GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Blank en Kleurling.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blank en Kleurling.

6 minuten leestijd

Van onzen gewaardeerden vriend en broeder Ds. P. Jansz te Pati ontvingen we een belangrijk schrijven over de vraag, hoe te werk te gaan, waar blanke Christenen en Christenen uit de kleurlingen saam vergaderen in één bedehuis.

Hij is een teeder Christen, een man met een warm hart voor den inlands'chen broeder, en een missionair prediker van rijpe ervaring; daarbij een man van dege studie en wetenschap.

Het is daarom dat we aan zijn oordeel in zulk een materie waarde hechten, en het ook aan onze lezers weaschen mede te deelen.

Het luidt als volgt:

Pati, 6 Sept. 1897.

Hooggeachte Heer en Broeder in onze Heiland!

Weder neem ik de vrijheid een belangrijke zaak onder uwe aandacht te brengen. Het is een zaak waarover u zelf onlangs met belangsteUing schreef, n.l. de moeilijkheid waarin de Boeren in Transvaal zich bevinden ten opzichte van gezamenlijke Godsdienstoefeningen met de Kaffers die tot het Christendom gebracht zijn. Wellicht kan een beschouwing van wat hier, in gelijke, of bijna gelijke omstandigheden geschiedt, van nut zijn om in die moeilijkheid tegemoet te komen.

Immers ook hier hebben we bg de prediking meermalec een gemengd gehoor van Inlanders en Europeanen.

Wel is er groot verschil in aard van de Inlanders hier met de Kaffers ginds.

Niet dat zij het aan 't rechte eind hebben, die de Javanen beschrijven als een gedwee en lijdzaam volk. Wie hen recht leert kennen, riet er wel andere elementen onder werken en woelen dan zachtaardigheid en onderdanigheid, al zijn deze in de oppervlakte niet te miskennen.

Over 't algemeen is de Javaan bescheiden en houdt hij zich tegenover ons gaarne in de laagte. Wanneer wij bijv. in hun woning ons naast hun op hun rustbank neder zetten, dan gaan zij eraf en zetten zich op den vloer. Ze moeten wel zeer vertrouwd met ons zijn om dan naast ons te durven blijven zitten. Zijn we bij hen te gast, dan richten ze voor ons aan op een tafeltje, al naar voorhanden is, en zij eten met elkander op hun rustbank. Ook zullen ze dan hun maaltijd niet aanvangen eer ze ons om verlof daartoe hebben gevraagd. Dit alles is gezegd van de geringe Javanen. Ook de Christenen onder hen hoe broederlijk (altoos op die wijze van Ouder broeder) we met hen omgaan, laten van deze en dergelijke gewoonten niet af. Andersgezinden ontbreken echter ook niet, en er is soms veel beleid noodig om te zorgen dat hun invloed geen overhand verkrijge.

Indien er dan ook eens sprake ware van gelijkstelling van de Inlandsche Christenen met Europeanen, zou ik daar ernstig en krachtig tegen protesteeren. In het Reglement op het beleid der regeering is een artikel dat die gelijkstelling uitspreekt; maar gelukkig wordt dat als niet bestaande beschouwd. Toch zou het wel eens een nadeeligen invloed kunnen hebben indien de minder weigezinden van dat bestaan nadere kennis kregen.

Hoe nu is de zaak omtrent de bijeenkomsten hier ingericht? Voor de Europeaan en voor de Inlanders zijn afzonderlijke bedehuizen. Vanzelf verschijnen dezen gewoonlijk niet in de bedehuizen der eerstgenoemden, omdat ze onze taal niet, of niet genoegzaam verstaan. Wel komen Europeanen in de bijeenkomsten der Inlanders. Nu heerscht, ook daarbuiten, bijv. bij bezoek van Inlanders in onze woningen, het gebruik ieder zoo te ontvangen als de eigen gewoonte van zijn landaard is. De geringe Javaan is niet gewoon op een stoel te zitten maar zit op een Inlandschen rustbank (ambèn, balébalé) of op een raatje. Welnu, zoo ontvangen we hen ook in onze woning. Evenzoo handelt hij jegens ons: wetende dat wij gewoon zijn een stoel te gebruiken, zoo biedt hij dien ons ook aan als wij hem bezoeken. Plaatsen wij hem ten onzent op een stoel, hij zou zich niet op zijn gemak gevoelen wegens de ongewoonte. Zoo is het voor hem geen vernedering, maar een aangenaamheid, wanneer hij bij ons op een matje zit.

Wie nu van de zendelingen zich geheel naar de Inl. gewoonten schikt, heeft ook in de Godsdienstige bijeenkomst een mal gespreid waarop de Inl. Christenen op hun gemak zitten (N. B. niet hurken., zooals men dikwijls leest in sommige berichten: dat zou een, ook voor Inlanders zeer onpassende, en tevens zeer vermoeiende wijze zijn!) Komt er nu een Europeaan, wien zulk een wijze van zitten niet alleen ongewoon is, maar ook zeer ongemakkelijk zOu wezen, dan is er een stb^ voor hem gereed, geheel naar zijn gewoonte en gebruik. Werd van hem geëischt mede op. de mat te zitten, d^t zou, behalve noodeloos ongemak, tevens een vernedering zijn, terwijl de Inlander in zijn eigen gewoonte blijft en niet onverstandig in de hoogte geheven wordt. V/aar men voor de Inlanders het zitten op banken heeft ingevoerd, gaat het evenzoo. Wil een Europeaan bij hun op de banken gaan zitten, het staat hem vrij; verlangt hij een stoel, die wordt hem verstrekt, er staan gereed.

Op die wijze is er nooit eenige onaangenaamheid of verstoring der orde. Nog eens: er is groot verschil tusschen Kaffers en Javanen. Toch denk ik dat uit het bovenstaande wel iets af te leiden is dat ook ginds van dienst kan zijn ten goede. Misschien vindt u goed dit schrijven zooals het is, naar Transvaal te zenden. Wil U er uit nemen wat U geschikt voorkomt, en daarheen zenden, het is mij ook goed. Moge het werk daar rijk gezegend zijn, en weldra het geheele Kaffervolk als geheiligde nederige christenen den broederen tot vreugd en den Heere tot eere zijn!

Met hartelijke groeten en heilbede in den Middelaar,

hoogachtend.

Uw dv. dr, en broeder

Uitgemaakt achten we de quaestie hiermede niet, en liefst zouden we beginnen, met soortgelijke mededeelingen uit alle landen te ontvangen, waar blanken en kleurlingen saam in het heilige verkeeren, tevens met duidelijke opgave van het bereikte effect.

Eerst daardoor zou men de noodige gegevens bijeen krijgen, die tot juister en vollediger oordeel in staat stelden.

Ook hier schuilt de quaestie van de juiste verhouding tusschen natuur en genade.

De levensusantie en de graad van maatschappelijke ontwikkeling komt uit de natuur, de aanbidding van het heilige is uit de genade.

En daarom vermoeden we, dat men zal moeten beginnen, met in den uitwendigen vorm het verschil eerst toe te laten, maar dat het doel er toch op moet gericht blijven, om ten slotte ook in dien vorm één te worden.

Vooral bij de Kaffers komt daar dan nog het neusbezwaar bij. Doch ook dit moet ten slotte wegvallen, als de Kaffer ook in zindelijkheid, voeding en kleeding aan ons meer gelijk zal zijn geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Blank en Kleurling.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's