GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Uw oecumenische taak”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Uw oecumenische taak”

40 minuten leestijd

REDE, gehouden op den Bondsdag van den „Bond van Gereformeerde Meisjesvereenigingen in Nederland", Pinkstermaandag 1951

De toesprai'.k, die ili tct U ga houden, draagt tot titel, zooals ge weet „Uw oecumenische taak". Daar zit een vreemd woord in: oecumenisch. Ais ge het te geleerd vindt, geeft dan niet mij de schuld: het onderwerp is Uw dienaar precies zoo opgegeven.

Toch behoeft ge van dat woord niet te schrikken. „Oecumenische taal" spreekt ge allemaal, eiken Zondag. Ge belijdt dan, met de kerk van alle plaatsen: ik geloof een heilige, algemeene, christelijke kerk. „Algemeene" kerk, — in den oudsten tekst van de twaalf artikelen heet dat: „katholieke kerk". Welnu, „ka, tholiek" is hetzelfde als „oecimienisch". De „oecumene" beteekent zooveel als „de geheele bewoonde wereld"; daarom is „oecumenisch" zooveel als: de heele cultuur-wereld aangaande, tót de heele mensehheid zich uitstrekkende. Ge vindt in uw handbijbeltje, waarmee ge naar de kerk gaat, dan ook een oecumenisch erfstuk: de geloofsbelijdenis van Nicea; die is opgesteld in het z.g. eerste oecumenische concilie van 325. Daar zijn de Arianen veroordeeld, en de Katharen (of Novatianen); die konden, zoo staat er, niet bij de oecumenische kerk komen, als ze niet instemming betuigden met de dogma's — zóó staat het er — van de katholieke en algemeene kerk. Ook zijn daar bepalingen gemaakt over den zoogenaamden ketterdoop.

Dat klinkt allemaal nog al streng, en dogmatisch, en belijnd.

Nu, het is ook streng, en dogmatisch, en belijnd. Want de kerk is hier aan het woord; en ze staat op de wacht ten bate van de heele wereld. Want juist die orthodoxe Kerk heeft de oudste papieren van de oecumenische beweging; als een leeuwin vecht ze hier tegen haar belagers op het oecumenisch jachtterrein. De strenge, de orthodoxe, de tegen de ketterij zich schrap zettende kerk is nog nooit een secte geweest; ze heeft van den aanvang af begrepen, dat de waarheid Gods voor de heele wereld tot norm gesteld is; en dat dus iedereen, die aan de „oecumene", de groote breede wereld, een dienst bevnjzen wil, de waarheid moet preeken alleen maar naar het bevel van Christus, en dat de eerste dienst, de eerste oecumenische veiligheidsdienst, dien men aan de wereld bewijzen kan, deze is: de ketterij, bijvoorbeeld van Arius, te bestrijden, en haar bij den naam te noemen. Als, om in een beeld van Jesaja te spreken, de kerkhonden, d.w.z. de waakhonden van den Goeden Oecumenischen Herder Jezus Christus, maar goed blaffen tegen de wolven, dan bewijzen ze hun oecumenischen dienst, dan vervullen ze hun oecumenische taak. Wie de ketterij, welke door een oecumenische kerk eenmaal veroordeeld is, toch weer toelaat, of er mee coquetteert, die verwijdert zich van de eerste en oudste en door God gewilde oecumenische beweging.

In feite toch 3 die 'bewegjjig al aan den gang, sedert het moment, dat God tot zijn eerste menschelijke schepselen als zijn bondspartners sprak: gaat heen, bewoont de aarde, als Mijn „wachters" over dit Mijn erfbezit, bevolkt haar met kinderen van Mijn verbond, en brengt haar in cultuur tot Mijn eer. Toen Adam de eerste spade in den grond stak, deed hij oecumenisch dienst. Toen hij als gezinshoofd en meteen als „kerkvader", aan zijn „mannin" de goddelijke bondswet als grondwet voor alle tijden en plaatsen verklaarde, was dat de eerste „oecumenische boodschap". Toen Eva haar eerste kind baarde, was dat een eerste stuwing van de „oecumenische beweging". Toen zij zondigden, was dat de eerste „oecumenische misdaad". Toen God de moederbelofte schonk, was dat het eerste „oecumenische herstel". Toen Kain zijn broeder doodde, in de eerste kerkve'rvolging, was dat de eerste stoot tot een oecumenische contra-organisatie, de primordiale sectarische daad, de principieele afbuiging van de oecumenische paden. Kain was de eerste sectariër, en juist als sectemensch vereenigde hij op den duur de meeste stemmen op zich, èn het grootste aantal volgelingen. Toen dacht die groote dwaas, dat hij oecumenisch was gezind, en oecumenisch werkte; want hij was zóó dom, als de zonde een mensch maar dom kan maken: hij dacht, dat je, om oecumenisch te kunnen werken, het grootste getal achter je moest hebben. Maar Gód zei: weineen, oecumenisch bezig zijn in het oecumenisch apostolaat, dat beteekent: de zendingstaak vervullen. De zendingstaak, die je met het op één bepaald wereldplekje ontvangen Woord van God doet uitgaan naar heel de wereld; en dan te zeggen: ik heb nu aan u overgegeven wat ik van den Heere ontvangen heb.

Aan die oudste en grondwettige oecumenische beweging bleef Adam in zijn bekeering trouw, en na hem Abel, en Seth; maar Kain kiest de secte. Hij scheidt zich af. Hij wil, als voorbode van den Antichrist, de heele wereld winnen voor zijn revolutie tegen de van God „ontvangen" waarheid. En nu rneent hij, dat het getal uitmaakt, wie den oecumenischeii slag gewonnen heeft. Maar God zegt: de oecumenische beweging is van Mij uitgegaan, en wordt door Mij ook tot een goed einde gebracht; daarom is de vraag, wie 't oecumenisch apostolaat bedient, alleen dan goed te beantwoorden, als men vóóraf de vraag stelt: wie het van God „ontvangen" Wóórd onvervalscht bewaart, en daarmee tot de breede wereld uitgaat. De oudste, de oorspronkelijke, de „oprechte" oecumenische beweging is niet: de wereldgetallen winnen voor je afwijkende boodschap, maar: zooveel mogelijk menschen winnen willen voor Gods richtende, normatieve boodschap. Ketterij is altijd verloochening van het oecumenisch apostolaat: een bondgenootschap met haar aangaan is: verstoring van de oorspronkelijke oecumenische beweging, gestuwd uit het oude paradijs. De zondvloed was een oecumenisch gericht, maar dan ter behóuding van de oecumenische kerk, en het oecumenisch apostolaat. De sectariërs zijn verdronken, en de isolationisten, maar de kerk is behouden. De weg der oecumenische beweging van het apostolaat loopt nu eenmaal door een ark. En als daarom ons doopsformulier, nog wel in het gebed, over dien zondvloed spreekt, dan durf ik zeggen: uw doop, die in dien zondvloed zijn prototype vond, was een plaatsing van uw voet op het oecumenisch pad. Wie daarom zeggen zou: doop alles wat in het doophuis komt, alles, ook wanneer het zich stelt tegenover de oecumenische goddelijke boodschap, die wint misschien wel breede getallen (zoo lang het duurt ), maar hij werkt het oecumenisch apostolaat alleen maar tégen. Hij werkt tégen de kerk, die haar loven lang oecumsniscit ieeft willsn zijn, en hij werkt vóór de secte, het schisma. De zonde werkt het separatisme van Kaïn altijd in de hand: de separatisten zijn meestal in de meerderheid, en de oecumenisch goed-gezinden zijn meestal in de minderheid. Dat staat in uw eigen belijdenis, als ze zegt: de kerk, d.w.z. de oecumenische gemeenschap, schijnt somvrijlen een tijd lang zeer klein en als tot niet gekomen te zijn in de oogen der menschen. En dan wordt gewezen naar Achab's „boozen tijd". Achab was koning over Israël; hij had dus tot taak: de kerk onvervalscht te bewaren. Want dóór Israels bedding niet te verleggen, moest het zuiver te houden water van Gods genadewoord, en van den messiaanschen zegen, eenmaal, op het Pinksterfeest n.l., uitmonden in de „oecumene", dat breede wereldleven. Indien Achab Israels leven zuiver bewaard had, dan zou hij met Elia, die oecumenische figuur van groot formaat, hebben meegewerkt; kerkbewaring is de eerste sociale, de primaire oecumenische daad. 'Maar Achab had een tyrische prinses getrouwd, ze heette Izebel; en die had al maar den mond vol van synthese, en van wereldhandel, en van wereldpolitiek, en van de oecumenische grootste-gemeene-deelerrreligie, die boodschap-van-en-naar-en-voor-zichzelf. Daarom speelde Izebel de rol van oecumenische figuur in apostolische toga met een baret, waarop in 't esperanto-schrift dier dagen geborduurd waren de initialen: H. d. V., Herderin der Volkeren. Maar Elia vond, dat de H. d. V. de Herder der Volkeren, de Pastor Oecumenieus, Christus was. De naar de belofte verstane Messias. Daarom maakte hij van Karmel een Oecumenisch Eendrachtsplein: Karmel werd de Place de la Concorde van zijn Reformatie: hij deed de syncretisten in den ban. Daarom komt in de Openbaring van Johannes zoowel Izebel als Elia terug. Izebel wordt daar door den Herder der Volken in den ban gedaan, en de macht, de bevoegdheid van Elia wordt gegeven aan de twee getuigen van hoofdstuk 11. Die staan te profeteeren op de Place de la Concorde van de Revolutie: de breede straat van de groote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egjrpte, en die gebouwd is daar, waar het kruis van Christus heeft gestaan: ze heet dus ook Jeruzalem, maar dan het sinds' Pinksterfeest van de oecumenische opdracht onthevene, het van God verlatene. Op die Place de la Concorde hebben de getuigen de Formule der Ware ConcoMie voorgelezen: het bijbelsche getuigenis. Onvervalscht. En tot in de volkomenheid hebben ze dat getuigenis orthodox uitgewerkt (er staat: ze hebben de getuigenis „voleindigd"). Tegenover dat verlatene Jeruzalem staat dan op de la, atste . bladzij van de Schrift het aangenomene, het vervulde, het Eeuvwge Oecumenische Jeruzalem: de Stad des Grooten Ko-

nmgs, vierkant gebouwd en de poorten daarvan staan naar alle kanten ópen.

Natuurlijk begrijpt ge allemaal, dat er over dit onderwerp veel meer te zeggen is. Maar dit kleine beetje is genoeg, om u te herinneren, dat ons Pinksterfeest het Oecumenisch Feest der kerk is. En dus het verplichte Oecuinenisch Feest der Wereld. Wie op Pinksterfeest zich niet laat vergaderen tot de ware kerk, die blijkens Handelingen 2 van de valsche zeer duidelijk onderscheiden werd, en wie dus te kort doet aan het daar aan Christus als Gods Zoon en onzen Borg gebonden Evangelie-naar-de-Schriften, die heeft het recht verbeurd, te spreken van en vóór het oecumenisch apostolaat. Al roept hij ook de keel zich schor voor de Oecumenische Boodschap, en voor de Oecumenische Beweging en voor het Oecumenisch Apostolaat, het wordt er niet anders van. De , , Boodschappen" moeten trouw zijn aan de Boodschap; en zoo niet, er daagt geen oecumenische dageraad. De oecumenische feesten van God zijn de feesten van zijn „scherpslijpers" en dus van Zijn , .scherpslijpers". Er zijn ook andere scherpslijpers. Maar wie „scherpslijper" zoo iets als een passend scheldwoord alleen voor de sectariërs acht te zijn, die heeft reeds daardoor het oecumenische apostolaat in het slop gereden. Dat slop is nu precies het plekje waar de duivel ons hebben wil: hij wil de Place de la Concorde liefst zien gereserveerd voor de herauten van de revolutie, niet voor die van Gods Reformatie uit Openbaring 11.

Geen wonder, dat nu de bijbel vol is van de oecumenische verkondiging van het Groote Oecumenisch Drama. Oecumenisch, — dat woord is geen nieuwe, maar een heel oude term. Reeds de Joden hebben in hun rabbijnsche geschriften het grieksche woord , , oikoumenê" in hebreeuwsche letters onvertaald als vasten term getransseribeerd. Lucas zet de kerstboodschap in met de oecumene: eizer Augustus wil do oecumene voor het Romeinsche rijk, het Beest van Daniël, en van de Openbaring laten beschrijven; maar op dat moment begint de Groote Zoon van David van uit een stal in Bethlehem de wereld, de oecumene, voor zich, en voor den God-van-David te „beschrijven". Oecumene is dan de bewoonde wereld, gezien als operatieplaats der wereldpolitiek. Het Beest grijpt naar die wereldpolitiek: aar de Geest wa^ Hem al eeuwen vóór: at was, totn Hij David liet zalvea tot koning van de bakermat der theocratie, d.w.z. tot koning van Israels oecumenisch gerichte gemeenschap ter zuiverhouding van de oecumenische wereldwateren. De huiskamer van Isai, waar David wordt gezalfd, en de stal van Bethlehem, van waar de Zoon van David zijn wereldregiment begint, ze zijn de pleisterplaatsen van Gods Oecumenische Beweging, zoo oud als de door Gods verbond geregeerde wereld zélf. Dezelfde Keizer Nero, die in de Openbaring van Johannes beeld van den oecumenischen Antichrist is, heet in grieksche keizertitels Oecumenisch Daemon, gelijk Keizer Claudius genaamd wordt Oecumenisch Weldoener, of Heiland. „Oecumenisch" is hier een kwestie van wereldpolitiek en wereldcultuur geworden. Daarom beveelt de Schrift de oecumenische prediking (Matth. 24 : 14). En Christus stelt tegenover de satanische verlokking van oecumenische wereldmacht het „daar staat geschreven"; Hij wil alleen door gehoorzaamheid de Oecumenische Heiland-Rechter worden (Lo. 4:5). Christus voorspelt in het laatst der dagen een oecumenische verzoeking (Op. 3 : 10) en katastrofe (Luc. 21 : 26); en zoo voorspelt de profeet Agabus een oecumenischen hongersnood (Hand. 11 : 28); hij is daarin bondgenoot van Johannes op Patmos, die bij de opening van het derde zegel het zwarte paard van den honger ziet stuiven over de wereld (Op. 6:5, 6). Het is alles de ouverture van het oecumenisch gericht (Hand. 17 : 31).

Om kort te gaan: e bijbel spreekt doorloopend, van Genesis één tot Openbaring 22, van het groote ééne oecumenische Drama: an den éénen kant is er de oecumenische prediking (Rom. 10 : 18, vgl. Ps. 19 : 5), aan de andere zijde: e oecumenische dwaling, de oecumenische verleiding, onder aanvoering van den Antichrist, Gods grooten Tegenstander, met zijn „katholieken", d.i. algemeenen propagandadienst, met zijn oecumenische Tegenspraak tégen de Spraak van God en tegen al zijn Spreuken.

Velen willen tegenwoordig de , , antithese" wegredeneeren; en met de principieele loochening van een principieele antithese gaan ze dan een „doorbraak" forceeren tusschen de bestaande partijen. Dat deed enkele jaren geleden ook Adolf Hitler met zijn pdranymphen; Rosenberg was toen zijn profeet. Er zullen altoos vele proselieten te winnen zijn voor deze doorbraak-theorie, "in welke gedaante ze ook verschijnt. Maar als eenmaal met behulp van deze theorie de losvan-de-antithese-beweging de scharen van de dissidenten tegen het antithesestèllend evangelie bijeengetrómmeld heeft, dan zal daarna de Antichrist de antitheseprediking tóch weer opnemen. Hij zal teruggrijpen naar Genesis 3 : 15, doch alleen om daar tegenover zijn woord, zijn , , contra-evangelie" te stellen. De tekst is oud: k zet vijandschap tusschen de slang en het zaad der kerkvrouw. Maar de uitleg is nieuw. Immers, de slang, die was reeds in de dagen van het jonge christendom, b.v. in Pergamus, het symbool van het heidendom, met zijn Asclepiusvereering. Asclepius gold als de god van Licht en Leven. De christenen echter hadden hun God van Licht en Leven; dat was die God van wien Johannes spreekt in zijn evangelie, 't eerste hoofdstuk; want daar zegt hij: n den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. In dat Woord nu was het Leven, en het Leven was het Licht der menschen. En dat Woord, dat is nu vleesch geworden. Het komt de slang, de oude slang, den kop verbrijzelen. Doch deze Bijbeltaal heeft voor de antichristen afgedaan. Wanneer dus straks het vereende heidendom de slang, als het Asclepiussymbool van „eigen" Licht en „eigen" Leven, tot oecumenisch symiiool zal iebben uitgeroepen, dan zal de Antichrist getuigen: k zet vijandschap tusschen deze mijne slang en u, ó vrouw der kerk; tusschen uw zaad en haar zaad; dat zaad der slang zal u den kop verihorzelen, en gij krijgt niet etns de kans, om dat andere zaad de verzenen te vermorzelen. De oecumenische antithese is dan wéér uitgeroepen. Gods Woord krijgt tenslotte altijd gelijk.

Daarom zal de kerk haar eerste taak zich aangewezen vinden, altijd weer, in het uitroepen van die eeuwenoude antithese. Geen doorbraak tolereert zij met valsche eenheidsleuzen tusschen die partijen, die de bijbelsohe antithese hebben geloofd, of althans in feite hebben erkend, doch een doorbraak vsdl ze, met het scherpe wapen van die bijbelsche antithese, tusschen alle groepen en alle bewegingen, óók de oecumenische confessielooze kèrkbeweging, en óók de oecumenische gelijkgeschakelde jeugdbeweging, die de antithese naar de opvatting van den Bijbel hebben ontkend, en belachen, en als de grootste dwaasheid en versplinteringsmacht hebben vervloekt.

Het lijkt, beste meisjes, wel een onbegonnen werk, zoo niet een parmantige bluf, in dit verband, en ten overstaan van zooveel dramatisch gewéld, tot u te spreken over „uw oecumenische taak". Wat zult gij beginnen, gij met uw kleine getal in een klein landje, dat zijn bizondere, zijn eigen, zijn typeerende kracht in de oecumenische wereldpolitiek meer en meer verliest? Ik hóór het u al vragen.

Maar met zulke vragen moest ge den Pinkstergeest nu maar niet langer ophouden, en elkaar niet langer vervélen. Dacht ge, dat ze in Moskou elkaar niet weten te vertellen, dat de jongens en meisjes een oecumenische taak hebben?

Ja, maar, zoo werpt u misschien tegen: daar zijn ook die enorme getallen! Goed, — maar kon soms de Pinkstergemeente van Handelingen 1 en 2 al met groote getallen pronken, toen zij de oecumenische opdracht kreeg: gaat uit in heel de wereld, onderwijst en doopt? Ja, maar zegt u, die Pinkstergemeente heeft krachten gezien, en téékenen aanschouwd, en de witte ruiter op het witte paard is uitgegaan, destijds, om te overwinnen. Maar wij vandaag, wij zijn in de finde-siècle-stemming, en wij hebben vandaag eerder het gezicht op het vale, het roode, het zwarte paard, de paarden van dood-en-hades, van oorlog-en-bloed, van honger-en-brooddronkenheid, dan op het witte paard van 't overwinnend evangelie, — wat kunnen wij nu nog doen? Het valt ons allemaal een beetje tegen. Soms lijkt het ons wel passend, dien franschen dichter na te spreken, die eens uitriep: Ik ben te laat geboren in een wereld die al te oud is.

Zoo, zoo, beste katholieke meisjes, valt het u allemaal een beetje tégen? Maar dan moest ge u toch wel wegschamen voor God. Heeft de bijbel soms iets anders voorzegd, dan ge vandaag aanschouwt ? O neen. Kij heeft u rustig voorbereid op een toekomst als de tegenwoordige is: een toekomst van slinkende kerkgetallen, van ondermijnd gezag, van de samensnoering van klassen, daarna ook van rassen, en van politieke groepen in een zoogenaamde democratie, die al minder te vertéllen krijgt, naarmate ze meer verliefd wordt op den éénen man, die haar weet te biologeeren met zijn leuzen, en met zijn suggestie, dat hij been van haar been, en vleesch van haar vleesch is. Het is ons allemaal voorzegd. Als onze getallen niet slonken, over heel de wereld, dan zou de vraag ons moeten kwellen: hebben wij wel ooit Christus' eschatologische redenen, hebben wij wel ooit de Openbaring van Johannes werkelijk verstaan? Als gij, meisjes, van de preeken van de dominees, en van de boeken van de professoren van uw eigen kerk ook maar een honderdste part onthouden hebt, dan weet ge: we mogen het isolement niét eigenmachtig verkiezen, en we mogen bij een slinkend getal niet onverschillig de schouders ophalen, en 'niet zeggen: de wegloopra-s zijn niet wijzer; want we hebben ook zelf schuld eraan, als ze met een goedmoedig gezicht van je vandaan loopen, inplaats van met een hartig scheldwoord, waaruit tenminste blijkt, dat ze van het klimaat der laatste dagen zijn geschrokken. Maar nu de andere kant van deze medaille: ge moogt over een door anderen u opgedrongen isolement nooit mokken, alsof het een tegenvaller was; en over een slinkend getal niet pruttelen als een kind, dat zijn speelmakkers ziet wegloopen naar een plekje, waar het interessanter is. Dit alles is ons voorzegd: en dat beteekent nu doodeenvoudig: God geeft u geen verlof, om uit een slinkend getal van christenmenschen een argument te halen om te zeggen: onze oecumenische taak houdt op, zoodra we tot beneden een zeker numeriek minimum zijn weggezakt. Want de oecumenische opdracht van de kerk is aan geen plaats gebonden, en aan geen tijd gebonden, en dus ook niet aan een getal gebonden.

n Daarom is uw eerste oecumenische taak: getuigen. De menschen zéggen soms een tikje smalend: nu ja, dat is goedkoop genoeg. Geef ons maar liever wat mannelijkers te doen. En vooral: als ge het woord „oecumenische taak" in den mond neemt, geef ons dan direct een wèrkprogram. En een beginselprogram. Want anders kunnen we immers niets beginnen? Zijn zij, die zoo spreken, vergeten, wat Kuyper schreef in 1878? Een stembusprogram, vond hij, moet zoo kort en beperkt van omvang zijn, als slechts even doenlijk is: liefst één enkel woord, dat ieder onthoudt en in den mond houdt: een shibboleth. Moet het zijn, dan een volzin. Desnoods een zinsnée. Kan het niet anders, dan een trits van zinsneden. Maar van een politieke geloofsbelijdenis is bij zulk een program geen sprake. En wat het program van beginselen betreft, daarvan schreef Kuyper: van uw beginselen kunt ge dan slechts een program geven, als de beginselen van de anderen zich tegen de uwe overstellen. En, moet ge in het generaal oppositie voeren, dan kunt ge, zegt Kuyper, niet aanstonds een program van beginselen stellen, „want in den aanvang weet ge nog niet, hoe ge het hebt". Dat staat in het openingsartikel van Kuyper's „Ons Program". Ik stel de vraag: wat staat hier anders dan: als ge niet getuigt, en dan zoo scherp mogelijk, dan komt er van een beginselprogram en van een principieel beheerscht stembusprogram nooit iets terecht. Sonunigen zeggen tegen u: we moeten niet in zee gaan zonder een welomschreven en uitgewerkt program: getuigen, dat is ons te goedkoop. Kuyper zei: zonder getuigen komt ge nooit tot een goed program; want uw beginselen komen pas in formule als de anderen de hunne stellen. En oppositie in het generaal voeren, dat kan pas van lieverlee: ge moet beginnen met getuigen. Dat is wel vandaag ons abc: oppositie in het generaal; bij een generale doorbraakpoging van de loochenaars der antithese hebben wij geen andere keus. En dan, zegt Kuyper, dan komt de zaak bovendien nog zóó te staan: indien (dat ook is nog ons abc voor heden) indien het aankomt op een uitzuivering van wat wel samenging, maar zonder saam te hóóren, dan moet een seinvlag van zeer scherpe kleuren aan de lijn, een seinvlag, die den echten vrienden weer geestdrift in de borst kan doen ontgloeien, maar de halfslachtige, de hybridische bijloopers, onder een bedenkelijk hoofdschudden het eerste het beste hoekje om doet slaan. Alzoo Kuyper in 1878. En daarop is tóen die immense krachtsinspanning gevolgd.

Ik vrees wel eens, dat men u vandaag de hooge waarde van een trouw getuigenis wil leeren ontkennen. We zijn 'n poosje zoo gewend geweest aan ministers op een bondsdag, en aan een paar vrienden in de Kamers; maar nu we zien, dat ons getal — ik denk niét aan óns speciale kringetje, maar aan heel het christelijke, confessioneele volksdeel — nu we zien, zeg ik, dat ons getal zoo slinkt, nu zeggen velen: oecumenische wateren, laat die maar over hun oecumenische akkers loopen, en als we niet meer „groote daden" kunnen doen, a la Piet Hein, laat dan het „getuigen" maar over aan maranatha-broeders; dat is óns te aftandsch, althans in het kader van de wereldpolitiek. Dat kan nog in de kerk, maar niet daarbuiten.

Ik zeg u evenwel: uw oecumenische taak, uw pensum nummer één is: trouw getuigen. In „getuigen", mits het niet opgaat in religiosistische zelfbeschrijving, doch in het rustig, evenwichtig doorgeven van den door ons beleden Schriftinhoud, ligt het begin van alle christelijke taakvervulling op oecumenisch gebied. Dacht u, dat getuigen zoo gemakkelijk was ? Het is het zwaarste, wat er is: want het beteekent: niet met praatjes komen, en óók niet met plaatjes, niet met leuzen en niet met geuzen, maar met het Woord, dat zelf verklaart: den joden ben ik een ergernis, den grieken een dwaasheid. Als in Openbaring 11 de twee z.g. „olie-kinderen", d.w.z. de twee ambtsdragers daar

staan met den rug tegen den muur, op het Eendrachtsplein der Revolutie, dan moeten ze hun getuigenis „voleinden", eruit halen, wat er in zit. Niet maar de oude leuzen repeteeren, maar puntig spreken over de voorzichtig uit de doeken gedane consequenties uit wat God ons heeft gezegd voor heden en voor morgen en voor overmorgen. En dacht u, dat dat gemoedelijk is? Weineen, — het kost uw leven: schaakpionnen verdraagt men nog wel in een kaderspel en tegenspel; maar spreektrompetten, die geen ensemble helpen vormen, die breekt men nijdig stuk. Gfetuigen van Jezus Christus' Naam en Woord te zijn, dat is: den Heiligen Geest tot zijn recht doen komen; Hij is het immers, die Christus' werk over de wereld uitleggen kwam op Pinksterfeest, en die dus de Oecumenische Voleinder is in Gods Drieëenig Wereldwerk.

Dit getuigen is noodig voor de anderen, zegt ge misschien? Ja, ja, maar — blaast liever niet zoo hoog van den toren: ge hebt er allereerst zélf de eerste behoefte aan. Vraag maar eens aan menschen, die werkelijk studééren, en niet hun leven lang een stelletje stichtelijke opstelletjes en leuzen repeteeren. Vraag hun eens, hoe ze gevaren zijn. Ze zullen zeggen: ik heb voor me zélf het meest geleerd. En ik zélf had deze studie nóódig als brood, omdat ik wist: als ik het niet doe, word ik een woordenrammelaar, óf een verlegen zwijger, maar geen getuige. Weet ge, waarom gij dat getuigen, in den straks omschreven zin, zoo hard noodig hebt? Wel, om de eenvoudige reden: omdat ge tegenwoordig op de oecumenische markt zoo ontzaglijk veel knollen voor citroenen u ziet aangeboden. Het woord „kerk" wordt permanent gedevalueerd: in een pijnlijk verzwegen conflict met de belijdenis ontkent men doodeenvoudig, dat men tot u zou mogen zeggen: geloof in het bestaan van een aanwijsbare ware kerk, dat maakt gereformeerde meisjes tot „katholieke" meisjes. Men speelt zoo lang met het dwaze begrip van „openbaring van Christus' lichaam", dat men aan de ware kerk geen ware openbaring meer gunt. En dan: nochtans wordt daarmee het Oecumenisch Drama tot zijn laatste bedrijf geleid. Én dan: het woord democratie, ofschoon daar het begrip „volk" al in zit, is aangelengd tot: „vólks-democratie"; maar wie wéét nog, wat het is? Nochtans wordt daarmee het oecumenisch drama tot zijn laatste bedrijf geleid. En dan, ook over het fundamenteele stuk van de verhouding van gezag en vrijheid wordt meer en meer het ohderwijs der Schrift, prijs gegeven; het gevolg is, dat men met goedvinden óók van kerkeUjk opgevoede staatslieden de souvereiniteit van het van God gegeven gezag in den staat eerst gedeeltelijk, straks algeheel loslaat, van een koningshuis niets anders Iaat overbUjven dan de aan een schoon verleden herinnerende administratieappp, ratuur voor een onderdeel van den federa-_ tieven wereldstaat-in-wording. De koning in den staat ' wordt dan een gouverneur van een deelstaat. En voor wat het gezag in de kerk betreft, zijn fundeering zoekt men niet in Christus' koningschap, gekend uit zijn eigen Woord, doch in de religieuse autarkie en de kerkelijke zèlfpretentie. In den grond der zaak beteekent dat een overdragen van het begrip der volkssouvereiniteit ook naar het terrein van wat zich aandient als „kerk". Nochtans wordt ook daarmee in versneld tempo het oecumenisch drama tot zijn laatste bedrijf gestuwd; men noemt den Naam van Christus, maar verbiedt elk nader confessioneel onderzoek zoowel naar den naam van Christus als naar den naam van christen. Het huidige federalisme in wereldpolitiek en ook in kerkpolitiE en kerkpolitieK beteekent een snelle' revolutie onder den naam van een bedachtzame reformatie. Wij zitten er al midden in. Het komt erop neer, dat staten en kerken zich laten gelijkschakelen tot één groot Corpus Humanum, een Lichaam van humanistisch begrepen Wereldstaat en Wereldkerk. Die Wereldkerk is iets anders dan een over heel de wereld aangegaan verband van kerken. De één neigt zich al naar den ander; straks zal de één den ander steunen; de één zich met den ander associeeren. En het zoogenaamde natuurrecht zal uit Augustinus' kwalijk beheerden inboedel de leer van de twee staten uitbuiten tot bereiking van het laatste doel: de identificatie van den hemelstaat en • den aai'destaat. Onder miskenning van Augustinus' uiteindelijke bedoelingen zal men zeggen: de liefde tot zichzelf zal ertoe leiden, dat men een boven c!e wereld staandcü God zal verachten: de menschheid werd zichzelf tot God. En de liefde tot den zóó verstanen God zal ertoe leiden, dat men een zelf lief de, die den individu ook maar even zou plaatsen tegenover dien God-van-eigen-maaksel, eveneens zal gaan verachten. Zoo zal de individu zich straks vrijwillig en „religieus" onderwerpen aan dien exponent van Wereldstaat-en-Wereldkerk, den antichristelijken „Führer", den „Eersten Broeder" aller menschen. En daarmee zal de Oecumenische Beweging, die zich van de belijdenis van God, den transcendenten, en van Jezus Christus, Middelaar en Borg van het genadeverbond, volledig heeft losgemaakt, haar eindstation bereikt hebben: het Beest zal alle volken verleid hebben: de oecumenische Pinksterbeweging zal in een oecumenische Contra-Beweging volledig zijn weersproken.

Daarom is uw tweede taak, uw tweede oecumenische taak: ter bewaring van de Oecumenische Pinksterbeweging, geleid naar een duidelijk verstaanbaar Woord van God in een gehandhaafde belijdenis der Christelijke kerk op grondslag van apostelen en profeten, u rustig te laten kennen aan en in een brandende liefde voor uw kerk met haar stevig gebonden en confessioneel ingeleid lidmatenboek, dat nochtans altijd ruimte heeft voor in te voegen nieuwe losse bladen. In die kerk moet ge dan de huidige humanistische Oecumenische Beweging in het aangezicht weerstaan. Dat is: uw kerk als Gods zichtbare legitieme vergadering liefhebben, en alleen aan de zuivere kerk de expansie toestaan, en dan ook bevelen. Expansie zoeken voor het Woord van God. Dat is: nooit van uw plaatsje wegloopen; niet naar een ander plekje lonken dan dat waar God u heeft geplaatst: een helpster in uw kring, een meisje voor uw jongen, een vrouw voor uw man, een moeder voor uw kind, een lid, vóór alles, van Uw kerk. U niet laten meetronen door het enkele tooverwoord oecumenisch, en u nooit laten wijs maken, dat de scheidslijn loopt tusschen déze twee: oecumenische gezindheid aan den éénen kant, en particularistische gezindheid aan den anderen kant. Want zóó loopt de scheidslijn niet; en aan een gezindheidsethiek moet ge u nooit wagen. De scheidslijn loopt anders: zij ligt tusschen oecumenische liefde voor God én oecumenische verliefdheid op den mensch; tusschen een oecumenischen gang naar rechts, én den oecumenischen drang naar links; tusschen krijgsdienst in het Oecumenisch Leger van den door den Pinkstergeest ons aangewezen Christus-Koning, én marionettendienst in het Oecumenisch Legioen van het als God verkleede Beest.

Misschien, laat me daarmee eindigen, denken sommigen, in, of anders buiten deze zaal, dat mijn toespraak van vandaag een nieuw geluid liet hooren, een ressentiments-reactie op gebeurtenissen van den laatsten tijd. Maar zij vergissen zich. Voor Uw Bond, en onder Uw tegenwoordige presidente, heeft de spreker van zooeven reeds in 1934 een rede gehouden over: „Twee (uit de Kerkgeschiedenis bekende) Priscilla's". Laat me met enkele letterlijke citaten daaruit mogen eindigen, dan weet ge, dat ik vandaag alleen maar ouden kost heb opgeschept: „De eerste Priscilla wacht op Christus, en bereidt zich voor den dag der dagen, ja, bereidt dien dag voor haar deel mede vóór, door Christus te dienen, door „hier en nu", d.w.z. in den tijd, en in de plaats, waarin God haar gesteld heeft, te doen wat het gebod der liefde van haar vraagt. Priscilla H evenwel roept steeds nerveuzer: maranatha, maranatha: ze trekt naar de plaats, waar de Heere verschijnen moet, doch ziet Hem niet, gelijk Hij in het ambt, en in de kerk, zijn schapen vergadert Priscilla n rukt de kerk van de plaats, die God voor haar besproken heeft Priscilla I echter weet ervan, mét de vervolgde kerk vanwege den naam van Christus in de woestijn te gaan En waar Priscilla n de kerk in de lucht zet, en de geloovigen in de lucht naar een nieuwen wolkenwagen van Christus Triumphator laat turen, daar is Priscilla I de vrouw, die met beide voeten staat op den bodem van de werkelijkheid, en die daarin wacht op het heil des Heeren Priscilla n zet de klok terug Maar Priscilla I heeft eiken dag haar uren goed besteed voor heel gewoon vrouwenwerk En zoo heeft zij (die de heiligen en Gods missionaris Paulus diende) de klok rustig voort doen gaan, de klok der openbarings-én der zèndingsgeschi edenis".

Laat ons hiermee besluiten. Wij hebben enkele jaren geleden veel gehoord van een „beweging", de N.S.B. Ze gaf parolen uit, maar niet het Woord. Parolen, geen belijdenis. Bedenkt gij, dat het Rijk der hemelen komt met kracht, doch alleen in de eenheid van belijdenis. Voegt u maar rustig als de katholieke meisjes van Nederland onder uw Oeciunénischen Herder. Hij komt, Hij komt, om d' aard te richten, de wereld in gerechtigheid. Zijn Geest is al negentien eeuwen lang bezig de druiven in den wijngaard van de „oecumene" rijp te stoven. Schoffelt als zijn werksters („zwart doch liefelijk") de paden in dezen Zijnen wijngaard en vangt voor Hem de vossen, die den wijngaard beder­ ven.

K. S.

selspreuk, de gelijkenis, is er op ingesteld, om u nieuwsgierig te maken, om de vraag naar de oplossing van het raadsel, naar de verklaring van de gelijkenis bij u wakker te roepen. Wie de klok hoort luiden, verneemt wel iets, maar hij blijft toch nog maar onverstandig, zoolang hij nog niet weet, waar de klepel hangt. Wie van den wind wat af wil weten, kan er niet mee volstaan, zijn geluid even te vernemen en dan verder niets, maar gaat op het geluid letten; hij gaat „aan" het geluid „vragen", waar de wind vandaan komt en waar hij heengaat. Maar niet alle menschen hebben de begeerte, om „er meer van te weten". Er zijn er, die de klok hooren luiden, maar die er geen belang in stellen, nu óók te weten te komen, waar de klepel uithangt. Er zijn er, die den wind hooren waaien, maar wien het heelemaal niet interesseert, te weten, waar de wind vandaan komt en welke richting hij uitwaait. Maar de klok en het geluid zijn prachtdingen, om er achter te komen, bij wien de begeerte wêl leeft en bij wien de begeerte niét leeft om de plaats van den klepel en de richting van den wind te leeren kennen. De raadselspreuk en de gelijkenis zijn prachtmiddelen, om aan den dag te brengen, wat er leeft in de harten van de hoorders. Valt er zoo'n raadselspreuk of zoo'n gelijkenis in het midden van het bondsvolk neer, dan dwingt dat woord den hoorders, zich te openbaren. Dan laat de één het blijken, dat het hem niets interesseert, waar toch de klepel mag hangen, die de klok aan het luiden gebracht heeft; en dan gaat de ander vragen stellen: Waar komt de wind vandaan, dien ik heb hooren waaien, en in welke richting waait hij? Dan treedt de loop van de Ujn der antithese zeer duidelijk aan het licht. Dan ziet men de menschen uiteengaan. Zoo'n raadselspreuk of zoo'n gelijkenis is daarom geen duisternis en geen verberging, maar licht en openbaring.

Welnu, wanneer er dan twee groepen z ij n in het verbondsvolk, zoowel in de dagen van Asaf als in de aardsche dagen van den Heere Jezus Christus, alsook tegenwoordig, in deze „dagen" van den Geest der profetie, dan komt er nu de raadselspreuk van Psalm 78 en de gelijkenis van den Heere Jezus Christus en het onderwijs van den Geest der profetie, en dan zullen de groepen ook allebei openbaar móéten worden. Wanneer aanvankelijk Efraïm en Juda door elkander loopen, en van elkaar niet zijn te onderscheiden in het ééne verbondsvolk, dan komen in het onderricht van Asaf de getuigenis en de wet des HEEREN onder het verbondsvolk de antithese stellen, en dan zal het blijken, op den langen (of den korten) duur, wie ten dage van den strijd omkeert en den vijand toevalt, en wie in den strijd volhardt tot aan de overwinning. Dan zullen eenmaal Efraïm en Juda allebei rijp zijn, de één voor zijn verwerping, want dan wordt de ark, die van Gods gunst getuigt, weggenomen uit het stamgebied van Efraïm, uit Silo, — en de ander voor zijn aanneming in genade, want dan verkiest de HEERE Juda, en in Juda Sion, om aldaar Zijn heiligdom te stellen, en uit Juda David, om het volk van Jacob als een herdersvorst te weiden. Dan wordt in Efraïm het licht van den kandelaar weggenomen, en 'dan wordt in Juda het licht in vollen glans óp den kandelaar gezet (vs 67 en 68).

En dat rijp worden van die beiden is tot stand gekomen in die lange historie van steeds weer dezelfde herhaling: verlossing, ongeloof en afval, oordeel en gericht, wederkeer en bekeering, ontferming en opnieuw verlossing. En dit alles is een schaduw, een gelijkenis van de geschiedenis, die zich heden onder het verbondsvolk afspeelt, onder de genadeheerschappij van den Oppersten Herder in den hemel, door Zijn Geest op aarde. Want dit is de achtergrond vandaag van heel de historie: dat de Geest der profetie bezig is, scheiding te maken tusschen Efraïm en Juda, tusschen Israël, dat naar het vleesch is, en het overblijfsel naar de verkiezing der genade, het Israël, dat naar den Geest is, — tusschen het algemeene christendom, dat de waarheidsvraag verdoezelt, dat als een struisvogel den kop in het zand steekt voor het onderricht van den Heiligen Geest, en geen belang meer stelt in de leer-en belijdenis-inhouden van de getuigenis en de wet des HEEREN, doch onder het geroep van schotjesgeest en eenheid iptusschen omkeert in den strijd, zeer wel bewapend met alle verzamelde eenheidswapens, maar tóch omkeert in den strijd en den vijand toevalt, — en de kerk des HEE­ REN aan de andere zijde, die niet ophoudt te vragen, waar de klepel hangt, totdat het haar volkomen duidelijk is geworden, •— die den wind hoort waaien, maar dan ook zoo heiftegeerig is, te weten zijn , herkomst

en bestemming, — tot wie de „aardsehe dingen" van het koninkrijk Gods gezegd zijn, maar die nu niet eerder uitrust, voordat ze óók heeft mogen verstaan de „hemelsche dingen" (Joh. 3 : 12), — die de schaduw ziet, maar nu hunkert naar het Uchaam, — die degebeurtenissen opmerkt, maar nu ook den diepen zin en achtergrond van alle dingen uit het Woord van God verstaan wil, •— die worstelt, om hoe langer hoe beter den wil des HEEREN te leeren kennen en in practijk te brengen in het gansche leven.

De Pinkstergeest der profetie is bezig, scheiding te maken tusschen Efraïm en Juda. Want komen moet opnieuw die dag, maar nu in definitieve en volledige vervulling, — die dag, waarop zij beiden rijp zijn, en waarop de Hoogste Rechter het laatste, het uiteindelijke vonnis zal vellen, om Zijn eeuwige woonplaats van Efraïm weg te nemen en voor eeuwig en altóós te vestigen in Juda. Daarom is het nu zoo noodig, dat wij en onze kinderen wéten, wat er aan de hand is, fen wat er aan den gang is in het christendom van heden. Want het is wéér dezelfde historie, maar nu bijna in laatste vervulling: e historie van verlossing, en kerkreformatie, gevolgd door afval en nieuwe verbondsbreuk, oordeel der verblinding en verharding, bij sommigen tot wederkeer en bekeering, en voortgaande worsteling, om vérder te komen, van de „gelijkenis" tot haar „verklaring", ontferming en nieuwe verlossing. Daarom zullen wij en onze kinderen de scheidslijn zien loopen BINNEN het verbondsvolk, en de getuigenis verder vertellen, en de wet voor het nageslacht niet verbergen, maar juist openbaren, opdat de scheidslijn aan den dag komt en niet wordt verdoezeld, en de antithese zich al scherper af gaat teekenen, opdat de dag der rijpheid voor het laatste vonnis snel mag komen: e dag van het laatste oordeel voor Efraim en de dag der volle genade voor Juda. Daarom zal de Bruid en zullen de kinderen van de Bruid met den Geest mee moeten profeteeren en roepen: eere Jezus, kom! (Openb. 22 : 17).

Daarom zullen onze kinderen op de scholen beveiligd moeten worden tegen den invloed van de alles verdoezelende en vervlakkende neutraliteit, tegen die aller-gevaarlijk-ste doorbraak van de christelijke antithese, die met rassche schreden zich voltrekt, en zijn slachtoffers maakt bij duizenden, ook in die kringen, waarvan men het maar niet wil verwachten, in de voormalige gereformeerde kerken, en in de christelijke gereformeerde kerken, èn óók in de gereformeerde kerken, wanneer zich daar de begeerte openbaart, „contact" te zoeken met de overzijde.

Daarom zullen onze kinderen moeten lééren op de scholen, dat Luther en Calvijn dan wel de paus van Rome, De Cock en Kuyper dan wel de hervormde kerk en haar synode, en de gereformeerden dan wel de synodocraten vandaag de scheurmakers zijn of de hervormers; en dat heel die neutraliteitspolitiek en die verdoezelingstactiek een wederstaan is van het Pinksterwerk des Geestes, een ómkeeren in den strijd, om met pak en zak, zeer welbewapend, met een machtig oecumenisch leger den vast aanrukkenden vijand toe te vallen.

Daarom mag ook op de christelijke scholen niet in den mist bhjven hangen, wat de kerk en wat het verbond en wat de doop is, en waar de kerk is en waar het ambt is en waar de reine leer bewaard wordt^ Daarom zullen wij en onze kinderen over heel de linie moeten ontwaken, en uit den dood van het algemeene christendom opstaan, om den verhoogden Christus door den Geest der profetie over ons te laten lichten, ook op het stuk van het onderricht aan ons en aan ons zaad in de voorzeide leer.

J. F. DE WEGER.

moeten leeren zien; als de N.T. heilstijd gekomen is, mag hij niet in de „schaduw" van het O.T. achterblQven. Jezus wil In dit gesprek hem verder lelden, hem over den drempel helpen (In gelijken geest schrijft, dr K. J. Popma, „De vrijheid der exegese", 161—170). Jezus doet dat, door ruimschoots van den „masjaal" gebruik te maken. Ook < Jr F. W. Groshelde schrijft even bij vs 5: „Bovendien is Jezus' woord min of meer een raadselwoord. Hij gaat het in het vervolg verklaren" (Kom. op Joh., I, 211). Het Woord van Jezus in vs 3 klinkt Nlcodemus als een rsiadsel in de ooren, als een gelijkenis zonder verklaring. Prompt reageert hij met het ongeloof, dat met een eigen exegese van vleeschelijk maaksel zich van de „gelijkenis" afmaakt: „Hoe kan dat nu? Een mensch kan toch niet voor de tweede maal geboren worden? " Dan licht Jezus een tipje van den sluier op, door op „water" en „Geest" te wijzen, d.w.z. door hem te wijzen op het getuigenis (ook weer zoo'n „masjaal"-achtig begrip!) van Johannes den Dooper en van Herazelven, vgl. „wij" in vs 11. Maar deze verdergaande bekendmaking maakt de zaak voor Nicodemus door zijn ongeloof alleen maar duisterder, in plaats van klaarder. Hij moet zoo ongeveer aan het verstand van Jezus getwijfeld hebben. Vóórdat het nu verder den verkeerden kant met hem opgaat, helpt Jezus hem op weg. „Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden", dat is: ga op dezen weg niet verder; keer om en volg den beteren weg, dien Ik u nu ga wijzen. En dan komt vs 8, waarin Jezus hem leert, WAT HIJ MET HET RAADSEL, AAN MOET.

De' gebruikelijke exegese van dit vers gaat uit vaji de gedachte, dat de centrale quaestie in Joh. 3 is: Wat is eigenlijk „de" „wedergeboorte"? Zij laat vs 8 leeren: De wedergeboorte is vrijmachtig werk des Geestes; dat werk is onbegrijpelijk, ja oknaspeurlljk, maar het is realiteit. „Aanvaard het onbegrijpelijke als realiteit", aldus dr C. Bouma in K.V. Joh., 3e druk, I, 108. Ten onrechte is vaak m dit vers een bewijsplaats gezien voor een „onmiddellijke wedergeboorte". Beu verbetering in deze exegese werd bereikt, toen men den nadruk ging leggen op de woorden; „en gij hoort zijn geluid". De toepassing was dan: Hoort maar naar het Woord des Geestes, en laat het hoe van de wedergeboorte maar aan den HEBRE over.

Als exegese van Joh. 3 : 8 moet dit toch losgelaten worden. De gebruikelijke exegese, al of niet verbeterd. wordt gedrukt door de volgende bezwaren: o. „Gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij heengaat" wordt gelezen, alsof er stond: Gij kunt niet weten, gij kunt er niet achter komen". Br staat evenwel: Gij wéét niet, gij z ij t er niet achter". 2o. Te weinig rekening wordt er m.i. mee gehouden, dat het slot van vs 8 niet zegt: Dat is er nu aangaande de wedergeboorte te zeggen", maar: Dat ondervindt nu ieder, die uit den Geest geboren is". 3o. Deze exegeSe rukt vs 8 los van vs 9 vv. Als vs 8 zegt: et onbegrepene aanvaarden, dan beteekent dit: raag niet verder naar het hoe der wedergeboorte, want meer is er niet van geopenbaard. Maar in vs 9 vraagt Nicodemus rustig: Hoe kunnen deze dingen geschieden? " en KRIJGT DAN In vs 10-12 VAN JEZUS EEN STRAF-RBDB TE HOOREN, DAT HIJ ALS LEERAAR ISRA­ ELS DAT MOET EENS WEET!!'! Maar dan kan vs 8 toch onmogelijk zeggen: et Is niet te begrijpen en niet na te speuren?

Naar de „masjaal"-gedachte echter leert Jezus Nicodemus In VS 8, wat hij met het raadsel aan moet, dat Jezus In VS 3 en sterker nog ia vs 5 en 6 voor zijn aandacht geplaatst, had. Het beeld van den wind moet dan dezen dienst doen: Van den wind is in elk geval terstond het geluld te vernemen. Men weet dan nog niet S.lles van den wind, maar aan zijn geluld heeft men houvast, om verder op de hoogte te komen. Zeker, de wind waalt, waarheen hij wil; hij is „souvereln" In het bepèlen van zijn richting. Daar oefent niemand invloed op uit. Maar men kan er wel achter komen, waar hij vandaan komt en wear hij heengaat. Als men maar nauwkeurig op het geluld let, dan kan men aan de hand daarvan de windrichting bepalen. Zoo Is nu de ervaring van een leder, die door den Geest Gods is wedergeboren. M.a.w. Nicodemus moet niet van zijn eigen exegese uit tot dat raadselachtige Woord van Jezus komen, om met behulp van zijn uitleg van dat Wóórd zich af te maken. Hij moet maar liever „aan" het geluid zélve „vragen", welke richting het uit wil. De wedergeborene vraagt vérder. Heeft hij een „gelijkenis" gehoord, dan vraagt hij vérder naar de „verklaring". De beteekenls van vs 8 is deze: Het zijn „gelijkenissen", Nicodemus, en nu moet ge verder vragen. Zoo heeft Jezus heel voorzichtig de vraag bij Nicodemus wakker geroepen: „Hoe kunnen deze dingen geschieden? " Hiermee heeft Nicodemus de rechte houduig tegenover het „raadsel" gevonden. En als hij zóó ver is, dan stoot Jezus krachtig door, om hem geheel en al de oogen te openen en hem tot het „zien van het koninkrijk Gods" te brengen. De scherpe bestraffing van vs 10-12 is dan inleiding tot de prediking van vs 13-21, die Nicodemus dan nü eindelijk wel kan verstaan en verwerken. Zoo komt ook het onderscheid tot zijn recht, dat Jezus .'n VS 12 maakt tusschen de „aardsche dingen" en de „hemelsche dingen". Sasse schrijft in Klttel's Theo!. Wtb. z. N.T., I, 680: „Die Bedeutlng von èmysioe In J 3, 12 kann nicht elnfach aus dem Kontext ersohlossen werden. Vv'ahrscheinlieh 1st an die Gegenüberstellung einer Redewelse in Irdisihen Gleichulssen und elner direkten Belehrung über das „Himmlische" lm Slnne von 16, 25 und Mk i, 11 ff zu denken". De „aardsche dingen" zijn het ' raadsel, dat om verklaring roept: het optreden van Jezus met Zijn prediking van het Koninkrijk Gods. Het waren allemaal nog niaar „aardsche dingen", die Nicodemus tot nu toe had te hooren gekregen. Maar hij moest doorstooten tot de „hemelsche dingen". Den werkelljken zin en den diepen achtergrond van het optreden van Jezus moest hij leeren zien: dat het koninkrijk Gods gekomen was, en dat het via Golgotha en Paschen, Hemelvaart en Pinksteren op een heerlijke voleinding zou aangaan. Maar deze oplossing van het „raadsel" van Jezus met Zijn raadselwoorden kan Nicodemus nu wel verdragen. Zoo volgen de vss 13-21 met de prediking van de liefde en het welbehagen Gods, waarin onmiddellijk weer door Jezus op een O.T. „gelijkenis" wordt teruggegrepen, die haar vervulling en „verklaring" verkrijgt in Jezus' kruis en verhooging (vs 14). Het slot van de pericoop, vs 19-21, verhaalt dan, hoe in den nu gekomen Messlaanschen heilstijd de Geest de harten openbaar komt maken. Als het licht komt, als de „gelijkenis" voor de aandacht van de menschen gezet wordt, dan zal wel blijken, of ze verlicht willen worden, de waarheid doende; zoodat openbaar wordt, dat hun werken in God gedaan zijn, dan wel of ze het licht haten 1 en er zich van afmaken, opdat het kwade hart niet openbaar komt, zooals Nicodemus met het licht, dat hem in raadselvorm gegeven werd, aanvankelijk wilde doen.

Zou deze exegese niet meer dan de gebruikelijke aan «öen geheelen Nlcodemus-pericoop recht doen? Gaarne aan onze N.T. exegeten tér : overweging en controle aangeboden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

„Uw oecumenische taak”

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's