van ons kerkrecht èn aan zijn algemeene waardeering van den „gemoedelijken" factor in een beroepingsacte en haar beantwoording zoozeer verknocht is, dat het heel moeilijk zijn zal, een voorziening, als in de genomen beslissing mogelijk gemsiakt is, zóó te treffen, dat de eerbied blijft, het gebed een offer der dankbaarheid en een oprechte smeeking wordt, en de oprechtheid gehandhaafd wordt. Mede daarom vermoeden velen, die men zoo eens er over sprak, dat er wel niet veel veranderd worden zal, ook al ligt er nu deze beslissing.

De „meeningsverschil1en"

De predikanten den Boeft, de Vries (F.), Telder en Westerink hebben de synode een brief geschreven, waarin zij de synode berichten, dat zij het nog steeds uit kerkrechtelijke en andere overwegingen verkeerd achten, dat de kwestie der bekende „meeningsgeschillcn" aan de orde gekomen is. Zóó'-als dat in '36 besloten i s (zonder eenige klacht of aanklacht uit de kerken ineens maar de kerken laten handelen over „leergeschillen", zulks naar aanleiding van het feit, dat er onzekerheid is in betrekking tot opvattingen, die van de gangbare leeringen afwijken). Adressanten meenden, dat de synode wijs zou doen, indien zij terugkwam op de in '36 genomen beslissing, en daarom de ingediende rapporten ter zijde legde.

De voorbereidende commissie had als volgt geconcludeerd:

Aangezien in de missive van Ds F. A. den Boeft CS. geen enkel argument wordt bijgebracht, dat niet door de synode te Amsterdam 1936 voor haar besluit Acta art. 212, onder de oogen is gezien, stelt de Commissie de synode voor, om aan het verzoek in deze missive vervat, niet te voldoen.

Zeer kort is de bespreking geweest, die hierop volgde. Ds Duursema, die ook zelf in '36 tegen den gang van zaken bezwaren had, meende, dat het thans uit practische overwegingen wel niet mogelijk zou zijn, thans heel de zaak weer ter zijde te stellen: de rapporten zijn trouwens nog niet eens in plenaire synode ter sprake geweest. Hij wilde evenwel even zijn stem doen hooren, opdat adressanten niet den indruk zouden krijgen, dat hun opmerkingen naar haar zakelij ken inhoud zonder instemming zouden zijn aangehoord. De praeses constateerde, dat er wel meer synodeleden zouden zijn, die aldus zuchten, en dat ds Duursema wel als hun woordvoerder mocht worden aangemerkt.

Ook ondergeteekende wilde zich even uitspreken. Want dit feit, dat ondergeteekende zelf lid is van de rapporteerende commissie, zou den indruk kunnen vestigen, alsof hij het eens was met het aangevoerde motief. En dat was geenszins het geval. Het door de rapporteerende commissie aangevoerde motief is, vrij vertaald: we hebben uw argumenten al aangehoord, er is geen nieuw argument vernomen, we praten dus niet langer over' de zaak. Naar mijn meening is dat uit een oogpunt van gereformeerde ethiek een gevaarlijke redeneering. Als God mij beveelt, mij te bekeeren van een verkeerde houding, zijn de „argumenten", die mij tenslotte treffen, altijd oud: ze hebben mij ook willen treffen, toen ik niet hoorde. Men moet niet vragen, of een aangevoerd argument al overwogen is, doch of het goed ovei'wogen en beantwoord is. Anders zou het zelfonderzoek gauw stranden.

Men legge deze opmerking niet verkeerd uit. Het gaat thans niet om een beoordeeling van '36 (op dat punt is mijn meening wel bekend). Het is me alleen er om te doen, te doen zien, dat het aangevoerde motief onjuist is, en in andere gevallen gevaarlijlc kon werken.

Het was trouwens in dit bepaalde geval ook niet geheel ad rem. Want behalve de algemeene bezwaren, die reeds meer genoemd zijn, hebben adressanten ook feiten bijgebracht, die eerst na '36 bekend geworden zijn; ze wezen b.v. er op, dat in „De Heraut" na '36 inzake de meeningsgeschillen van den staat der geschillen een teekening gegeven is, die optimistischer klinkt, dan vroeger vaak het geval geweest is. En er was nög een punt, dat als illustratie nieuw was, als ik me wel herinner. Toen adressanten opmerkten, dat ds den Routing in '36 terecht had gezegd, dat niet alleen nieuwere, doch ook de gangbare meeningen zelf moesten onderzocht worden, wezen ze er op, dat het openbaringsbegrip ook in discussie gekomen is: er zijn in de kerken te dien aanzien meeningen ingedragen — en dat reeds geruimen tijd — welke van die der ouderen stellig afwijken.

Het was mij persoonlijk overigens voldoende, even vast te- leggen, dat ik het met de motiveering der rapporteerende commissie niet eens was. Overigens is ook mijn meening, dat het in de gegeven omstan-' digheden niet wel doenlijk was, de heele zaak aan den kant te zetten. Er zijn breede rapporten ingediend, er is onrust gewekt; en als nü de zaak werd afgevoerd van het agendum, nog voordat er in de synode over gesproken heeft kunnen worden, dan zou de onrust niet worden weggenomen. We hebben in de laatste jaren kunnen zien, wat er zooal aan misverstand is kunnen rijzen, mede ten gevolge van een onvoldoende „combineeren en deduceeron". Ik vrees, dat de misverstanden blijven zouden, indien niet op de zaken zelf werd ingegaan.

Rapporten terzijde leggen — zeker, dat kan wel. Het is al eens eerder gebeurd: men denke aan de kwestie van het Kamper promotierecht. Maar dat is toen gebeurd na breedvoerige bespreking. Deze herinnering is ook voor de onderhavige materie niet zonder beteekenis. Indien thans vóórdat nog een. woord aan de zaak zelf gewijd was, heel de aangelegenheid zou worden ad acta gelegd, bleven de moeilijkheden.

"Voor adressanten is het overigeïis bemoedigend, dat de praeses vastlei, dat ds Duursema's welwillende beoordeeling van hun bedoeling wel zou mogen gelden als repraesentatief voor meerderen, die in '36 het niet eens waren met de gevolgde methode. Het geldt ook voor ondergeteekende, die door bedoeld stuk al evenzeer verrast was als ieder ander.

Zending,

Veel is aangaande de Zending reeds afgehandeld. Zendingsblad en Zendingskalender kregen daarbij een extra beurt, en bleken voor de Zending een prachtige en onmisbare bron van inkomsten: dank zij de voortreffelijke organisatie hebben beide een enorm aantal abonné's. Dankbaar werd dit geconstateerd; en gehoopt, dat de inkleeding van het blad de belangstelling voor de Zending bij de gemeenteleden nog meer zou kunnen wekken. Ouderling Zuidema gaf overigens in overweging inzake den Zendingskalender nog eens om te zien naar een andere regeling; hij meende, dat de oplaag zóó groot was, dat er allicht nog meer „honig" uit te puren zou zijn. Met de gemaakte opmerkingen zal gerekend worden, al was de zaak zelve reeds bestudeerd; ds Breukelaar liet even zien, dat dit terdege geschied was.

Madioen.

Door het Nederl. Zendelinggenootschap is aan de Geref. Kerken gevraagd, het Zendingsterrein Madioen over te nemen, wijl men het niet meer kon behartigen. Het terrein zelf werd uiterst belangrijk geacht. Geadviseerd werd, deze zaak nader in studie te nemen, en naar bevind van zaken te handelen. Algemeen werd het belang der zaak gevoeld: geven de protestanten dit terrein prijs, dan zullen de roomschen, die toch al zoo graag van andermans werk profiteeren, er beslag op leggen. Ook onze Zending zou daarvan schade lijden, gelijk de praeses opmerkte. Het betreft een belangrijk deel van Java, dat helaas door anderen vroeger wel stiefmoederlijk behandeld is. Wat Rome betreft, dr Kaajan meende, dat het „roomsche spook" wel mee zou vallen: Rome profiteert graag van wat landeren deden, en juist in Madioen is de arbeid der protestanten tot nu toe onvoldoende geweest. Kan er nog een weg gevonden worden, dan zou dat inderdaad aanbeveling verdienen. Utrecht—Gelderland ziet geen kans er toe, volgens dr Kaajan. De samenwerking tusschen beide provincies kan nog geen plaats maken voor splitsing zóó, dat één der twee Madioen zou overnemen. Kunnen anderen het wel, dan graag. Temeer, omdat, als anderen (b.v. de roomschen) zich op het terrein werpen, een wig zou kunnen worden gedreven tusschen Oost- en Midden-Java, hetgeen den bestaanden arbeid en de behaalde resultaten maar zou beschadigen. Ds Breukelen achtte elke mogelijkheid niet afgesneden. Besloten werd:

1. Aan de te benoemen deputaten op te dragen aan het Nederlandsch Zendeling Genootschap te berichten, dat de mogelijkheid der overname van Madioen in overweging is en de beslissing daarover zoo spoedig dit mogelijk is, zal worden gemeld;

2. te onderzoeken of het mogelijk zou zijn, dat een kerk hier te lande of in Indië, in samenwerking met andere kerken, Madioen als zendingsterrein zou kunnen aanvaarden, des noodig met eenigen steun uit de Generale Kas, tot ten hoogste f4000, — per jaar, tot aan de eerstvolgende generale synode on onder bepaling, dat die steun geleidelijk zal moeten dalen;

3. indien het, inzonderheid uit financieel oogpunt, ook maar eenigszins mogelijk blijkt, dat Madioen kan worden overgenomen, dit namens de generale synode aan het Nederlandsch Zendeling Genootschap te berichten en voorts alle maatregelen te treffen, die voor die overname noodig zullen blijken;

4. wanneer onverhoopt overname van Madioen niet mogelijk blijkt, aan het Nederlandsch Zendeling Genootschap namens de generale synode mede te deelen, dat de Zending der Gereformeerde Kerken Madioen niet als zendingsterrein kan overnemen.

Lectuur dienst.

Prof. Bavinck rapporteerde over de kwestie van lectuurverspreiding in Ned.-Indië. In het algemeen is het in Indië al moeilijk, de wegen te vinden, waarlangs christelijke lectuur kan worden verspreid. Dat legt al dadelijk een struikelblok op den weg van evangelisatie en zending. Aan den anderen kant is lectuurvoorziening (hollandsch, javaansch, maleisch) voor de Zending van hooge waarde. Men gevoelt behoefte aan verspreiding van brochures, nederlandsche geschriften, van bijbelboeken met aanteekeningen, enzoovoort. De leiding van een en ander neemt ook veel tijd („De Zaaier"), misschien moeten wel predikanten voor een deel van hun gewonen arbeid worden ontslagen ten bate van dit werk. Gaarne droeg de synode aan zendingsdeputaten op, hier voorzieningen te treffen. Er wordt mooi werk geleverd; we denken in dit verband ook aan de door dr F. L. Bakker ondernomen revisie der Javaansche bijbelvertaling, die wel de lectuurverspreiding nog niet rechtstreeks raakt, maar toch straks des te meer dit doen zal.

Bescherming Zendingscorporaties.

De hardnekkige roomsche pogingen om in de Zending (missie) een ander eerst de scherpe punt te laten afbijten (wat den meesten tijd en de zwaarste offers kost) kwamen reeds hierboven ter sprake. Geen wonder, dat gevraagd werd, of hier niets tegen te doen is. Maar — wie weet hier een weg? De overheid er in mengen? Maar die rietstaf kon wel eens de hand doorboren van wie er op leunt. Prof. Greijdanus waarschuwde hier tegen alle overheidsinmenging, tenzij natuurlijk in gevallen waarin Rome de wet overtreedt. De rapporteur, prof. Bavinck, stemde toe, dat Hier voorzichtigheid ge-

(Zie vervolg op blz. 396.)

boden is, maar duchtte geen ernstige moeilijkheden; de regeering moet reeds thans gekend worden in den aanpak der Zending; en men kan, waar het b.v. over regeei'ingssubsidie gaat, toch wel verwachten, dat zij zal willen regelen, zonder in te grijpen op de rechten der Zending zelf.

Na eenige discussie is uitgesproken,

a. dat het in het algemeen genomen niet gewenscht moet worden geacht, de bescherming der Regeering in te roepen tegen de schade, die op het zendingsveld wordt ondervonden door het binnendringen van andere zendingsacties;

b. dat evenwel in concrete gevallen, waarin materieele schade wordt aangebracht door de concurreerende actie van de Roomsch-Katholieke Missie of van eenige zendingscorporatie, een beroep op de Regeering kan worden gedaan om regelend op te treden.

Eenheid.

Nog steeds zijn volgens opdracht van '36 deputaten diligent ter zake van de bevordering der eenheid tusschen belijders van gereformeerde overtuiging. Bizonder ten aanzien van de Chr. Geref. Kerk is de begeerte tot samenspreking levendig; men weet evenwel, dat van de zijde dier kerk werd medegedeeld, dat ze geen redelijke mogelijkheid tot hereeniging ziet, weshalve zij thans tot geen samenspreking bereid was. Over deze zaak is thans weer gehandeld. Deputaten hebben afgezien van schriftelijke gedachtenwisseling over de van chr. geref. zijde ingebrachte bezwaren. Ze zien daarin weinig heil. Mondelinge samenspreking zou soepel kunnen zijn; schriftelijke gedachtenwisseling dunkt hun evenwel te stroef, en wordt h.i. licht aanleiding tot nieuwe misverstanden.

Iets meer contact is mogelijk gebleken met gereformeerde belijders uit de Ned. Herv. Kerk. Men was unaniem van oordeel, dat officieus contact te zoeken is en blijft; het is dan ook reeds tot stand gekomen, al zal het voorloopig wel niet lelden tot officieel contact.

Publicatie van de met de Chr. Geref. Kerk gewisselde of onzerzijds nog te wisselen stukken, wordt door deputaten aanbevolen. Reeds werden ter synode deze stukken gelezen. Daaruit blijkt, dat onzerzijds aan de Chr. Geref. Kei'k is gezegd, dat ons verzoek niet direct een poging tot kerkelijke samenleving was, doch alleen maar een vraag om eens te spreken over bezwaren, en mogelijkheden, meer niet. Wat kon daar nu eigenlijk tegen zijn?

De synode der Chr. Geref. Kerk heeft daarop geantwoord, te blijven bij haar meening, dat een samenspreking geen nut zou hebben. Principiëele redenen waren oorzaak van scheiding; deze moeten eerst uit den weg. Voor de Chr. Geref. Kerk zijn die bezwaren onoverkomelijk.

Onzerzijds zou nu volgens deputaten weer te antwoorden zijn, dat wij tot samenspreking altijd bereid zijn, en de verantwoordelijkheid voor het viitblijven daarvan voor rekening der Chr. Geref. Kerk gelaten wordt.

Prof. Kuyper rapporteerde weer nader over deze aangelegenheid, waarover ds den Routing eerst mededeelingen had gedaan. De commissie, waarvan prof. Kuyper de woordvoerder was, stelde (behoudens één punt, dat later gewijzigd is) het volgende voor:

1. Deputaten dank te zeggen voor den door hen verrichten arbeid en aan dien arbeid de goedkeuring der Synode te hechten;

2. haar leedwezen uit te spreken, dat de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk niet bereid is geweest, aan het verzoek van Deputaten tot een saamspreking over de bezwaren door haar ingebracht te voldoen en de desbetreffende correspondentie in de Bijlagen der Acta dezer Synode op te nemen;

3. aan de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk alsnog een schrijven te richten, zooals dit door Deputaten is voorgesteld;

4. de Deputaten te continueeren met de opdracht om, a. wanneer de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk alsnog zich bereid mocht verklaren een saamspreking over de ingebrachte bezwaren te houden, deze met haar, of de door haar daartoe gemachtigde Deputaten te houden;

b. te bevorderen, dat het officieuze contact, dat verkregen is met vooraanstaande broeders, die de Gereformeerde belijdenis lief hebben in de Hervormde Kerk, worde voortgezet;

c. een dergelijk contact ook te zoeken met andere in aanmerking komende Gereformeerde belijders in ons vaderland, teneinde de eenheid der Gereformeerde belijders te bevorderen.

Het voorstel vond algemeene instemming. Enkele synodeleden, onder wie ik zelf, wilden tot het uiterste gaan, en indien eveneens de a.s. synode der Chr. Geref. Kerk zou blijven staan op schriftelijke onderhandeling, dan desnoods ook tot zulk officieus schriftelijk contact de deputaten te machtigen. Persoonlijk meen ik met deputaten, dat in d i t stadium mondeling contact alles vóór heeft; en ik geef hun gelijk, als zij van hun kant opmerken, dat, nu het nog maar gaat om een allereerste toenaderingspoging, mondelinge onderhandeling verreweg de voorkeur heeft. Maar indien men van chr. geref. zijde niet anders wil? Men zou toch tot het uiterste kunnen gaan? Ook wijl langs den weg van schriftelijke afbakening van de verschillen allicht velerlei misverstand, een gevolg dikwijls van verwarring tusschen de meening van gereformeerde theologen en de belijdenis onzer kerken, een einde zou kunnen nemen.

Evenwel, al waren er vrij veel synodeleden vóór, deze concessie te doen, een meerderheid kon de geopperde gedachte niet halen. En zoo is aanvaard, wat we hierboven opnamen; de aangebrachte wijzigingen hebben we reeds verwerkt.

Medische dienst.

Over de Zending werd uitvoerig gesproken; het is te veel, om er hier uitvoerig over te spreken; temeer, omdat het geheel zoo'n uitgebreid materiaal vormt, en in zoo'n snel tempo werd afgewerkt, dat het voor een normaal mensch onmogelijk was „indrukken" op papier te zetten. 'Voordat zich één indruk gezet had, kwam een andere alweer den eersten verdringen.

Eén punt trok evenwel bizondere aandacht: de medische dienst op het zendingsterrein. De opmerking werd gemaakt, dat die medische dienst, die toch steeds hulpdienst moet blijven, zich meer en meer uitbreidt, hetgeen wel betrekkelijk gemakkelijk gaat, maar dan ook des te eerder het gevaar beloopt, haar karakter van hulpdienst te verliezen. Dat is natuurlijk van beteekenis voor de doorwerking van de zendingsprediking zelf; steeds dient ook voor den heiden dufdelijk te blijven, dat de prediking van Gods Woord in alles vooropgaat. En, afgedacht daarvan, is ook de financiëele factor van geen geringe beteekenis: we leven in moeilijke omstandigheden en dienen voorzichtig te zijn; uitbreiding is gemakkelijk geschied, doch als er financiëele debacles zouden komen tengevolge van den intei'nationalen toestand, zouden we voor eigenaardige moeilijkheden kunnen komen te staan.

Algemeen vond deze gedachtengang instemming. Daarnaast evenwel werd dankbaar geconstateerd, dat een groot stuk van die uitbreiding daardoor wordt mogelijk gemaakt, dat geneesheeren, die particuliere practijk oefenen, de daaruit gewonnen baten besteden ten gunste der uitbreiding van den medischen arbeid der Zending zelf. Zoo wordt op prachtige manier menige zegen ons in den schoot geworpen. Tevens wordt de onderscheiding tusschen zorg voor de volksgezondheid en de door de Zending bedoelde belooning van Christus' barmhartigheid daardoor geaccentueerd, al mag ze natuurlijk nimmer tot een scheiding worden.

Het was een interessante bespreking: ze deed even zien, welke gevaren hier dreigen, maar ook welk een zegen hier genoten wordt.

En ze accentueert weer eens, hoe zeer het „heidendom" op het „christendom" althans hierin gelijkt, dat zorg voor het lichaam eerder en beter gehonoreerd wordt, dan geestelijke arbeid. Als de geneesheeren uit de inkomsten der particuliere practijk hun hospitaal etc. kunnen uitbreiden, en de predikanten niet, dan is dat geen bewijs, dat laatstgenoemden minder traag in het benaarstigen zijn, doch dat hun hulp van de zijde van wie ze ontvangen, onbetaald blijft, hetgeen met geneesheeren des lichaams wel wat anders is. Tout comme chez nous; we kunnen aan de Javanen en Soembaneezen niet zeggen, dat wij het beter doen dan zij.

K. S.

Lnchtbescheiming.

Nu de oorlog een feit geworden is, wordt in vele plaatsen in Nederland hard gewerkt om den plaatselijken Luchtbeschermingsdienst in gereedheid te brengen. In de dagbladen kan men geregeld lezen van verduisteringsproeven, die genomen zijn en van voorzorgsmaatregelen, die getroffen moesten worden om in geval van nood allerlei diensten doeltreffend te kunnen verrichten.

De burgerlijke Luchtbeschermingsdienst in steden en dorpen zorgt evenwel alleen voor het helpen en verzorgen van gewonden en getroffenen, voor het blusschen van door bomaanvallen ontstane branden, voor het opruimen van puin, voor het ontsmetten van door gas gevaarlijk gemaakte wijken, enz.

De wijze, waarop in geval van levensgevaar, bij ernstige verwondingen enz. door de predikanten en geestelijken hulp kan worden verleend, moet door de verschillende kerkformaties zelf worden onderzocht.

In Deventer hebben afgevaardigden van eenige kerkformaties met elkander en met het hoofd van den plaatselijken Luchtbeschermingsdienst contact gezocht en is men tot een voorloopige regeling gekomen.

Het kan dienstig - zijn met het oog op te treffen regelingen in andere plaatsen, hiervan een korte uiteenzetting te geven.

We gaan daarbij uit van de veronderstelling, dat de burgerlijke Luchtbeschermingsdienst in de meeste plaatsen van ons land wel op ongeveer "dezelfde wijze zal zijn georganiseerd. De stad is verdeeld in een aantal wijken. Elke wijk heeft een post, waar al de berichten omtrent ongevallen en gewonden gemeld moeten worden. Op dezen post wordt zorggedragen voor doorzending van deze berichten naar den hoofdpost. Op den hoofdpost komen dan berichten uit alle deelen van de stad binnen. In overleg met het hoofd van den Luchtbeschermingsdienst zullen nu in geval van luchtgevaar een aantal vertegenwoordigers van de verschillende kerkformaties bij toerbeurt op dezen hoofdpost zitting • nemen om te noteeren waar bezoek van een predikant of geestelijke gewenscht is. In Deventer wordt voor de bezetting van dezen post om beurten gezorgd door een lid van de R.-K. Kerk, van de Ned. Herv. Kerk en van de Geref. Kerk. Andere regelingen zijn natuurlijk ook zeer wel mogelijk. Deze personen waarschuwen door middel van ordonnansen, die door het hoofd van den Luchtbeschermingsdienst hem ter beschikking gesteld worden, ten spoedigste den geestelijke of den predikant, wiens komst begeerd wordt. Alle kerkformaties behouden dan hun volle zelfstandigheid. Ze werken echter in zooverre met elkander samen als gewenscht geacht moet worden, met het oog op het verleenen van geestelijke hulp in tijden, waarin deze hulp op normale wijze niet ingeroepen en gebracht kan worden. Uit de verschillende kerkformaties zullen zicH dan een aantal jongemenschen beschikbaar moeten stellen, die bekend zijn met de adressen der predikanten en die opgeleid kunnen worden voor ordonnans, om in geval van nood actief op te treden.

Het zal noodzakelijk zijn, dat de predikanten voorzien worden van een legitimatiebewijs, dat door het hoofd van den dienst wordt uitgereikt, zoodat op grond van dit bewijs ten allen tijde overal toegang kan worden verkregen. Ook zal het vermoedelijk noodig zijn, dat de predikanten bekend zijn met het dragen van een gasmasker en met de verschillende voorzorgen, , die in acht genomen moeten worden bij het betreden van besmette gebieden.

God gqve, dat luchtbombardementen nimmer over onze steden en dorpen komen.

Maar we moeten toch vooral in dezen tijd paraat zijn! Ook als kerken moeten we aan deze dingen denken en ons er op beraden, wat gedaan kan en moet worden.

Het is zeer waarschijnlijk, dat aan de inschakeling van predikanten en geestelijken bij den Luchtbeschermingsdienst op niet veel plaatsen gedacht is.

De berichten, die althans van R.K. zijde werden ontvangen, wijzen er op, dat men in menig geval aan dit punt nog niet veel aandacht gewijd heeft.

Laat men dan ten spoedigste met elkander contact zoeken en een regeling uitwerken, waardoor de voorziening van bezoek van geestelijken en predik-anten ingeval van luchtgevaar, zoo goed mogelijk gewaarborgd blijft.

H. M.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

We zijn dankbaar, ook deze week een bijdrage voor dit mooie doel te kunnen verantwoorden. 'Van D. K. te K. kwam een gift binnen van ƒ 1, —, overgeschreven op prof. Schilder's gironummer: 127278.

L. DOEKES.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XV.)

72. Kan iemand, die geen goede werken doet, met het waar geloof begaafd, rechtvaardig voor God gijn?

Dat is onmogelijk. Want alleen zij zijn kindei'en Gods, die door den Geest Gods geleid worden. Ook is het onmogelijk, dat de ware dankbaarheid jegens God het waar geloof niet volgt.

73. Welke .is die dankbaarheid?

De ware bekeering tot God en de vruchten van deze bekeering.

7-^. Wat is de bekeering?

De dooding van den ouden on de levendmaking van den nieuwen mensch.

75. Wat is de dooding van den ouden mensch?

Het is van harte leeddragon, omdat wij God door onze zonden beleedigd hebben, en daarom ze dagelijks meer verfoeien en vlieden.

76. Wat is de levendmaking van den nieuwen mensch?

Het is rusten en blijde zijn in God, die (met ons) verzoend is door Christus, en dagelijks meer ontstoken worden om de heiligheid en rechtvaardigheid te betrachten.

77. Blijven er toch nog zonden overig in de geloovigen?

Er blijven in alle heiligen, zoolang zij op aarde leven, nog zeer vele en zeer groote zonden over, n.l. gebreken, die zij met hun geboorte meebrengen, en kwade nelgingen; ook vele zonden van onwetendheid en zwakheid; , hiertegen worstelen zij gedurende hun geheele leven in de waarachtige bekeering tot God; waarom hun deze zonden niet toegerekend worden; en hun aangevangen gehoorzaamheid behaagt God om Christus' wil; en zij volharden in geen zonden tegen hun geweten. Want hoereerders, afgodendienaars, overspelers, dieven, gierigaards, dronkaards, lasteraars, roovers, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.

G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1939

De Reformatie | 8 Pagina's