GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Laat Paulus' „parel" in de keten (Over de liefde!)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Laat Paulus' „parel" in de keten (Over de liefde!)

15 minuten leestijd

Amice,

Je hebt natuurlijk gehoord van de Paulus-herdenking. Ik weet niet goed hoe het moet met de David-, de Jesaja-, de Bzechiël-, de Mattheus-, de Johannes-, de Jacobusherdenking. En zoo voort. Je moet me niet vragen, waarom wij wel in „De Reformatie" Hendrik de Cock en niet Paulus zouden herdenken. Want van den één weet ik den geboortedatum, van den ander niet. Bovendien krijgen we van den één niet veel geschriften te lezen, en van den ander hooren we zoo goed als dagelijks wat uit zijn eigen brieven. Maar dat is niet eens de kwestie, die mij een beetje dwars zit. Die is alleen maar met deze vraag getypeerd: waarom Paulus en niet de andere bijbelschrijvers? Zie jij kans, den één gewichtiger te laten schijnen dan den ajider? En durf jij dat aan? Ik niet.

Maar we laten die vraag rusten.

Je hebt misschien gelezen, dat er bij die verschillende getuigenissen aangaande Paulus' werk gesproken is over „de liefde".

Geen wonder. Als je Paulus eenmaal als leverancier van bijdragen aan de „christelijke letterkunde" ziet, dan komt vanzelf ook dat beroemde „gedicht" van 1 Cor. 13 aan de beurt. Van Vondel ken je allicht een rei; van Schaepman het lied der puinen uit Aya Sofia; van Paulus het „hooglied der liefde", 1 Corinthe 13.

Hoe vaak word je , , daar niet bij bepaald" ? Niet van binnenuit, doch van buiten af? De liefde! Het is een schoone „parel", dat mooie 1 Corinthe 13. Je hóórt het allerlei welmeenende menscheu zeggen.

En toch —

Geloof jij ook niet, dat toch heel vaak dat mooie lied wordt misverstaan?

Ik geloof het wel ter dege.

En ik wou wel eens met je praten over de vraag: hoe komt dat? Want jij zult in je leven — je hebt, als het goed gaat, meer jaren voor den boeg dan ik — je zult in je lange leven erg vaak met 'n vingerwijzing naar 1 Cor. 13 worden — opgewekt? o neen, maar: afgepoeierd. Tenminste, als je blijft waar je wezen mag. Wij staan nu eenmaal in een kwaden reuk. Men zegt, dat wij objectivisten zijn, en verschrikkelijk hoogmoedig. En dat we zoo koppig op ons stuk staan, en met geen mensch willen samenspreken. Een circulaire over dat puntje is al weer in zee, hoewel mr Roeleveld in ons blad twee weken geleden nog duidelijk aangetoond heeft, dat de synodocraten van 1944 welbewust nog geen letter veranderd hebben, en er wel voor oppassen ook! En zoo zul je, zoowel nu, als later, telkens weer moeten vernemen: man, jullie hebben niet lief. Die schoone parel van dat nieuwtestamentische hooglied-der-liefde, die laten jullie maar werkeloos in het bijbel-étul liggen.

Mag ik je nu een vrienden-raad geven?

Als ze dat weer tegen je' zeggen, antwoord dan eens: m'n beste man, als jij klaagt, dat ik die parel In het étui laat liggen, wel, doe jij haar dan eens om den nek, om je hals.

En als je partner je dan een beetje zonderling aan kijkt, vul dan je al te korte woord maar aan met het zeggen: dat een mooie parel toch in een parelketen moetzitten, op haar plaats tusscheu de andere, met wie ze samen één keten maakt? Tenminste, als ze niet in een étui mag blijven liggen, wat ook wij „zonde-en-jammer" moeten blijven vinden.

Misschien dat je gesprekscoUega zich dan eens achter het oor krabt, en denkt: nou wil hij zeker, dat ik het hoogUed-der-liefde met wat anders in verband zet. Dat heeft hij dan goed begrepen.

Dan gaat hij prakkiseeren: waarmee in verband zetten ? Met geloof en hoop soms? Dat zijn toch de bekende drie: geloof, hoop, en liefde? Maar dan zal hij pardoes tegen jou uitvallen: je hebt het toch maar mis, goeie vriend; want Paulus zélf zegt: de meeste van die is de liefde. Ik kan dus geloof en hoop wel hoog aanslaan, daar niet van, maar Paulus blijft Paulus, en Ik houd het met hem: de liefde is de meeste. Je kunt, als ik die maar heb, van mij dat geloof en die hoop, nu ja, 't is een raar woord, maar dan toch zoo iets als „cadeau krijgen". Wat heb je aan geloof-zonder-lief de ? Of aan — maar hier aarzelt je vriend even; let maar eens op als je hem aan den tand voelt —, of aan: hoop-zonder-liefde?

Hij zal, zei ik, dit laatste een beetje aarzelend zeggen; misschien wou hij het wel inslikken, als hij durfde, maar hij heeft nu eenmaal van geloof-zonder-llefde zóó hard gesproken, dat hij, wil hij consequent schijnen, het óók wel moet durven van hoop-zonder-lieffle.

Een tikje jammer vindt hij het toch wel, want in vele kringen hebben ze hem wel geleerd, dat dat gelóóf — met al die ruzies over kerk en dogma — zonder liefde niet veel waard is, maar de christelijke hóóp, ja, daar praten ze een beetje anders over. Want , , hoop" is zoo'n téér woord. En het wonderlijke is — zoo redeneeren ze daar — dat, als je van de hoop praat, je onwillekeurig denkt aan den hemel. Nu, daar is vast en zeker geen ruzie meer, en geen dogmatische strijd, en geen gevecht over de ware kerk.

Onze vriend van daareven vindt dus eigenlijk, als hij heelemaal eerlijk is, dat het woord „hoop" net zooveel gemoedelljkheidswaarde heeft als de term „liefde". En hij zou niet gra.ag hardop durven zeggen: hoop^zonderllefde is niks gedaan.

Maar houd hem vdst als een fox terrier. Zeg nou tegen hem: goeie man, als Jij durft volhouden: de liefde is de meeste, en DUS is geloof-zonder-liefde „niets gedaan", zeg dan óók eens hardop: hóóp-zonder-liefde is niets gedaan. O f, als je dat niet durft, nou, laat dan nooit van je leven weer dat wekkertje afloopen van: „geloof-zonderliefde heeft niets om 't lijf", want dan ben je niet eerlijk in het trekken van conclusies uit Paulus' woord over de „meer-waarde" van de liefde. Beter voorloopig niets zeggen, dan zeggen zonder vol te kunnen houden. Zeg hem maar eens tn zijn gezicht: misschien snappen wij samen nog niet alles van Paulus: zullen we samen eens de parel in de keten leggen?

En als hij dan vraagt: welke keten dan wel? — dan moet je antwoorden: mannetje, dat is doodeenvoudig: nummer 13 als parel is pas op zijn plaats als hij gelegd wordt en gelaten wordt tusschen nummer 12 en nummer 14. Simple comme bonjour.

En als jullie dan samen hoofdstuk 12 en hoofstuk 14 van 1 Corinthe lezen, dan ben je Ineens van alle dooddoeners over de liefde af. Want hoofdstuk 12 betoogt: de plaatselijke kerk van Corinthe is een lichaam van Christus. Daar heb je mekaar noodig. De één is dit, de ander dat. De één heeft zoo'n ambt, de ander weer een heel énder. De één is zóó aangelegd, de ander zus.

Nu waren er tn Corinthe menschen, die op elkaar jaloersch geworden waren. Sommigen vonden b.v., dat lid A veel „mooiere" gaven had dan lid B. En dan wou lid C graag met A concurreeren, „liever" niet met B. Wie daarentegen het charisma van B mooier vond dan dat van A, die wou, als D, toch nog „liever" het formaat van B vertoonen. En zoovoorts. Kortom: ze ijverden naar „de beste gaven". Neen, naar , , grootere" gaven. Zij hunkerden er bepaald naar. „Liever" (!) die gave, asjeblieft. „Liever" koekjes werden in Corinthe graag gebakken. Bij de heidenen vroeger. En nu bij de christenen na hun bekeering ook nog. Het kostte moeite van dien griekschen „gaven"-cultus af te komen.

Allemaal zelden ze: LIEVER zóó.

Nu, zoo zegt Paulus, doet dat maar gerust, menschen. IJvert maar naar nóg grooter gaven. Niet , , de hoogste'', of „de beste", staat er in hoofdstuk 12 : 31, maar „e; raotere". Nóg grootere. Ik he^ wel eens van iemand golezen, dat je hierbij denken moest aan Hebr. 9 : 11, waar staat, dat Christus_is Ingegaan door den „grooteren", volmaakteren tabernakel. En hij voegt er dan aan toe: aarom kon Hij van uit dien grooteren tabernakel ook ALLE­ MAAL bereiken met zijn nuttige gaven. Zijn grootere gaven. Hoe dat zij, Paulus vangt zijn naijverige lieverzóó-christenmenschjes daar in Corinthe netjes op. Jaloersch? Ieder wil graag het mooiste hebben? En het beste ? Prachtig, ijvert dan maar naar nog grootere gaven. Nog grooter, dan je lievelingsideaal heeft. Nog grooter dan broeder A, die zoo mooi, zoo echt móói, je kan toespreken. Nóg mooier, dan die candidaat, wiens ouders eens door professor Fabius sprekend, en, geloof het maar, in vollen ernst, in hoogen fabiaanschen ernst, mét of zonder zoonlief, werden afgestraft, toen hij hèn citeerde: nze Herman kan toch zoo móói bidd«fn. Nog mooier dan die zuster, die zoomaar midden onder de preek soms ging opstaan — en meteen moest ieder, ook de leerende ouderling natuurlijk, zijn mond houden, want nou k-wam er een verrassing: uster Zoo-en-Zoo ging ineens in „vreemde klanken" spreken (of gillen); ze noemden dat in Corinthe: e krijgt den Geest. Paulus wist dat nog zoo niet; het kon ook wel eens de geest wezen, zei hij, '— een beetje anders natuurlijk. Maar toch bedoelde hij het zoo.

Nu, spreekt Paulus, als jullie dan ijveren, hunkeren naar NOG MEER, dan kan ik jullie helpen. Ik weet een weg.

Neen, neen, geen „habitus" geen „kiem", geen „deugd", geen „teer bezit", geen „zieleadel", geen hoog aetherisch „gevoel". Schei uit met al die gekheid. Paulus zegt: ik weet een 'WEG. En dat is nou de liefde.

Nou, Als de liefde een parel is, maar óók een weg (de beelden passen anders slecht bij elkaar), dan moet die „parel" zéker uit dat muffe étui, dan moet ze in het verkeer komen. Dan moet de liefde een practijk worden, een weg, een methode, een, ja, zeg het maar gerust, een gods­ dienstige „mode" (als je maar niet denkt aan zoo iets als Parijs). Een „weg", om naar het doel te komen, een weg om samen in vaste usantie God te dienen. Zoo iets als de kerkweg? Ja mannetje, nou kom je weer op je beenen terecht. Een kerkweg. Het kerkpaadje. Het doel is: aan allemaal' zoo veel mogelijk in de kerk ten nutte zijn. En om het-kerkverband, het kerkverband, en het kerkverbond van dat lichaam van Christus, dat in Corinthe de plaatselijke kerk was (exegese van Groshelde, zullen we maar veiligheidshalve erbij zeggen) zoo goed mogelijk te laten floreeren.

Die „weg" nu is de liefde. De methodische liefde, die vooruit nuchter denkt, hoe ze het zal Inpikken, om de kerk zooveel mogelijk te verstevigen, en den tegenstander zoo weinig mogelijk in de kaart te spelen, en haar recht zoo sterk mogelijk aan het licht te brengen.

Dat is aan den eenen kant dus de naastbij gelegen „parel" — het dichtst bij parel-nummer-13: dat is dus parelnummer-twaalf. Mijn grootmoeder had geen parels: die zei: kapittel twaalf. Ze had nog gelijk ook. De liefde een weg, om het kerkverband nóg hooger op te voeren, en om de leden nóg steviger aan elkaar te verbinden.

Niet een zielshouding, een habitus, maar een nuchtere methode, een geordende practijk. Een practijk, die je op papier kimt zetten, zooals iedere „jood" goed weet, dat je met een , , weg" (een ritus, een vaste gewoonte, het woord „weg" is joodsch) kunt doen: e kunt er een handleiding van maken, bijvoorbeeld: en gereformeerde Kerkenordenlng. Weg-der-gemeenschap-in-verkeer-van-Iiefde. Als ze jou vragen: eb jij lief? dan mag je zeggen: k doe eerlijk mijn best te leven naar de kerkelijke weg-papieren, belijdenis, kerkorde. En als ze je dan uitlachen, denk dan maar, zonder pedanterie, maar in vrees en beven: e stakker weet niet, hoe die „parel" liggen moet:12 vóór 13. Hij sloeg de woorden „eerlijk" en „mijn best doen" over.

En nu kijken we den anderen kant uit. We gaan naar „parel kapittel nummer veertien". Als dan Paulus klaar is met die liefde, dan zegt hij

Hoor, nou begint ie ineens te interrumpeeren, onze gesprekspartner. Ja, we hooren je wel, mannetje, je wilt uitroepen: dan zegt Paulus: het MEESTE van de trits geloof-hoop-liefde is de LIEFDE ? Dus is die het hoogst ? ?

We zullen hem maar eens even direct antwoorden, onzen Interpellant, vind je niet? Wel, zoo antwoord ik, als nu Paulus vindt, dat de liefde de hoogste Is, de hoogste in intrinsieke waarde, vind jij dan niet, dat hij nü bij wijze van toepassing moet zeggen: ijvert dus het meest naar de LIEFDE?

Ja natuurlijk, valt de ander tn. Dat zégt Paulus immers ook?

Pardon, wil ik antwoorden, hij spreekt iets anders in de „toepassing". Hij zegt, in het begin van kapittel 14: , , jaagt de liefde na", één trapje op; „ijvert naar de geestelijke gaven", twéé trapjes op; „maar meer", of neen, er moet vertaald worden: , , nog liever, nóg liever, dat ge moogt profeteeren". Drie trapjes op. En nou uitblazen. „Llever-koekjes" worden voor Corinthe door Paulus üi Efeze gebakken.Lust jij die Efezische koekjes uit Corinthe's trommel al?

Dat is dus de top: profeteeren!! Daar ben je bovenaan: profeteeren. Als je maar profeteert! Liever dit? Liever dat? Liever profeteeren —• snijdt Paulus al die kribbige Jaloersche menschjes af. Profeteeren, daar gaat nu verder hoofdstuk 14 heelemaal over. Profeteeren, dat beteekent niet: je eigenaardigheden laten domineeren, omdat ze van jou zijn. Dat beteekent niet: een taaltje gebruiken, waar geen gezonde boerenjongen wat aan heeft, tenminste, als je in de gemeente bent. Ook geen taaltje, dat iedereen hopeloos verveelt, omdat er niks niemendal' in zit, dan wat bleeke opstelletjes-middelmatigheid. Dat beteekent ook niet: die juffrouw, die zoo kon staan gillen in extase, noch die Herman, die zoo móói kon bidden, dat je d'r beduusd van werd, zóó erg, dat je ging vergeten, hoe krachtig onze Heere eiken dag voor ons allemaal bidt. Dat beteekent: óók niet die meneer, die allemaal over liefde praat, en nog eens over liefde, en die geen duidelijk woord op papier wil zetten over den WEG van zijn kerk. Natuurlijk had de jongste samensprekingscirculaire het woord „liefde" in den mond. Loopen we geen gevaar te vergeten, dat het in 1944 geloopen heeft over den 'WEG van de kerk, en dat zij, die hem toen veranderd hebben, tot nu toe alleen maar gezegd hebben: onze 'WEG is goed, en onze WEG moet op papier staan, kijk maar naar

de onveranderde rapporten van Ridderbos, Nauta, Polman, Dijk, allemaal goed, en allemaal zoo gebleven?

Maar we stappen van die circulaires af. We zeggen: als hoofdstuk 14 spreekt over profeteeren, dan is de hoofdzaak: zorg, dat ze in de gemeente aUemaal goed weten, goed weten, waar het over loopt in den: „weg". Liever vijf woorden met mijn verstand, die je op een briefje kunt zetten — net zooals onze deputaten dat tevergeefs van de lieden-van-den-anderen-WEG gevraagd hebben — dan tienduizend in een vreemde taal, waar een ander niets aan heeft, waar je geen concrete inhouden in verneemt. Profeteeren, dat beteekent dus: het Woord uitdragen, naar zijn inhoud, naar alle kerkleden.

En daarom vond Paulus die liefde de ja wat? De „meeste" ? Neen, de grootere. „De grootere", dat staat er al wéér aan het slot van hoofdstuk 13. Van grooter actieradius, net als grootere tabernakel, vanwaar de Heere Christus voor allemaal tegelijk zorgt van uit zijn centrale hierboven. Want het geloof, dat belijdt. En de hoop, die kijkt vooruit, en naar de toekomst. Maar de liefde zegt: vooruit, we moeten dat allemaal aan anderen brengen. De geloofs-inhouden, en de inhouden van de hoop, die hebben we niet voor ons zelf, maar die moeten we in verstaanbare taal, waar een ander ook bij kan, aan é, llen brengen. Er is b.v. geen liefdeloozer ding, dan een Hervormde Kerkorde, die „WEG" heet, maar geen WEG is, omdat de barthiaansche spreektrant elk nuchter verstand, dat weten wil, wat daar nou eigenlijk staat, beschaamt.

En dus: de liefde is daarom „grooter" dan geloof en hoop, omdat ze die beide meeneemt op den vrachtwagen, die de melk bij de kerkkindertjes, en de groenten bij de kerkmannen en - vrouwen, en het papkostje bij de kerkelijke oudjes brengt.

Als ze nog ooit eens tegen jou zeggen: ie „leiders" van jullie, en die „krantjes" van jullie, die hebben het almaar over profeteeren, maar geef mij maar „lieiver" (!) de liefde, zeg dan tegen zoo'n liever-koekjes-man: aat je eens doorlichten, maat, ik geloof dat je parels niet goed op volgorde zitten in je vestzakje. Maar in mijn grootmoeders bijbeltje zitten de kapitteltjes prompt op volgorde:12—13—14. En ze sloeg niks over.

En als jij nu nuchter bent, dan pas kün je liefhebben, en dan pas kun je christelijk héten. Stichtelijk, allebei. Heb lief, en zet daarom in gewoon hollandsch de puntjes op de i's. Want dat is profeteeren, anders dan dat Corinthische „zweven" over de hoofden heen.

Als je 1 Corinthe 13 nog eens tot wandtekst kiest (pas anders op, dat je geen plaatje-der-leeken van een praatjeder-leeken maakt), zeg dan tegen den graveur: geef me maar de paar woorden: LIEVER PROFETEEREN. Daar heb je heel de liefde in. Die „liever-koek" verslindt alle „liever-koekjes". Als in farao's droom de koeien deden. Liefdevol profeteeren: de rest is humbug. Wie niet profeteert, heeft niet lief. Wie niet profeteert, heeft niet lief. Wie een kerk waagt aan een spelletje, en niet op papier zet: DIT IS DB WEG, HOE IS UW WEG? die heeft op dit punt niet lief. Die mist de vijf-woorden-op-een-briefje, de vijf-woorden-met-je-verstand.

Met de vijf woorden van slotwoorden van 1 Cpr. 14 : 1, je vriend

P.S. Voortaan dus geen parels, maar kapittels. A. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Laat Paulus' „parel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's