GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

8 minuten leestijd

De liaardracbt onzer vrouwen.

Een onzer lezers, die kappCT is van beroep, en het plan opvatte naast zijn heeren-ook een damessalon te openen, zit met een moeilijkheid. In verband met zijn uitbreidingsplan, kwam hij n.L - voor de vraag te staan, of het hem, als christen, straks wel geoorloofd zal zijn, vrouwen en meisjes, die dit wenschen, het haar te knippen naar de laatste mode (polka-haar en bobbed-hair). Hij vreest n.L dat deze mode in strijd is met 1 Coi-. 11:15, en dat een kapper die zich in haar dienst stelt, in strijd komt met 'üods Woord. Hij vraagt nu m'n oordeel, of dit werkelijk zoo is, of dat misschien de handeling in zulk een geval geacht kan worden geheel en uitsluitend voor rekening te komen van hem oif haar, die haar vordert.

Wat dit laatste betreft, is m'n antwoord natuurlijk een beslist „neen".

Een mensch handelt bij al wat hij doet — de gradatien naar gelang van de verhoudingen waarinen de omstandigheden waaronder hij handelt, nu buiten rekening gelaten — altoos op eigen verantwoordelijkheid. En elke gedachte, alsof wat jia'ëiïS-= doet in zijn dagelijksch beroep, of, wat op' hetzelfde •' neerkomt, om het lieve brood, op dezen regel een uitzondering zou maken, mag onder ons geen oogenblik worden geduld.

Het „goddelijk beroep" (Huwelijks-formulier), dat de bizondere vorm is, waarin we den wil bnzes Gods hebben te doen (Zondag 49 van den Heidelberger), is wel de erbarmelijkste verontschuldiging voor wat tegen den wil Gods ingaat.

Als daarom het dragen van polka-haar of bobbedliair door onze vrouwen en meisjes, als zonde moet veroordeeld worden, zou geen Icapper naiar deze mode mogen knippen.

Alles komt er dus op aan, of het dragen van koTt algesneden haar bij oaize vrouwen en meisjes al of niet zonde is voor God.

De vraag is heusch niet belachelijk, al heeft de combinatie van „bohbed-hair" en „geestelijke adviezen" meer dan één onzer lezers en lezeressen misschien even met een „nu, nu!" het hoofd doen "schudden.

Zooals de Schrift den vorm nooit als iets onverschilligs behandelt, acht ze ook de uiterlijke verschijning van onzen persoon, en zelfs wat we met een uitliecmsch woord ons , , toilet" noemen, niet zonder beteekenis. En evenmin als op vvelk ander gebied ook, gedoogt ze hier tegenspraak tusschen wezen en vo-rm, tusschen het innerlijke en het uiterlijke.

Dê teksten, waarin de Heilige Schrift, evengoed die des Nieuwen als die des Ouden Testaments, aandacht geeft aan wat tot ons toilet behoort zouden een heele lijst vormen. En 'k denk, dat het hoog tijd wordt voor ons christenen, om lot het besef te komen, dat we ons vooral op' dit terrein, een vrijheid hebben aangematigd, die angstig veel gelijkt op het „laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen" uit Psalm 2.

De vraag, die ons hier bezighoudt, werd dan ook, iicel begrijpelijk, reeds lang geleden aan de orde gesteld en vond reeds menige beantwoording.

Onder meer schreef Ds Knap er over in 't „Schouwvenster", en A. M. in , , Christelijk Vrouwenleven" (Mei en Juli '26).

'k Geef vrager den raad deze artikelen té lezen. Doch 'k wil hem oiok met genoegen m'n eigen gedachten hierover in 't kort zeggen.

Natuurlijk dacht hij bij de vraag, of kort-afgesne: den haar voor een vrouw al of niet geoorloofd is,

aanstonds aan 1 Cor. 11; voor zoover ik' weet het eenige deel der H. Schrift, dat hier in aanmerking komt.

Doch met dat in aanmerking-komen zit het dan wel seen weinig anders dan, gezien het gebruik', dat ze van vs 1—5 van dit hoofdstuk maken, velen zich voorstellen.

Rechtstreeks beslist deze pericoop> over de haardracht der meisjes ea vrouwen niets.

De vraagj waarom het betoog des Apostels zich beweegt, is niet, of een vrouw kort of lang haar moet dragen; maar deze geheel andere, of z'e, als ze bij den huisgodsdienst bidt of het Woord Gods uitlegt, al of niet het hoofd gedekt moet hebben.

D1 e vraag, en die alléén, beantwoordt de Apostel, {egenover de emancipatie-zucht bij sommige christelijke vrouwen van zijn dagen, die z!ulk een bedekking van het hoofd evemnin voor een vrouw als vooT een man noodig achtten, hier bevestigend.

Toch raakt zijn antwoord indirect ook wel terdege de vraag, die ons bezig houdt.

Tot ondersteuning van zijn antwoord beroept de Apostel zich n.l. — geheel zijn gedachtengang oaitleden kunnen we Ijier niet — onder méér op. het feit, dat God, in de schepping, der vrouw in het gemeen, ook der ongetrouwde — de Apostel heeft het uitsluitend over de getrouwde vrouw — reeds een natuurlijk deksel gaf, meteen ook een; sieraad, in het lang uitgroeiende haar.

Want — men lette er wèl op —• de Apostelberoept zich hier niet, zooals men het wel eens voorstelt, op een gewoonte of een mode in zijn dagen, maar ofp een beschikking iGrods in de schepping.

En in die goddelijke beschikking ziet de Apostel , - een symbolische aanduiding van de plaats, welke der vrouw, en der getrouwde vrouw in 't bizonder, door Hem aangewezen is en die ze gewillig heeft te aanvaarden.

Verdei' strekt het woord des Apostels niet. Een voorschrift ten opzichte van de haardracht der vrouw, bedoelt hij hier niet '•te geven. ïoch is daarom zijn woord niet zonder betetekenis daarvoor.

Uit heel zijn rede-verband is zooveel 'duidelijk, dat een vrouw, die zich het lange haar zon laten afsnijden, omdat het een symbool is van haar onderworpenheid aan den man, zou zondigen.

Doch daaruit volgt nog niet, dat het dragen van kort haar zonder meer haar tot zonde zou' zijn. Immers de zonde schuilt dan niet in het afsnijden van het lange haar op zichzelf, maai in de emancipatie-zucht, die er toe dreef. En daarin ligt, voorzoover ik kan zien, óók de beperking der toepassing van het woord dgs Apostels opi de nieuwste mode in de vrouwelijke haardracht van tegenwoordig.

Voorzoover die samenhangt, meer of min bewust, met de valsche emancipatie-zucht, die zich in allerlei laat gelden, of ook maar met den daarmee samenhangenden drang om alle onderscheid tusschea man en vrouw, ook in hun uiterlijke verschijning, uit te wisschen, mpef ze als de vrucht van een giftige plant, moet ze als zondig in haar wortel worden afgewezen. En omdat deze leelijke mode in haar opkomen, daarmee ongetwijfeld verband houdt, geloof ik, dat wij', christenen, goed doen met voor haar de deur te sluiten.

Ongetwijfeld legt ook de vrouw, die zónder zoo zondig motief, zich van het lange haar ontdoet, naar het woord des Apostels iets af van het kenmerkend vrouwelijke, en daarmee ook van het sieraad, dat God haar in de schepping gaf.

Toch zou ik dat niet kortweg en in alle gevallen zondig durven noemen.

Onvolkomen haargroei, arbeids-omstandigheden, hygiënische overwegingen, aesthetische overwegingen zelfs, kunnen het dragen van kort geknipt haar voor haar aanbevelen.

En in al zulke gevallen heeft een vronw zeker evenveel recht om gebruik te maken van de macht die God ons gaf om in te grijpen in het door de natuur, d.i. door Hem-zelf gegevene, als wij mannen het hebben om den'baard in dezen of dien vorm te laten groeien of zelfs geheel of gedeeltelijk wég te scheren.

De . baard bij den' man staat toch stellig wel in dit opzicht geheel op' één lijn met het lange haax bij de vrouw. En ik mag dan ook, ill dit verband, de bekentenis niet terughouden, dat het me bedenkelijk schijnt voor'een man met vollen baardgroei, het sieraad, dat God in den baard hem gaf, enkel om de mode bij te houden, weg te scheren, 'k Zou het niet durven.

Intusschen, gelijk ik zeide, gaf God met de heerschappij over de natuur, ook in deze dingen ons zekere macht. En het schijnt daaruit te verklaren, dat ook de christelijke conscientie zich niet verzet tegen een vrijheid op dit gebied, die men theoretisch zonder moeite als revolutionair zOu kunnen brandmerken.

En nu kom ik weer op de vraag, die M. in zijn kwaliteit van kapper me deed.

Hij zal in wat ik schreef het antwoord licht reeds gevonden hebben.

Als er tal van gevallen denkbaar zijn, waarin een vrouw zonder bezwaar zich het haar kort kan laten knippen, zal hij begrijpen, dat het niet zijn roepinjg kan zijn, elk geval afzonderlijk naar zijn motieven te beoordeelen.

Tn 'de kap-salon gelden geen andere regelen dan in de scheersalon.

M. vraagt ook nog, of in 1 Petr. 3:3 en 1 Tim. 2:9 inderdaad, zooals men wel eens ^beweert, de vrouwen het dragen van haarVlechten verboden wordt.

Laat ik, om niet in het lange haar verward te raken, daarop heel kort mogen antwoorden, al zou zoo'n vraag aanleiding kunnen geven tot heel wat opmerkingen over het recht lezen en gebruiken van de H. Schrift. Als M. beide plaatsen even met aandacht leest, zal hij ontdekken, dat zoo het hier de bedoeling der Schrift was elke haarvlecht te verbieden, ze óók verbieden zou het dragen van elk gouden sieraadje, van elk pareltje, van alle kostelijke kleedij en zelfs (in 1 Petr. 3:3) van elk kleedingstuk.

De Apostel denkt hier aan het zich oppronken van ijdele, wereldsche, vooral van zedelooze vrouwspersonen; en wat hij van de christelijke vrouw wil, is, dat ze de bevrediging van de haar aangeboren begeerte naar schoonheid, en van de echt-vrouwelijke behoefte om te behagen, niet zal zoeken in uiterlijken pronk, maar in het innerlijk schoon van godsvrucht, van bescheidenheid en van goede werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926

De Reformatie | 8 Pagina's