GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De Kerk in het eindgericht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Kerk in het eindgericht

15 minuten leestijd

Openbaring 19 : 6—10.

(V)

Dit gedeelte der Heilige Schrift verhaalt ons een nieuw visioen van Johannes op Patmos. En het is direct wel duidelijk, dat hier in het middelpunt staat de verheerlijking van Christus' Bruid. Immers, Johannes hoort een machtig gedreun van stemmen, die een lofzang aanheffen: „de bruiloft des Lams is gekoiiieri, en. zju vrouw iieeft zichzelf bereid. En haar werd gegeven, dat ze bekleed werd met rein en blinkend lijn lijnwaad. Want dit fijne hjnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen". En omdat dit de inhoud is van dit loflied, beveelt de engel die met Johannes sprak, hem dan ook een zaligspreking op te schrijven: Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.

Mü, dan verstaat ge wel duidelijk, dat dit visioen de tegenhanger is van dat andere gezicht uit Openb. 17. Terwijl Openb. 19 ons verkondigt de glorie van Christus' Bruid, is dat 17e hoofdstuk. vol van de gericbten die in de laatste dagen zullen komen over de hoer, die zat aan vele wateren. De hoer wordt geoordeeld, zei Johannes ons eerst; maar nu predikt hij: de Bruid ontvangt haar heerlijkheid, en haar fijne bruidstoilet. En de tegenstelling tusschen die beide profetieën is daarom volkomen.

Toch mag het ons niet ontgaan, dat er een heel nauw verband i.ï tusschen deze beide hoofdstukken uit de Openbaring. Want maar al te licht denken we, dat we in de Openbaring vele losse, op zichzelfstaands beelden van de toekomst ontvangen, zoodat we om zoo te zeggen telkens een nieuw lantaamplaatje te zien krijgezx. Doch zoo is het niet. Daar zit in dit boek een strakke lijn. Xie kent wel het verschil tusschen een film en een projectielantaarn. De man, die met een projectielantaam langs de scholen gaat, brengt telkens een nieuw plaatje op het doek. Het zijn om zoo te zeggen een aantal aparte foto's. Maar de mer.eer, die een film draait, doet anders. Hij geeft een aantal samenhangende beelden: ge ziet daar de ontwikkeling van het een tot het ander. Ds eerste laat u een aantal momentopnamen zien, doch daar liggen hiaten tusschen; het eene beeld sluit niet precies op het andere aan; er wordt telkens een sprong gemaakt. Maar de film vertoont u één samenhangend beeld; ge krijgt één geschiedenis, waarvan ge de verschillende momenten kunt volgen en waarin u de ontwikkeling wordt getoond.

Zoo staat het nu ook met de Openbaring. Johannes brengt niet een aantal kiekjes van den eindtijd, niet een massa fotoflitsen, doch het eene drania van het wereldeinde; ge ziet de gansche ontwikkeling van het, eene stadium tot het andere; hij vertoont u om zoo te zeggen de film van het einde.

Want kijk eens, als het hier in Openb. 19 een los beeld was, een aparte foto, zonder verband met de rest, — nu ja, dan was het natuurlijk wel mooi om daarnaar te kijken. Dan is het wel een vertroosting als ge in, al uw strijd en moeite van vandaag even een flits moogt zien van de blinkende heerlijkheid, die komende is. Maar ge zoudt nooit de ontwikkeling kunnen volgen; ge zoudt niets verstaan van den weg die tot die heerlijkheid leidt. Ge zoudt, om de vertroosting te smaken, geestelijk een sprong moeten maken uit uw werkelijkheid van nu naar de glorie, die eenmaal komt, doch daarna weer terugploffen in de misère van uw grauwe bestaan.

Maar houdt nu direct goed vast, dat Johannes geen los p'-.'atje op zijn lantra^n s< it, doch ©en filrp. vertoont.

Want wie is het, die hier met hem spreekt? Dat is nog altijd dezelfde engel van hoofdstuk 17; één van de zeven engelen, die de schalen met Gods laatste plagen over de wereld leeggieten. Hij bracht Johannes in den geest in een woestijn, ver buiten het rumoer van de wereld. Johannes kreeg daar geen enkel bericht meer door, hij was hermetisch afges'.oten van het leven. Maar toen liet God dien engel voor hem de film der geschiedenis draaien. En Johannes zag toen eerst dat adembenemende schouwspel van het Beest met 7 koppen en tien hoornen, en van een overspelige vrouw, die op dat Beest zat. Ge weet daar nu wel alles van; het Beest is het satanische wereldimperium, het eene rijk van godslastering en gruwelen; dat sinds de dagen van den zondvloed telkens weer in andere gedaante zich vertoont. Bijna zonder pauze volgen de wereldrijken elkaar op: het Oud-Babylonische, 't Assyrische, 't Nieuw-Babylonische, 't Medo-Perzische, 't Grieksch-Macedonische, 't Romeinsche. Telkens in een andere gedaante en in een nieuwen stijl. Maar toch telkens belichaming van het duivelsche streven naar wereldeenheid en naar volkerenverbroedering buiten Gods beloften om en tegen zijn geboden in. Een wereldrijk in velerlei vorm, en toch wezenlijk altijd openbaring en concretiseering van ongeloof en ongehoorzaamheid; een rijk altijd weer van godslastering, van afval en daarom altijd als een wild dier, dat vernieling en ellende brengt. En dan opeens een doodelijke wond; want de zesde kop wordt gespleten en verbrijzeld en dan spat de wereld uiteen in staten en rijkjes, en dan krijgt ge de moderne geschiedenis met vele volken en gï-enzen, waarin het maar niet lukt weer de gansche menschheid te vereenigen in één rijk. Dan schijnt het dus, alsof dat satanische monster, na den ondergang van het romeinsche rijk, nooit weer op zal staan, alsof 't doodelijk getroffen is. En toch, na zooveel eeuwen, dan lukt het opnieuw; dan weten de menschen hun versplintering en hun oorlogen te boven te komen, en weer verrijst de satanische wereldeenheid.

Wat leerten we hier onze geschiedenis verstaan! Want wij vandaag, we kijken weer in den bek van het Beest, we zien zijn zevenden kop dagelijks scherper omlijnd zich vertoonen.

En dan die andere, nog grooter, . verschrikking daarbij: van de vrouw, die overspel bedreef en zich pronkend vertoonde met de glorie van deze wereld. De afvallige kerk, die het verbond met den Heere breekt en van Hem afhoereert, en haar trouwe kinderen doodt; de hoer, die internationaal tot een macht wordt en overal in de wereld de lakens uitdeelt, die de politiek leidt en de economie beheerscht; die alle grooten der wereld toelonkt en met hen een bondgenootschap sluit; die alle menschen dronken maakt van de heerlijkheid eener „christehjke" cultuur; de kerk, die haar hemelsche roeping vergeet en haar luister van boven veracht; en instee daai-van zich tooit met goud en piirper en juweelen. Tot de Heere tenslotte den Antichrist en zijn tien vazallen verwekt, en heel de wereld in het harnas jaagt tegen deze overspelige kerk.

Och, als het u gaat als mij, dan komt ge onder de beklemming van dit visioen niet meer uit. Want de zevende kop van het Beest vertoont zich, het wereldrijk komt geruischloos opzetten, het is al veel dichter bij, dan we vermoeden. Ge ziet het toch, dat de grenzen worden uitgewischt, en dat onze overheid niets meer in te brengen heeft? Ge ziet het toch, dat ook ons land evenals de andere wordt geregeerd vanuit Lake Succes? En ge ziet toch de wereldkerk met lonkende oogen, vol overspel?

Nu, dat idven van ons, sooais het vandaag vorm aanneemt, — die geschiedenis, die zich in onze dagen voltrekt, die heeft Johannes voor zijn oogen gezien op de film van het wereldeinde, die de engel hem toonde. Het was om zoo te zeggen, 't eerste bedrijf.

Maar dan volgt het tweede bedrijf. Als die overspelige wereldkerk haar afval en hoererij, haar ontrouw jegens Christus en tegen de ware kinderen der kerk, tot het hoogtepunt heeft gevoerd, in die dagen van den zevenden kop, — als wereldrijk en wereldkerk samen dit overspel op de spits drijven en zoo een pronkende „christehjke" cultuur hebben geschapen, waardoor iedereen betooverd wordt, dan komt uit dat 7e rijk opeens het 8e te voorschijn; het rijk van den naakten Antichrist en zijn tien vazallen. En zij koppelen hun macht niet langer vast aan het overspel en de gruwelijke pracht van de kerk, die lonkend naar alle kanten een schitterende cultuur bouwt en dronken is van het bloed van haar kinderen; neen, deze kerk staat hun opeens tégen, ze krijgen een walging van haar en van heel de verblindende luxe, waarin zij het leven deed baden; ze moeten niets meer hebben van haar vrome praatjes en van de gekerstende cultuur; grimmig en verbeten werpen ze zich op die overspelige kerk. Alle wereldmachten loopen tehoop achter den Antichrist, iedereen draagt zijn kroon en zijn macht over aan het Beest, en blindelings volgen ze zijn leiding. Ze zijn zoo eenstemmig, als ze het in de heele geschiedenis nog nimmer zijn geweest; want God heeft ze na al hun onderlinge veeten en oorlogen opeens eenstemmig gemaakt. Alle machthebbers zijn dan door Hem opeens overgeleverd aaa een eenstemmigen en massalen haat tegen die hoer. en ze gaan haar dooden.

Dat is dan ook de tweede acte van het drama, dat Johannes in hoofdst. 18 zag. Hij ziet dan dat groote Babel, die kerk die slechts één was in ongeloof en ongehoorzaamheid, — hij ziet, zeg ik, dat groote Babel dan in vlammen staan, en het is een brand, waarbij die van Rotterdam in het niet zinkt. Heel de christelijke cultuur wordt in een oogenblik ineen gerammeld; alle schatten der christelijke cultuur, alle rijkdom, alle weelde, alle wetenschap en kunst, alles, wat die kerk internationaal met haar afval heeft gebouwd, het gaat in één seconde in vlammen op. Johannes teekent ons allen in ontzetting: de rijksgrooten, de kooplieden, de menschen van het verkeer. Want het gansche zakenleven was ingesteld op deze christelijke cultuur der afvallige kerk; daaraan hebben ze allen verdiend; en in één uur is heel die heerlijkheid verwoest.

Ge vraagt of er dan niemand is, wien het aan zijn hart gaat, dat zooveel cultuurschatten aan de vlam-

men worden prijsgegeven? Maar ze kunnen niet anders meer. God heeft alle grooten der aarde één van wil gemaakt en hun in hun hart gegeven, dat ze zijn wil zouden doen. God moet van die heele cultuur niets meer hebben, en Hij perst alle menschen om z ij n wil te doen, en dan jagen ze den brand erin, zoodat haar rook opstijgt tot in alle eeuwigheid. Alle pracht en praal, waarin de afvallige kerk zich hulde en waaruit ze de menschen deed „drinken" met wellust, — het wordt alles in één uur vernietigd. Daar blijft van de overspelige kerk en heel haar cultuur niets over.

En ondertusschen gaat het doek op voor het laatste bedrijf van dit eene drama. Het begint in den hemel met een groot Hallelujakoor. Daar boven breekt de jubel los over God, die eindelijk geoordeeld heeft de hoer, die met haar overspel de gansche aarde verdierf, en die zich zat gedronken had aan het bloed van haar kinderen. En die lofzang is nog maar net verstorven, of Johannes hoort het al voor de tweede maal: Halleluja. En het gejuich blijft aanhouden: het stijgt op bij de trappen van Gods troon, en er is tenslotte zelfs een stem uit den troon, "die alle knechten Gods tot het Halleluja oproept. En dan hoort Johannes het aanzwellen tot een machtigen orkaan van geluid. De lofzang, die geopend werd ia den hemel, wordt nu overgenomen door de kerk op de aarde; en het is als een geluid van een groote schare; het klinkt als het zware geklater van een waterval, en als het donkere gerommel van een onweer: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft de koningsheerschappij aanvaard. Het koninkrijk Gods is nu eindelijk ten volle werkelijkheid geworden. En ze wekken elkaar op: laat ons nu blij zijn en vreugde bedrijven! We zullen God de heerlijkheid geven!

Want wie stond achter dit alles? Wie liet het Beest herstellen van zijn doodelijke wond? Wie deed den Antichrist opkomen? Wie perste de geschiedenis tot den zevenden kop van het Beest? Wie bracht dit oordeel over de grooterhoer? God!

De menschen deden het niet. Deze gansche ontwikkeling der geschiedenis was het werk van Gód. Hij zat triomfeerende boven de groote volkerenzee. Hij perste de dagen, Hij stuwde de machten. Hij rekende restloos af met de groote hoer; Hij aanvaardde Zijn koningsheerschappij. En Hij deed dat opdat zijn volk zich verheugen zou. Want nu is gekomen de bruiloft des Lams, en zijn vrouw heeft zichzelf voor haar trouwdag getooid in haar blinkend witte bruidstoilet.

Ziet ge nu de eene geschiedenis, die wij beleven? Die Johannes zag uit de verte, maar die voor onze oogen al tot werkelijkheid wordt?

Het begin is het Beest, en de zevende kop, die verschijnt; het begin is de hoer, die het leven verderft en zich dronken drinkt aan het bloed; het begin is die wereld van ons vandaag, die zoo benauwend en beklemmend is. Zoo meteen komt het tweede: de brand, die inslaat in heel de valsche kerk en al haar pronk. Maar God perst de dingen, en Hij leidt de geschiedenis zoo, opdat komen zou de eeuwige blijdschap. En als ge dus huivert, gij die vandaag de eerste donkere bee'den van dezen film op het doek der geschiedenis verschijnen ziet, houdt dan vast de glorie der laatste beelden, die u getoond zijn in het Woord, maar die straks ook gezien zullen worden als geschiedenis: de valsche kerk gaat onder, doch de ware kerk, de Bruid, gaat langs dezen weg in tot de eeuwige gemeenschap met den Bruidegom. Het einde van de geschiedenis, die vandaag wordt gemaakt, en die ons doet beven, — het einde van deze geschiedenis is de glanzende bruiloft van de ware kerk. Straks leidt men haar, in staatsie uit haar woning, in kleeding, rijk gestikt, tot haren Koning.

En wie dit gelooft, is waarachtig getroost.

Nietwaar? -Als wij den ontstellenden chaos zien van dezen tijd, de goddeloosheden, de gruwelen, de gewetenloosheid van de wereldpolitiek, het geknoei van de kerk, — dan komt niet één van ons er meer uit.

' En dan brengt Openb. 17 in dien warboel wel wat lijn en teekening. God wijst het ons aan: de zevende kop van het Beest is komende, en daarachter aan komt de Antichrist als achtste; en de kerk hoereert. Als we dat lezen, dan zien we het werkelijkheid worden voor onze oogen; en dan verstaan we het leven van nu. Maar als we niet meer wisten, dan was het nog om wanhopig onder te worden. Het wil toch wat zeggen, zelf te leven in een tijd, waarin het oude monster weer den kop opsteekt. Wat worden we gruwelijk eenzaam. En in deze wereld dragen we onze kinderen binnen.

Er stond onlangs een verhaal in de krant van een jongeman, die in Parijs zijn tenten had opgeslagen, en die van nationaliteitspapieren niet meer wilde weten. Hij noemde zich „wereldburger Nr. 1". Dan glimlachen de menschen: een dwaze fantast. Wij geven onze kinderen netjes aan bij den burgerlijken stand in eigen woonplaats, en ze worden opgenomen in een Nederlandsch bevolkingsregister; en als je een pas aanvraagt, staat het er keurig op: Nationaliteit: Nederland. Maar ondertusschen! Dat nationale is allemaal in ontbinding; grenzen bestaan 'er alleen nog op papier, in werkelijkheid is er al een wereldregeering. Al onze kindertjes, die als Nederlanders worden ingeschreven, zijn in. feite wereldburger; en als het meenens wordt vechten ze in een internationaal leger. Ik zie den zevenden kop, en den Antichrist daarachter, en de groote hoer, zittend aan de vele wateren. In deze wereld draag ik mijn kinderen binnen. Als ik niet meer wist, was het om gek te worden en verbijsterd te staan. We leiden ze binnen in een wereld van schijnchristendom vandaag, in de wereld van naakte godslastering morgen. Ik zou dit niet kunnen verwerken, als God me van deze verschrikkelijke film niet de laatste beelden had getoond: „Halleluja! De Heere heeft zijn heerschappij aanvaard, en de bruiloft des Lams gaat komen!" Dat is het slot!

En als ze me nu vragen: waar gaat het heen met de wereld? Waarop loopt deze bezeten geschiedenis van vandaag uit? Waarheen ben je zelf onderweg en waarheen gaan je kinderen? — dan zeg ik nu: dwars door de hoererij heen en voorbij den geopenden bek van het monster gaan we naar het avondmaal van de bruiloft des Lams. Als ik dit niet wist, zou ik het leven niet meer aandurven.

Want weet u wat het gevaar is van het leven in dezen tijd? Dat we het als een noodlot over ons laten komen. Dat we het geknoei van de wereldpolitiek en de hoererij der kerk zien als mach teloozen, die er niets aan kunnen veranderen; als menschen, die tandenknersend of misschien ook gelaten de lawine over zich zien komen. Maar de Heere zegt: ge zult g e-1 ó ó v e n ! Is de historie van vandaag een noodlot, waar we machteloos tegenover star.n? Zeker, ik zie ook de gruwelen der menschen; maar dit alles wordt geregeerd door God. Hij laat het monster opstaan, en Hij laat de kerk hoereerend en dronken voortgaan tot den dag van haar verwoesting, maar Hij zegt: zoo kom Ik tot Mijn heerschappij, en zoo leid Ik mijn kerk tot de bruiloft. Ik ben bezig met de voorbereidselen. Ik richt de tafel al aan, en Ik schik de stoelen reeds.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 januari 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

De Kerk in het eindgericht

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 januari 1950

De Reformatie | 8 Pagina's