GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERS-SCHOUW.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

PERS-SCHOUW.

20 minuten leestijd

De Jong-Gereforomieerden .in 1921.

In zijn oudejaaBsbetracbting gaan dé gedachten van prof. Grosheide ook naar de Jong-Gereformaeirdeln uit en hij vr.aagt in „Noiord-HoUandscb Kerkblad":

Zijn het vooral de jorngrCrereformeerden, die spreien van de Bavinck-gsest? lic weet het niet. Wie izijn de jong'^Greretormeerden? Hun namen worden meer gefluisterd, dan genoemd. Een enkele, die van den Bavinck-igeest spreekt, zön zich waarschijnlijk niet beleedigd achten, als ik hem tot de jong-Geretormeerden rekende, mAar geldt dit van allen?

Er is ook in 'het afgielèopen jaar in de jong-Gereformeerde beweging nog; geen teekening gekomen. Men kan erkennen, dat , ze er is, om er dan aan toe te voegen, dat ze meer negatief is dan posiüel. En dan nog negatief in dien meer algemeenen ain, dat men met het bestaande niet te-vreden is. Maar verder? Soms zoü men zeggen, ze zijn voor ^uitbreiding der liturgie, maar dan komt er weer een verzekeren, dat hij juist daarvan niets hebben moet en voor tdtbreiding van de liturgie - zijn velen, die .zeker niet tot de jong^Gereformeerden behooren. Soms meent men ize .zijn op kerkelijk, zoowel als staatlcündig terrein , zeer demokratisch, maar dan ontmoet men weer iemand, die in het kerkelijke gaarne wat vrijheid ziou willen en die in de politiek tO'Cti ajartskonservatief is. Jomg-Gereformeerden pleiten voor rekening houden met den strijd onzer daigen, voor meegaan met de fcultüur, voor het zich uiten op het igebied van wetenschap en kunst — ; maar is dat jongi-Gereformeerd, of gaat het-hier om de - vraag', hoever mógen we in daze dingen g'aan, gaat het om de vraag' is hier het woord van Christus niet van toepassing; als uw rechteroog 115 'u ergert, d.w.-z. tot zonde brengt, werp het van 'u: gaat het om.de - vraag, eischt liefde tot den broeder niet, dat ik me ontho'ud van dit of dat, dat op izichzelf gieen zonde is? Jong-Gereformeerden pleiten voor meer - vrijheid in levenswandel, dan doorigiaans onder ons gebruikelijk is, en aan do andere iziide boort ge hen roepen om askese, om onthoiudinjg. Zoo is de één voor, de andere tegen meer invloed geven aan het gevoel.

Is er een jongi-Gereformeerde beweging? Of izijn er jong-Gereformeerden, waarvan er geen tien hot met elkander eens , zijn. Ik ben voorshands geneigd het laatste te gelooven. In elk geval leiding ontbreekt tot dusver geheel. Het is tragisch te .zien, hoe men naar leiding zoekt. Die zal het zijn of die — en hij stelt te leur. Maar ligt dat niet aan het karakter , zelf der strooming? Tben Dr K'ayper optrad, was hij ook jong'-Gereformeerd. Maar wat een verschU. Aanvankelijk vertrouwde men hem - maar half, het is bekend, dat toen hij predikant te Amsterdarn werd, de Gereformeerden aldaar hem niet hadden begeerd. Maar hij won het vertrouwen en hield het. Door zijn persoonlijken invloed zeer zeker, maar toch bovenal, omdat men weldra zag, dat hij waarlijk Gereformeerd was. En toen vereenigden allen zich om hem, toen kon hij ze leiden langs g'ansch nie'uwe banen, omdat men zag, .dat het moest. En 'dat j'uist hebben de jong-Gereformeerden ons nog niet laten zien.

Als ik zoo over de jongr-Gereformeerde beweging schrijf, is dat niet om te zeggen: ze beteekent niet veel, we behoeven in 1922 niet met haar te rekenen Eer het tegendeel. De. - vragen, die deze beweging ons stelt, zijn voor een goed deel de vragen van den tijd en onze kerken zullen zich daarover hebben 'uit te spreken in de naaste toekomst. Welke •vraag het eerst aan de orde zal komen, is moeilijk \ te zeggen, dat zal grootendeels afhangen van de geschiedenis, die wij niet malcen, a-naar die God leidt. Maar dit is zeker versterking; naar binnen en naar buiten zal in 1922 eerste eisch zijn.

Lector komt in „Friqscb Keïkblad" met de overpeiirzing:

Hoe het staat met de actie der jong-Gereformeerden, kan ik 'u met den besten wil niet zeggen, om.dat ik er niets van weet. In onze omgeving merken we er bitter wemig van en de geheimzinnigheid der gansche actie doet ons tasten in het onzekere. Maar dit kurmen we wel aannemen, dat zij in het nieuwe jaar geene roering in de kerkelijke wateren z'ullen brengen. Ze schijnen meer te werken in het donker, dan in het licht en liever v/at te - wToeten onder den grond, dan fier en krachtig voor het front te komen tot een strijd met open - vizier.

Zoo begint men dan hét nieuwe jaar met vraag, teekens. Laat mij' er nog een vraag aan toevoegen. Waarom zouden we niet trachten de meer radi-Calistische, zoowel als de mieest conservatieve ele-' meinten mee te zuigen in ©en krachtige reform'ivtorische aotie?

1921 en de loopers.

Ds Lamall, die 'tzoo' „zieggein" kan, kreeg weer eeUi ander beeld voor zijn O'Uidejaarsavondlens. Hij' geeft dit. kiekje: ". ^IsSvJi"

' Onlangs las ik in een van onze kerkelijke bladen, dal een man zijn kerkelijk lidmaatschap had opigezegd, en dat hij nu m'aar besloten was zich bij geen enkele kerk meer aan te stuiten, omdat niet één predikant hem zóó voldeed, dat hij altijd onder diens - gehoor bon verkeeren. Hij besloot nu maar te kerken, daar waar de prediking hem voor het oogenblik het best beviel. Wilt ge wel gelooven, dat er meer - vian z'ulke menschen zijn, die er precies zoo over denken, 'al zeggen of toonen zij het niet zoo openlijk ? 't Is toch eigenlijk O'Ok wel mooi op te k'unnen gaan onder de prediking van een dominee, die ons het meest naar den smaak preekt, en wanneer er dan straks iemand komt, die dit nog weer veel beter doet, dan weer onder diens vleugelen toevlucht te nemen, en dus op deze wijze altijd het beste - wan het beste te genieten! Wie zou het niet begeeren? En menschen, die zoo leven, pijn heusch niet zeldzaam. Ze zoeken altijd het neusje van den zalm. Ze happen altijd naar liet dikste stuk spek. Vandaag, loopen ze een predikant na: neen maar, nooit zoO' gehoord! wat een waarheid, wat een waarheid! tjonge, 't is zoo'n baas; hij izegt het de menschen zoo aan! Met een week of wat begint die baas echter al een weinigje te zakken; en komt er welhaast een nie'uwe ster öan den kerkelijken hemel schitteren, dan krijgt deze voortaan den - wieTOok, en de ander is zoo goed als niets meer. 't Eigenaardi'ge is, dat dit slag van menschen zooveel gelijkt op de magere koeien van Paraö; z.e eten altijd van het vetste spek, en ze blijven igeestelijk 'altijd e-ven miager en schraal. Ik denk no'g steeds aan het "vvo'ord van dien o'uden dominee, , die heel wat menschenkennis in z-ijn ; groote omgeving had opigedaan: 't Zijn de beste koeien niet, zoo zei hij, die van de eene wei in de andere loopen. Het zijn niet de meest leesbare brieven van Christus en niet de brandende kaarsen in de gemeente, die van den eenen leeraar zeggen, dal hij de w'aarheid niet spreekt, en van den ander, dat er g'een voedsel voor der ziel bij hem te vinden is, en zoo van ieder weer wat anders; het zijn in den regel menschen met een mager en donker geestelijk leven, die veel boter en honig eten, doch zelf weinig melk geven. Ge moet hét ma'ar eens trachten te toetsen onder 'uwe bekenden, doch dan moet 'ge 'u vo'oral door den schijn van groote en "vrome woorden niet laten misleiden.

Terwijl dit schiijf, treden verscheiden gestalten van godvi'uchtigen uit ide dagen mij'ner jeugd voor mij voor den geest. Daar waren er onder, dia > meer dan dertig jaren lelken Zondag .tweemaal onder de prediking van denzelfden leeraar waren

opgegaan. Hij was een man miet een gouden hart, opirecht als de duiven, maar 'met 'ge& n grooto kennis • en geen schitterende welsprekendheid. En toch, wat waren er onder die oude vromo mannen en vTouwen, gefundeerd in het geloof, welverzeJcerd van hun staat, rigt aan geestelijke ervaring, schij'nende lichten in hun levenswandel. Ik zou hun namen kunnen noemen; er .zijn namen onder, die mij zeer lief en dierbaar zijn; leesbaVe brieven van den Heére Jezus, goed onderlegd in do waarheid, helde'r in hun geestelijk leven. En deze menschen aten nooit van het dikste spek, en liepen nooit van de een© in de andere weide. Dertig jaren gingen zij op onder dezelfde prediking, Zondag op Zondag, 's morgens en 's avonds, maar zij mochten er zijn, en zij konden van hun zaken verslag doen.

Al dat heen en weer draven, dat vele menschen tegenwool'dig eigen is, van prediker naar prediker, van kerk' naar kerk, van secte naar secte, van partij naar partiji, komt voort uit een zeker soort van ongezonden honger, waar gieen verzadiging voor is. jE'r is een ongezonde en een gezonde honger. Ik hoor de menschen wel eens zeggen: wat mij ma, nkeert, wieet jjc niet, doch ik ben den geheelon dag maar flauw, wanneer ik midden in den nacht wakkör wordt, dan ben ik al weer flauw. Dit is natuurlijk geen'gezonde honger; eten helpt daa: r ook niet vooir. 't Is een ongesteldheid. Nu, zoo zijn ook geestelijk vele menschen altijd flauw; ize eten wel, maar worden niet verzadigd; zóó hebben , ze gegeten, en vlak daarop hebben ze weer het gevoel, of .ze hol en leeg zijn. Maar er is ook een gezonde honger en daarvan zegt de Schrift: laan een hongerige ziel is aUe bitter zoet. Het is merkwaardig genoeg om ©r de aandacht eens aan te wijden: n.I. aan welke zijde de meeste pirattelaars en ontevredenen zitten: onder de flinke, goed-leesbai'e Christenen of onder hen, wier geestelijk signalement niet alleen voor henzelf maar ook voor anderen duister en onduidelijk is. HeldeTCgeloovigen zijn geen fladdergeesten.

De Vroiuw en het Boek.

In 1922 zullen de vrouwen de groote stembus meeniaiven. Aan haar poditieke bewustwording wordt idruk gewedct. Ma, ar...

„Voor vele vrouwen is de boekhandelaar een soort van vijand; in vele huishoudens is de jong© boekenviiend ondergegaa.n en als zijn liefde voor het boek niet is gedood, dan is zij dikwijls de aanleiding tot ongenoegen. Verscheidene echtgenooiten, moeten Apache-listen gebruiken om hun aanwinsten in huis te smokkelen.

„Wij hebben klanten, die, wanneer zij' een boek hebben gekocht en betaald, het bij ons laten logeeren totdat de geschikte gelegenheid zich voordoet om het in hun huis .te brengen; de vacanti©-• tijd, feestelijke gebeurtenissen, enz. Soms laat de gelegenheid maanden op zich wachten . ..."

Afkeer van het boek is een verontrustend symptoom. Afkeer van lezen is een noodlottige ziekte. iNa den oorlog is deze toegenomfen. Mme. de Gira.rdin zou heden ten dage weer hetzelfde kunnen constateeren, wat zij eens in haar Lettres Par i s i e n n e s heeft geschreven:

„Een elegante, rijke vrouw, een vrouw met geest, wacht geduldig twee maanden om ©en roman van Georges Sand to lezen, w, a, nt zij denkt ©r niet aan, dien te koopen (zij wacht liever haar beurt in de bibliotheek af), . In haalr pirachtig hluis vindt ge alle mogelijke weelde. Maar, boeiken heeft zij' niet — wel mooie boekenkasten, kostbare Boule-meubels, die bedriegelijk den naam , , bibliolhèque" hebben behouden.

„Wees niet bezorgd, dat die mooie kasten niet worden gebruikt. Zeker, ze doen heel veel nut. In de eene liggen hoeden en mutsen van mevrouw. In die kleine kastjes, op de étagères staat van alles behalve boeken: porceleinen hondjes en Chineesche poppetjes. Boeken? Waaïom? Wat denkt n wel? De jonge vrouwien lezen niet meer en, wat ©Tger is, die nog een beetj© lezen .... schrg'VBn."

Ernest Charles meent te moeiten consta-teeren, dat ook de vrouwen, die heden ten dage schrijven, niet veel lezen ©n sommigen heelemaal niet.

Boeken zijn duur. Ongetwijlfeld. De boekhandel lijdt er onder. Doch bovenal laten de vrouwen het lezen na om duizenderlei redenen, die ze maar al te graf^g opzoeken.

De crisis va, n den oorlog. en deszelfs gevoilgen hebben onder de jongere vrouwelijke generatie een „élite" doen ontstaan, die alles doet om zich aan te pa'ssen aan de gewijfzigde levensom'standigheden. Die , , élite" zal op^ den langen duur invloed kunnen oefenen op. de groote massa der Fransche vrouwen. Doch voorloopig blijft het ©en élite", en de massa is wanhopig luchthartig. Daarom zal Le Livre de la Jeune fill© niet zooveel lezei'essen vinden, als het boekje' verdient. Als het nog adressen bevatte van „dancings" I Maar een ernstig boek "

Zoo leest mien ia het „Lietbeiikundig Bijblad" van de „N. R. Ct."

In onze kringen zijn percientslgewijlze wellicht nog de m'eeste vroiuwen, die zicih aan eenigszins zware lectuur wagien.

Toch zou bij enquête deinkeiijk ook onder ons nog een ernstige misstand aam den dag treden.

Wij schrijven dit niet sledhts toet het oog op zekere politieke gebeurtenissen.

Maar veeiltoeer met het oiqg op de toekomst van ons Gereformeerde volk.

De mo'eders moeten haar zonen nog ander voedsel kunnen to'edienen, - dan wat ze uit christelijke rom, ans hebben weggeihaald.

Bilderdijk len de Tachtigers.

In „Opgang", het nienwe Christelijke Letterkundige maandschrift plaatst Dr J. van der Valk hoiogst interessante opstellen over Bilderdijk. In een daarvan vergelijkt hij Bilderdijk met de tachtigers.

Om het vers meer. klem' en kracht te ge\'en, laten de tachtigeïis vaak het lidwoord weg. Waarschijnlijk kwamen zij hiertoe door hun studie der Latijnsche dichters (die het lidwoord niet Kennen).

Maar ook Bilderdijk begon met vertaling van klassieke dichters , z..a. Catullus, TibuUus, Horatius. En pok hij deed, hetgeen de tachtigers meenden het éérst gedaan te hebben, ook hij laat nu en dan. het lidwoord - weg. Zoo verhaalt Bilderdijk van een krijger, wiens lemmer spat in splinters, zonder, dat hij „vijand ziet". Van ©en schoone aan 't hof van Kafel den GroiOte; door duizend aangezocht, maar „jegens ieder rots", hij bezingt den koningszoon, die „Holland weg tot ha{ar verheffing baande"; en miaant ons: Hoort, hoe „Gïiekscbe zangster" kweelt!

Ik herinner mij nog hoe indertijd oudervvetsche zoogenaamde letterkundigen hem bedenkelijk het hoofd schudden over dergelijke stoutigheden der nie.uweren, daarmede tevens bewijzende, dS.t zij' Bilderdijk wel goedig hadden geprezen, doch slecht gelezon.

Dit geldt ook van wooirdvormingen als zon beschenen, waai'door de nieiuweren niet alleen in hun vaart de iballast van hot lidwoord, maar hovendien nog van het voorzetsel loosden: door d e zon beschenen.

' Welnu, dergelijke saamstellingen, zoo veelvuldig hij de Grieksche dichters, treffen we ook biji Bilderdijk aan. Hij schrijft over de. prooi van Godgevloekten waan, oveir een Godverwaten (door God vervloekte) hand, over kunstenairen hand en • oor, kunstgeleerde dapperheid, kunstversierde reen, het schuim van landverwezen (uit het land verdreven) snooden. En goudglans flonkerend spa, nt de kroon.

Trouwens we - -vinden leuk in onze middeleeUwsche taal dezelfde sóo'rt samenstellingen, b.v. in Godbehagelijk; daa'ma komen ze weer veel voor bij dichters in onze gouden eeuw, z. a. God gelijk. God bemind. En noemen wij niet allen in ouize spreektaal do legging in het graf, de gang naar de kerk, een vaarder op d© Oostzee en iemand, die gaat met vödof, kortweg: g|raflegging, Oostzeevaarder, ve'rlofganger? .

Mede naa: r-het voorbeeld der Latijnsche dichters, nemen de nieuwe'ren vaak de onsaamgestelde werkwoorden, gelijk, voeg ik er dadelijk aan tqe, ook Bilderdijk deed, wanneer hij inplaats van beölisisender besiigde slissen, teuigelen, veiligen, vochtigen en aldus „dubbele tred en spoed.."

Een dichter is acheppier, allereerst van zijn materiaal, de taal. De tachtigers hebben zich liiei'in niet onbetuigd gelaten, maar Bilderdijk staat hier zeker bij hen niet achter. Een paai' voorbeelden mogen volstaan: „wat verveelt ge u, doffe ge& aw-'rik", „verwoesting gieroogt langs de heuvelen", „die scheel ziet pinkt maar wat of Jonld ©n lodderlacht", „de oefening van 't doorgeletterd hoofd", „vergnopt verlegd verlaagd vervallen verzonk de sterv'ling, 'uit izijn kring", „maar zwoer die bentleus al van 't snaatrtend eendgekwaak."

Met woo'rden als s p a g e k 1 i r vefrijkte Bilderdijk onze taal, daa]r wij geen uitdrukking bezaten, vli© het geluid del" spade zoo goed aanduidt. Eji met het doo'r hem' gevormde woord aantrek kan ieder zijii winste doen, die veel moet gebruiken de veel langere en : sla.pipere aantrekkingskracht.

Nog niet zoo lang geleden is uitgevonden het woord ontratten om ©ên uitzuivering der schepen ' laan te duiden, toenmaals noodig: voor de besmetting. Bilderdijk was al in die richting:

Een ledig 'w'rak gelijk onttakeld en .ontmast, Ontdreef in 't golfgeklots om op' ©en klip te [stranden. .'£^, ^•-~ïT\•-^--•

Der dichteren hengstenbron doopfe hij juister en fijner om in halfbronplas, en voor tamboerijn gaf hij ii'inkelbom.

Zoowaar het achtervoegBel drig (drager) dat, wij in de spreektaal alleen in vaandrig' kennen, en dat we iherhaaldelijk, b.v. bij den dichter Bolken, met verschillend© en andere woorden vinden saa.ragekoppeld, tneöen we bij BMerdijk al aan in b 1 i k s © m d r i g. En de Diuitsche spfirtaicisten was hij al vóór, toen hij in id© dagen van Prins Willem V dezen vorst noemde, na zijb herstelling, „verwinnaar van 't gewield van Neerlands spartacisten", hiermee onze platriotjes benoemende.

Onder woorden dolf hij op: de gans kon 'Woer 'gaggelen, de os akkerien, de p-ijlen hoorde men weer ruisselen jn den ikoker. Met 't gow'rik'w'rak en 't gezwikzwak zag men 't zwirlen va.n den dans. '

Voeg daa: rbij dan nog Bilderdijk's klanknabootsingen en woordspel, en ik zal u niet meer behoeven te overtuigen, dat de lectuur van Bilderdijk uiterst leerzaam is voor ieder Bataaf, die onze taal en hapir overvloed wil leeren wonnen en beoefenen.

De overeenkomst is inderdaad opmerkelijk. Hiermiee kan ik tegelijk een geachten lezer van repl'iek dienen, die bezwaar maakte', dat ik-in de woiordkunst'der tachtigers scihoonheid ontdekte. Den geest van de tachtigers verooirdeel ik oinvoorwaairdelijt. Voior den vorm heb ik waaiideering, al heb ik ook bezwaxiein. .Maar misschien is mijn lezer •nu wel gerustglesteld, waatr hij van een vakkundige •als Dr Vain der Valk vernieemt, dat Bilderdijk zich reeds mieester in soortgelijke' woordkunst toonde. En Bilderdijk was toch van een anderen geest dan Kloos en Van D(eyssel.

Het ontwerpnieuspelling

Ook hiei^op hoopte ik te!ru; g te komen, nadat, deskundigen hun , ooi|dieel zo-uiden hebben geidt.

Dit is geschied.

Velen hebben zic(h laten hooren.

En de kritiek was bijna unaniieim zeer ongunstig voior het ontwerp.

Naar ik mieeia tereciht.

Het wefsointwerp lijdt aan groiote oinslaöhtigheid en halfslachtigheid.

Het wil '.aen nieuwe fcoiers! uit en durft niet.

Toch geloof ook ik, dat wij den. kant oener vereenvoudigde spelliag 'Op moeten m'et vermijding van het leelij.ke in de spelHmg der Kollewijners.

Etymologisch moge de ouidld spelüng waarde heb. ben, nien kan to'ch niet heeie micnsohenlevens aan de etymologie (woordafleiding) [Opofferen.

Ook de taal moet met den tijd mee.

In dat op2; icht zijn we hieit miett den heer Goedewaagen in de „N. R. Ct." eiens, ofschoon andere dingen in zijn feuilleton ons m, Lnder aanstaan:

De 'grootste helft van ons Nederlandsche volk moet reeds als kind !de school vaai-wel aegigen. Die grootste helft nu ATaagt om een oonsequento, een logisclvü, een eenvoudig©', ©en voor hen begrijpelijke schrijftaal. En nü 'kan men wel zeggen, wat logisch is voor den een, is nog niet altijd loigisch voor den ander. Zeer waar, maar wanneer onze schrijftaal, wat haar wijze van spelling betreft, slechts logisch werd voo.r 'menschen met gezond verstand, nü dan hadden de schrijftaalvereenvo'udigers een schitterend stuk werk geleverd. Totno'gto© moest men zooveel weten, o-m , zijn eigen moedertaal goed te schrijven, dat de wij, ze van stellen er vaak onder leed. Neen, het is een eerste behoefte voor ©en i©der dat men begrijpt, waar het in de allereerste plaats op aankomt, op liet stellen of op het spellen. Door de spellingswijze nu izoo eenvoudig mogelijk t© maken, komt dat do wijze van stellen ten goede. En goed stellen is, evenals 'goed spr©ken, het gevolg van ordenend.logisch denken. Men behoeft .zich voor zoo'n eenvoudige schrijftaal dan niet te schamen, al' ziet die schrijftaal er op het ©erste geizioht een ioeetje vreemd en ongeletterd (in overdrachtelij'ken , zin, natuurlijk) uit voor menschen, die - wat meer 'gazien hebben, maar - al spoedig izal het blijken, dat ook zóó'n schrijftaal, neen, juist aoo'n schrijftaal, een weerga-ve, een vertolking op papi©r • kan zijn van een taal, die tintelen kan van levenslust, van igeest, vaii humor.

Knapper dan de professoren.

Welk hedeïidaagscih auteur kan zijn Nederlandsch goed schrijven zonder wo-ordenboiek ?

Wie moet nooit 'eens naslaan-.of-©en : woord .mjaa'., nelijk öf vrouwelijk is? p ^ ^ ^ ^ ^ ^ -

Wie kan daaruit bierekenen, 'bip' welk tij'dv'eriies de Oiudie spelling ons komit te staan?

In 'z.ijn 'geestig afscheid, dat de heer Wirtz van de inspectie Winschoten nam|, spot Mj, dat een onderwijZ'er beter in - de taal th'uis is, dan de professoren Kluyver en Muller, die het ontwerp voor de nieuwe sp'ellin, g op hun geweten hebben.

Uit zijn speech m-(het „Christelijk Schoolblad" lichten we:

En dan heb ik nog; een groot voorrecht genad, w'at helaas I vele onderwijzers, ook o-nder hen, die aanleg voor het vak hebben, nio©ten missen. U kent allen het raadseltje: „Wat ontmoet het 'grootste beest nooit? " Bet antwoord luidt: „Een beest, dat nog grooter is." Welnu, de knapste mian van Kleidorp . —. en dat is natuurlijk de onderwijzer — ontmoet nooit een nog knapper man, .zoiO'lang hij in Kleidorp blijft. Het gpvolg is dan, dat hij ten laatste in zijn eigen knapheid gaat gelooven. En aan dat gevaar staan onderwij'zers veel meer bloot dan andere stervelingen, want een onderwijzer in Nederland weet heei veel dingen, die niemand anders weet. Ik zelf ben in dat O'pzicht ook razend knap. Zoo maalr, zonder wootwienboek, - wieet ik, dat „'raischen" met sch en „bruisen" met s geschreven moet worden: dat niet .alleen mijh. jas en mij'n; das, maair zelfs mijn snor vrouwlijik zijn; ja^ ik kan alle wooïden, die met .au ^©schreven moeten worden in alfabetische volgorde opzeggen en ik '• weet ' nog puiecies alle regels voor het - manlijk 'en vrouwlijk geslacht m©t de uitzondoringen en de uitzonderingen op de 'ujitzonderingen. Laten Prof.. Klu-yver en Prof. Muiter m© dat ©ens nadoen!. . Kijk, dat is de oorzaak, waardoor - wiji, schoolmeesters, zoo groot gevaar loepen pedant te worden. Maa: r nu heb ik het buitengewone voorrecht gehad al betrekkelijk jong in aanraking t© komen met mannen als D!r Bia-vinck, Dr H. Pierson, Mr d© Savornin Lohman, Dr Kuyper, Dir D. Bos e. a. En als ik een van di© menschen ontmoet had, , dan kwam ik in Kleidoïp; terug met de wetenschap, dat zij g'root waren ©n ik klein; - dat ik in vergelijking met die reuzen een dwerg was. Diames en heeren! als ik ben opgetreden als uwer één, als ik me niet geplaatst, heb op een piièdestal, , dankt dat dan aan de genoemde en niet genoemd© waarlijk groote mannen, die mij; onbewust ©n onwillens, hebben doen gevoeten, dat ér nog iets hoogers en iets beters bestaat dan schoolmeesterswetenschap.

Zouden er ten deze geen zondeboikken zijn dan schoiolmeesteïis alleen?

'De waardie va'n - een examen.

De" beier Wirtz sprak bij diezelfde gelegenfièï'tl nog een woord, idat uitmunt door humanen idank en - waarnaar; , gelijk wij hopien, gaiarne zal wpr^eja, geluisterd:

Een enkel Avoord nog o^sr de. examens. Eei'st in besloten kring en nu. een paa.r maal in 't publiek is er op gezinspeeld, dat pnkele candidaten hun slagen aan mij te danken hebben, als ik voorzitter van de commissie w, as. D'asa' is wel iets' van aan, maa: i.' het mag geen aanleiding geven tot verkeerde gevolgto'ekkingien. Op grond van ©on dertigjarige e'rVaring, kan ik getuigen, dat bijl ds examens steeds het lëmstig streven gevonden wordt stipt Rechtvaardig te zijn. In de tweede plaats heerschte ^r ook, misschien met een enkel© uitzonderingi gioote welwillendheid tegenover de candidaten. Het eenigc verschil tusschen mi| en anderen kan alleen 'hierin bestaan ihebben, dat ik de exaanens van verschillende kanten heb leeren bezien: 'k heb ze zelf afgelegd; 'k ben als deskundige erbiji geweest; 'k was heel vaak lid van de' commissie en in de laatste ja; ren meestal voorzitter. Daardoor weet ik, dat Ö5 pCt van de candidaten betel' zijln dan ze zich op onze examens vertoonen; dat teganover één, die bofl'-'eir wel negen staan, dis wianboffen. D'us achtte ik het mijn plicht, zoodra een candidaat op , het kantje kwam', e-en poging te wagen hem ot haal' over de streep' te halen, wat vaak gelukte, dank zij de ^roote welwillendheid der medeleden van de commissie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

PERS-SCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren