GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

8 minuten leestijd

De rijmprent.

Over het gedicht, dat Dr Boutens maakte ter gelegenheid van het vorstelijk huwelijk, is al heel wat geschreven.

Stellig heb ik niet alles onder oogen gehad, wat er over is gepubliceerd.

Misschien is dat gelukkig.

Onder de beoordeelingen, of veroordeelingen, die van Christelijke zijde zijn verschenen, waren er enkele, die een eigenaardigen geest deden blijken; zoo iets van: ik ben nou wel orthodox, maar laat u dat niet afschrikken, ik ben werkelijk nog wel te genieten, zie maar eens wat een waardeering ik heb voor den dichter Boutens. Verder werden er pogingen tot exegese gewaagd, die elkaar soms kras tegenspraken. Er werd ook wel gemopperd zonder argument, en dat is gevaarlijk werk. Toont de zooeven gesignaleerde waardeering gebrek aan ernst en bezinning, bij het mopperen kan er wel de ernst achter hebben gezeten, maar de bezinning schiet hier te kort.

Toch lokt dit gedicht onweerstaanbaar tot nadenken uit. En dat is er sinds de dichter zelf een paraphrase gaf, niet minder op geworden; integendeel heeft dat de zaak nog gecompliceerder gemaakt.

Immers deze paraphrase stelt ons voor twee vragen.

De eerste luidt: is de dichter tevens gezaghebbend exegeet van zijn werk?

Op h.et eerste zien lijkt deze vraag absurd. De dichter zal immers zelf toch wel het beste weten, wat hij met zijn gedichten bedoelt? Beantwoordt men echter "bovengestelde vraag met genoemde wedervraag, die eigenlijk een bewering is, dan houdt men geen rekening met de feiten waar het hier toch om gaat. Kort kan ik het zóó uitdrukken: dat dichten ^iets radicaal anders is als exegetiseeren: het eerste is een kunst, het laatste een wetenschappelijke bezigheid. Daardoor is de houding van den exegeet een radicaal andere dan die van den dichter. Wil men het héél scherp zeggen, dan zou men de stelling kmmen verdedigen, dat de dichter zelf nu juist de minst aangewezen persoon is tot het geven van een exegese.

Daarbij hoede men zicli voor een bedenkelijk misverstand'. Het is niet zoo, dat dichten een zaak van het hart, en uitleggen een zaak van het verstand ware. De dichter gebruikt zijn verstand wpl ter dege, anders is hij geen dichter meer; en de exegeet zou alleen dan zijn arbeid zonder zijn hart kunnen doen, als hij geen ernst met zijn werk maakte; doch dan is hij geen exegeet meer.

Dit neemt natuurlijk niet weg, dat ieder, die belang stelt in het gediciht, gaarne zal luisteren, wanneer de dichter iets over zijn werk gaat vertellen.

Hiermede komen we tot de tweede vraag, waarvoor de paraphrase van den dichter ons stelt; een vraag, die eigenlijk reeds opkwam bij het lezen van het gedidit, maar die zich na het vertellen van den dichter omtrent zijn werk in nog sterker mate opdringt: wat is hier de religieuze wortel van het gedicht?

D.eze vraag raakt de wereldbeschouwing. En daaromtrent kan de paraphrase van den dichter zelf weinig licht brengen. Immers een paraphrase als deze draagt niet het karakter van een zich rekenschap geven van zijn richting; het is niet anders dan een spreken vanuit ei^gen richting, die hierbij niet wordt ontleed, maar eenvoudig als het vanzelfsprekende wordt ondersteld. De paraphrase doet dan ook eigenlijk niets anders, dan ons terugwijzen naar het gedicht.

Wat zegt nu het gedicht zelf ons aangaande zijn wortel ?

Gemakshalve ga ik ter oriënteering uit van enkele opmerkingen, die de heer W'. v. d. Vlies te IJmuiden maakte in een schrijven, dat opgenomen is in 3, De Standaard" van 27 Januari j.l. De strekking van dit schrijven is, als ik goed zie, er even op te wijzen, dat de exegese, die de heer V. d. V. gaf, en nu door de zelfexegese van den dichter is achterhaald (iets, wat ik met den heer V. d. V. om bovengenoemde redenen niet geïieel eens ben) toch inderdaad voor de hand ligt. Blijkbaar is de zelfexegese op sommige punten voor den heer v. d. V. een verrassing geweest. En 'kheb den indruk, dat het tevens een teleurstelling was.

Dit laatste geeft me des te meer moed, om nu naar den wortel van het gedicht te vragen. Die wortel kon wel eens heel wat minder aanlokkelijk zijn dan degenen die door het meesterlijke vers van Boutens werden geboeid, aangenaam vinden; hun bewondering voor den diditer kan er een breuk door krijgen.

'k Ontleen nu aan het schrijven van den heer v. d. Vlies:

„Nu het blijkt, dat Boutens met die wonderlijke „lente letterlijk den mooien nazomer bedoelt, kiui- „nen we deze zienswijze wel rangschikken onder „de dichterlijke fantasie. Wat zou er gebeurd zijn, „als September zich gekenmerkt had door hevige „stormen en slagregens? "

Hier raken we het kritieke punt. Wiant het gaat hier waarlijk niet om dichterlijke fantasie, iets wat ten slotte tot den aard der poëzie behoort. Neen, we hebben hier m.i. te doen met de wereld^ beschouwing van den didhter, die óók in zijn gedicht tot uiting komt; die heel zijn dichtwerk draagt; die er de religieuze wortel van uitmaakt.

En daarbij baat het weinig op te merken, dat we hier met de sfeer van het sprookje te doen hebhen. Want of we nu deze inkleeding hebben of een andere, het gedicht geeft niettemin een paganisüsche opvatting van de huwelijksliefde als onderdeel van een strikt tellurische wereldbeschouwing.

Dit blijkt wel duidehjk uit een opmerking in de zelfexegese, die ook in het schrijven van den heer V. d. V. wordt aangehaald: „„En dit Nederlandsche land werkt nu in deze vreemde lente op de Prinses zooals de natuur in de lente altijd werkt op menschen die jong zijn"".

Zie, deze kijk kan m.i. het beste worden getypeerd als tellurisme.

Even een kleine verklaring van dezen term. Het woord is afgeleid van „tellus", dat aarde en aardgodin beteekent. Het is de verheerlijking van de aarde als moeder-aarde en dooden-akker, zooals dat meer dan duidelijk wordt uitgesproken in het couplet, dat ik niet zonder verontwaardiging en weerzin lezen kan:

Dezelfde grond, hetzelfde veld^ Waar ons gemeene dooden zijn In hun verheerlijking besteld. Oefent aan u zijn zoet geweld Van levens Mei en hoogfestijn.

Dit vers is völ van leugen.

Leven en dood worden liier vervalsdht.

Want het leven wordt hier gezien als een proces, waarin de dood als een moment is opgenomen. Daarom zijn de dooden, die ter aarde besteld zijn, daar in hun verheerlijking. En'diezelfde grond, die doodenakker is, is ook als moeder-aarde wekster van leven, ook van het leven der huweüjksliefde. Zoo wordt hier het leven vervalscht. De dood, die alles verontreinigt en besmet, die wordt hier als een stuk, en een schoon stuk, leven gezien.

Ook de dood wordt hier vervalscht. Het is de „goede dood". Datgene, dat in werkelijkheid hèt afschuwelijke, hèt tegennatuurlijke, hèt schrikkelijke in de schepping is, wordt hier verdoezeld tot een ziekelijk begripje, dat met de realiteit niets te doen heeft. Het is niet waar dat onze gemeenschappelijke dooden in den doodenakker zijn; en dat hun lichaam daar rust is geen verheerlijking, maar schande en vernedering.

Dit vers is het tegendeel van het eerbiedig em liefdevol herdenken van onze dooden; het is afschuwelijk spotten met hun verscheurdheid, met hun ontkleed-zijn.

Het spreekt vanzelf, dat een Rijbelcitaat als „die vertrouwen haasten niet" hier oen profanatie in den vollen zin van 't woord beduidt. Wiant het vertrouwen, waarover de dichter hier spreekt, kan niet anders zijn dan het vertrouwen op de macht van het tellurische, de kracht die geacht wordt uit te gaan van de moederaarde-doodenakker, die alle „leven" baart en bergt in eeuwige wisseling.

De heer v. d. V. is van oordeel, dat juist diH feit, dat Routens zulk een bijzondere beteekenis toekende aan dien mooien nazomer, een reden is geweest waarom velen de verzen rdet hebben begrepen.

Dit ben ik hartelijk met den geachten schrijver eens. Inderdaad, zulk paganisme is door en door on-Nederlandsch, en heeft letterlijk niets met het „hart des volks" te maken. Nog scherper spitst zich deze tegenstelling toe, als we denken aan de geschiedenis. Boutens, die deze geschiedenis niet kan verstaan, heeft haar kalm laten hggen. In de zelfexegese is wel sprake van historische beteekenis, maar als we dit begrip historisch moeten zien in het raam van dit tellurisme, dan hebben we ook hier te doen met een gedachte, die met do werkelijkheid bitter weinig uitstaande heeft.

Als de heer v. d. V. ten slotte zegt: „Daarom ware het misschien beter geweest, als Boutens deze rijmprent niet zoo. nauw had samengewevea met de natuur", dan meen ik, dat een belangrijke factor over "het hoofd wordt gezien: men kan niemand voorschrijven om voor een bepaalde gelegenheid anders te zijn dan hij is. Boutens zou in hooge mate onwaarachtig zijn geweest, als hij gehandeld had zooals de heer v. d. V. achteraf wenscht. En dat vergt natuurlijk niemand van hem, en dat zal ook de bedoeling van den heer V. d. V. wel niet zijn.

Daarom wilde ik de verzuchting van den heer V. d. V. zoo interpreteeren: het zou beter zijn geweest, als deze rijmprent nooit gedicht ware.

Dit inderdaad sublieme gedicht is niettemin do wanklank op het huwelijksfeest van onze Prinses.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren