GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

9 minuten leestijd

Uit Dr A. Kuyper's aesthetische Studiën.

I.

Wie onder ons zich principieel rekenschap wil geven van zijn kunst- en schoonheidswaardeering verwaarloost Kuyper's aesthelische beschouwingen niet dan tot zijn groote schade. In hoofdzaak zijn ze te zoeken in een viertal geüchriften: Het Calvinisme en de Kunst, een rectorale oratie van 1888, de S ton e-lezing en, in 1898 te Princeton gehouden, De ge me en e Gratie (in Wie tenschap en Kunst) van 1905 en Pro Rege, derde deel, van 1912.

Het is ons doel in kort bestek eenige van Kuyper's hoofdgedachten over deze materie in de herinnering terug te roepen, (jezien den betrekkelijk langen tijdsduur, dien de aangelegen studiën overispannen, zou het wel te verwonderen zijn, zoo Kuyper zichzelf steeds gelijk gebleven was, zoo hernieuwde bestudeering van telkens wisselend gezichtspunt uit hem niet steeds nieuwe aspeclen had getoond. Waarschijnlijk zal ons bUjken, dat we hier en daar niet kunnen volstaan met het reproduceeren en overnemen van zijn gedachten; dat we voor een keuze worden gesteld; dat Kuyper te volgen zou zijn Kuyper verloochenen.

Daar aan een volledige, gedetailleerde vergelijking der genoemde geschriften, voo'rzoover ze dan thans in aanmerking komen, in een weekblad niet kan worden gedacht, kiezen we eenige der m ons oog belangrijkste onderwerpen uit ter bespreking. In dit en een volgend arükel kome dan ter sprake wat Kuyper dacht over het vraagstuk van: d e Kuns t en de gem eene Gratie. De lezer verontschuldige hier en later de soms breede citaten met de wensche]ijkheid Kuyper zelf zoo duidehjk mogelijk te doen spreken.

Reeds in Het Calvinisme en de Kunst^) is hij de overtuiging toegedaan, dat alle kunsttalent en kunstzin „niet tot de bijzondere, maar tot de algemeene genade behoort". „Juist toch de Calvinist had steeds een scherp oog voor het feit, dat God God bleef ook over de volken en personen, die Hem niet aanriepen; en dat Hij aan ons gevallen geslacht ^een heerlijken schat van denkkracht, rechtsbesef en kunsttalent schonk, die veelszins rijker aan de verwerpers dan aan de vereerders van Zijn naam wierd toebedeeld" (15).

In de tweede plaats schrijft hij de volledige vrijmaking der kunst uit de boeien der Kerk in den diepsten grond toe aan Calvijns onderscheiding tusschen een algemeene en een bijzondere genade. „Acht men dat enkel binnen de om tuining dter Kerk Gods heerlijkheid gezien wordt, en dat hetgeen onder de volken buiten het kerkelijk erf doorleefd wordt, een schier uitsluitend demonisch karakter draagt, dan natuurlijk moet wel het pogen ontstaan, om heel het leven kerkelijk te maken, en is ex o reis mus het geboden middel, om iets : van het onheilige op het heilig terrein over te torengen. Maar daartegen juist kwam de Calvinist op. Hij weet niets van een exorcisme. Hij acht, dat ook het aardsche leven op zichzelf beteekenis heeft; bekent, dat er vonken van hoogere gratie ook in de heidenwereld gloorden; en belijdt, dat God de Heere na den zondeval, ook buiten de quaestie der zaligheid om, genadegaven aan dit menschelijk geslacht schonk, ten einde een eerbaar „menschelijk leven" mogelijk te maken. „Eeuwige zaligheid" is den Calvinist geen vrucht van een kerkelij k-maken der wereld, maar eenigUjk van uilverkiezing; en deze uitverkiezing, die op het eeuwige doelt, en de algemeene genade, die voor dit leven aan ons geslacht verleend is, zijn twee. Dit ging door voor de volken in hun legenstelUng tot Israël, maar ging natuurlijk ook door voor de onderscheiding van kerk- en volksleven in elk Christenland... Beide, Kerk en maatschappij leid^ den van nu voortaan een eigen leven, hadden zich te ontwikkelen, elk naar eigen aard" (21). In een noot (76) merkt K. hierbij op: „Niet enkel zijn Kerk, heel de wereld moet Hem eere geven. Edoch de wereld, die dit niet kan op de manier der Kejk, ontving de „algemeene genadt^", om het op haar wijs te doen".

In de Kerk werd deswege alle wereldsch ornament opzij gezet, maar buiten haar muren aan de kunst een nieuwe wereld als arbeidsterrein ontsloten. Zelfs oefende het Calvinisme zijdelings invloed uit op de kunst in stofkeuze en stemming door zijn gezond-realistischen zin, zijn leer der uitverkiezing, zijn democratischen aanleg, zijn huislijken trek, zijn vrijheidsdorst (21—27).

Maar een eigen kunststijl mist het Calvinisme — en dat is zijn eere; juist doordat het „de kunst mondig dorst verklaren en op eigen verantwoordelijkheid de wereld inzond". „Zelfs de poging, die gewaagd is, om in de nieuwe wereld der tonen, die Bach en Handel ontsloten, een specifiek-Protestantsche kmistopenbaring te beluisteren, acht ik dan ook mislukt" (29).

Eén izitzondering kent Kuyper: de kunst der poëzie. In het onnavolgbaar schoon geschreven sluitstuk zijner rede (met de beroemd geworden herwaardeering van Cats) betrapt hij den Calvinistischen dichtstijl op het leven. Vanwaar die uitzonderingspositie der dichtkunst? In tegenstelling met de andere kunsten is zij nationaal en zoo kon het ook niet anders, of de in den boezem der natiie worstelende tegenstellingen moesten in haar aan het woord komen" (30).

De gelijkgelitelde S ton e-lezing werkt een en ander onder nieuw gezichtspunt uit. Zoo is o.a. het volgend citaat belangrijk: „Reügie en kunst hebben elk een eigen levenssfeer, sferen die, aanvankelijk nauwelijks onderscheiden en deswege ineengemengd, bij rijker ontwikkeling vanzelf tiiteengaan" (142). De lezer heeft opgemerkt, dat hier niet meer sprake is van Kerk en Kunst als onderscheiden, ja gescheiden sferen, maar van Kunst en Religie. Voorwaar, een ingrijpend verschil!

Wederom wordt de vraag gesteld, of de rekening van het Calvinisme gedebiteerd mag worden met de ontstentenis van een eigen kunststijl.

Thans wordt vastgesteld, dat een alomvattende, alle kxmsten stempelende stijl ondenkbaar is bij bxutensluiting der Religie. En die komt als inspiratiebron voor den Calvinist niet in aanmerking. AI heeft het Calvinisme zijdelings en feitelijk de ontwikkeling der kunsten bevorderd. Op muzikaal gebied zelfs positief en in directen zin. (138—167). Men kent het onvergetelijke slot der lezing!

Verwante gedachten keeren in De gem eene Gratie terug. Toch zijn verschilpunten te ontdekken. Het huwelijk tusschen kunst en religie wordt even streng als vroeger veroordeeld (46). Niettemin moest „aan den geest van de Christelijke religie de stexm geboden worden, dien de schepping van een Christelijke Kunst alleen verschaffen kon. Te betreuren was het slechts, dat dezie verjongde Kunst èn te eenz, ijdig èn te uitsluitend kerkelijk optrad. Te e en zij dig, door de vijandige positie waarin zij zich aanvankelijk stelde tegenover de klassieke kunst der ou.dheid, èn te kerkelijk, doordien alleen in het centrum van het kerkelijk leven vooralsnog de gegevens aanwezig waren om ware Ktmst te doen opbloeien.... Dit nu had tengevolge, dat het denkbeeld van Christelijke Kunst schier voor gelijkluidend gold met kerkelijke kunst... Al heeft dan ook deze kerkehjke kunst ontegenzeggelijk veel schitterends voortgebracht, en kostelijken dienst gedaan, om aan de ideale opvatting van het leven een heiliger rlöhting te geven, toch kan kwalijk beweerd worden, dat haar spoor ons duurzaam den weg kon wijzen. Immers de Kunst leeft bij de gemeene Gratie..." (84). Daarom weigerde de Reformatie dan ook, bij alle waardeering, „in haar de eenig ware en volkomen uiting der Kunst naar Christelijken maatstaf te eeren" (84).

Men hoort het, hier klinkt een andere toon in Kuyper's waardeering der kerkelijke kimst. Ze mag dan al niet de Christelijke kunst vertegenwoordigen, ze heeft haar onloochenbare verdiensten. Desondanks wordt het gemeene-Gratie-standipimt niet verlaten. „Op zichzelf is het volkomen waar, dat de Kunst, na haar vrijmaldng, wereldsch geworden is, in dien zin, dat ze alsnu ophield op het heilig erf te verkeeren (hoe weinig streng dit genomen moet worden, blijkt uit wat we zooeven citeerden en uit wat volgt, D.) en zich mengde in 't gewone burgerleven. Haar inspiratie heeft nooit tot de pai-ticuliere Genade behoord, maar is altoos uit de gemeene Gratie voortgekomen... Maar hierin ligt volstrekt niet opgesloten, dat de Ktmst daarom voortaan haar motieven niet meer aan heb heilige zou mogen ontleenen, of geen roeping meer tot verheerlijking van Gods naam zou hebben". (50). Geen kunst van hooger orde „die, sinds ze haar zelfstandig karakter openbaarde, niet ook van het heilige en gewijde haar rijkste motieven heeft ontvangen.... De scheiding tusschen Kerk en Kunst draagt daarom volstrekt niet het karakter van een volkomen scheiding tusschen Kimst en de Religie." (50)

Vooral deze laatste zin verdient, na wat we uit Het Calvinisme (en de Kunst) citeerden, alle aandacht.

Nu behoudt de Kunst ook tegenover dfen eeredienst haar roeping, althans wat bouw-, zang- en toonkunst aangaat (77). Doch ook daarbuiten heeft zeopheiligterrein haar bestemming. Immers van tweeërlei geest kan ze instrument zijn, wijl in al haar scheppingen draagster en voertuig van een bezieling, die stuurt en stuwt in een bepaalde richting (77, 79, 81). „Hiermede is niet ontkend, dat er tot op zekere hoogte ook een neutraal terrein van de Kunst denkbaar is, waarop geen geestesrichting uitkomt; maar zelfs dat gaat slechts bij oppervlakkige beschouwing door, en nauwlijks verheft de Kunst zich tot iets hooger terrein, of de uiting van deze of gene geestesrichting is aanstonds onmiskenbaar." (81). Voorbeelden worden ontleend aan de bouwkunst (Pantlieon te Rome tegenover Gothischen Dom te Keulen), schilderkimst (Rembrandts diepe ernst tegenover Jan Steens wufte losbandigheid), zang- en toonkunst (Wilhelmus van Nassauen tegenover Marseillaise; Bach tegenover Meijerbeer^).

Speciaal het laatste is interessant naast de opmerking in Het Calvinisme en de Kunst over Bach en Handel, bij wie een specifiek-Protestantsche kunstopenbaring te beluisteren niet mogelijk zou zijn. Zeker, van een specifiek-Prortestantsche kunst rept ook de plaats tüt De gemeene Gratie niet. Maar met groote stelligheid wordt hier toch het bestaan van een kunst uit goddelijke inspiratie gesteld tegenover eene die tot den geest uit de diepte haar oorsprongen herleidt.

Een kunstuiting der Palingenesie (wedergebooirte) tegenover een ongoddelijke, ja satanische kunst. En daii wel zóó, dat feitelijk heel het hoogere kunstleven door dezen tweeërlei geest woKlt gevormd.

Of hiermede het behandelde vraagstuk nader gebracht is tot zijn oplossing en in hoeverre de gemeene-Ciralie-constnictie deze opvatting verdraagt, mag pas aan de orde komen na bestudeering van het vraagpunt uit Pro Re ge.


1) Ter onderscheiding citeeren we de overeenkomstige lezing uit de Stone-lectures ^ als: - , ; Het Calvinisme (en de Kunst)".

2) Elders bij Kuyper de juiste schrijfwijze van dezen naam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's