GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

9 minuten leestijd

Calvinistische Litteratuurbeschouwing.

III.

'' Dilmaal komen allereerst twee andere gedicliten uit den meergenoemden bundel i) van Roel Houwink ter sprake.

UIT-VAART. 'i

Voorbij, voorbij, de wereld drijft voorbij er is geen oever in dit grijze, dunne licht Ie zien, geen ankerplaats, geen stille kreek waar onze lasl; bezinken kan eer één het weet.

Te laat, te laat, wij drijven eiken havenmond naar open zee; [voorbij de branding beukt op onze Idel^ het zeil, het zeil gaat overstag, de mast breekt af en boot na boot slaat in de grauwe golven om,

Te laat, voorbij maar op het water staat een en is één woord slechts: — Kom! man

Men zal mij toegeven: sterk suggestieve verzen, door kracht van fantasie en rhythme. Het meedoogenloos stroomgeweld, het beangstigend voortglijden, het vergaan van boot na boot en dan de raadselachtige figuur, opdoemend op den achtergTond van het wijde perspectief, de verbeelding alleen al boeit en beklemt.

Merkwaardig is ook het rhythme, vooral in het middenstuk. Breed verglijdt de eerste regel in benauwend contrast met de korte dreiging van de volgende. Dan twee feller bewogen verzen en een korte regel, die het einde spelt, zoo niet brengt. EiQdelijk, alsof de dichter zijn gedachten losrukt van eigen gevaar om heel het watervlak met zijn blik te omvamen, eindigt het breed eentonig „«n boot na boot slaat in de grauwe golven om".

We zouden er op kunnen wijzen, hoe de vers bouw 'in het derde gedeelte alle aandacht concentreert op het ééne woord „Kom!" dat met magnetische kracht de wanhopige zeilers trekl. Al zijn we niet van meeriing, dat de onregelm, atige bouw en de rijnilooze versvorm navolging verdienen.

De voorstellingen die de dichter bij ons oproept, laten zich niet gemakkelijk ia één beeld vereemen. Wat drijft is eerst de wereld; geen wonder, dat oever noch ankerplaats in 'tziclit komt. Daai'a echter zijn wij het die henendrijven en nu, op ich zelf volkomen verstaanbaar, vlak langs havenonden, zoo dicht, dat de branding ons bespringt

Zoowel het beeld als de gedachte zijn hierdoor, zeer tot schade van het geheel, in 'tongereede geraakt. Ze vloeien hier overigens meer dooreen dan ineen. Men leze slechts den vierden en den vijfden regel, welker duidelijkheid er door wordt geschaad.

Aan het belangrijkste van het gedicht kwamen we nog niet toe. Dat het vorm-inhoud-schema ziJ" bezwaren meebrengt, beteekent niet, dat ieder poging tot onderscheiding van een gedachte en haar uitdrukldng doel- of vruchteloos zou zijn- Hier wil de dichter naar alle waarschijnlijl*«'" ongeveer het volgende zeggen: Wij, mensene kinderen „vhegen daarheen" door den tijd naa de eeuwigheid. Hier rust noch redding: scliipbreu lijden we de een na den ander. Is er hoop voo de toekomst? Het eenige, dat hierop te zegg valt is: Eén roept ons. .j.

Wie met den man op het water wordt bedoei: wordt niet geheel duidelijk, al kuüonen we er naar

ijsen. In het voorbijgaan: in afgeleiden zin heeft djjivoordeaesthetica beteekenis het Aposl^lisch woord: „indien gij niet door de taal een diiideüjke rede geeft, hoe zal verstaan worden lietgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als e in de lucht spreekt." *)

Uitgaande van de verondersteUing de bedoeling yan den dichter ten naastebij te hebben getroffen stellen we ons He vraag, of de Schrift het menjchelijk leven zóó teekent. Het heeft er zeer weinig van. Wel leert ze ons, dat de wereld voorbijgaat haar begeerlijkheid, maar ze Iaat er op vol- : die den •wil Gods doet blijft in der eeuwig- [. 3) Ze kent ook een j, voorbij stro om en" ^) en een „schipbreuk, lijden" ^) in het geloof, zeer zeker, maar alleen van hen, die „het anker der ziel"«} niet hebben uitgeworpen ter plaatse waar Jezus. is. De schoonheid van deze on-Schriftuurlijke poëzie aan den buitenkant te zoeken. Een Christy lijken tegenhanger van dit lied vormt Bilderdijks „Uitvaart", haast te bekend om hier te citeeren. Liever schrijven we eenige regels af uit zijn „Toelucht"'), navolging van Michel Angelo:

; en ledig wrak gelijk, onttakeld en ontmast, Ontdreef ik 't golfgeklots om op een klip te stranden. Haar, bij Uw doornenkroon en wreed doorboorde handen En 't bloed dat uit Uw zijde en langs het kruishout plascht. Is toevlucht voor 't berouw in wroegings zwaarste last, , lch, open mij dien weg; ik heb Uwe onderpanden. Dit is geloofstaal, die dan ook klaar en on- Jubbelzinnig klinkt.

GODS MUILDIEREN.

Waarheen wilt Gij ons drijven, Heer? ) wind steekt op; de nacht breekt aan. ) laatste hoeve zijn wij langs gegaan, ir 't daagt is er geen drinkplaats meer.

ij zwijgt. Stom striemt het felle leer op onze trage ruggen neer. door het donker in den barren wind •aan wij, vermoeid en blind.

Er is aan ons geen heerlijkheid, •een pronk van schoonheid noch van kracht. tn toch: Gij zijt het, die ons leidt, weer& pannigen, door den dorren nacht naar 'tstroombed van Uw eeuwigheid.

De gedachte is verwant aan die van U i t-v a a r t: God jaagt zijn arme, tot Hem roepende, kinderen lis büiid vee door een duister, vreugdeloos beslaan, de eeuwigheid tegemoet.

Het in wezen Godslasterlijke van deze taal wordt iloor geen schijn van ootmoed vergoed. God zelf maakt scheiding tusschen de wereld, die geen mde ontvangt, en Zijn gemeente, waaraan Hij isüipid, ^Teugde, heiligmaking en wijsheid schenkt, reeds hier. Van kracht tot kracht voortjaaade worden zij „in gedaante veranderd van lieerlijkheid tot heerlijkheid"»).

Het is niet in de eerste plaats menschonteerend, Bi is Godonteerend, als Zijn kinderen bij muilfcren worden vergeleken. De meest krasse tegenspraak van den twee en derügsten Psalm.

Wanneer we dit gedicht zoo lezen, sluiten we IS oog niet voor 'het beeldend en stemmingekkend vermogen van den dichter. Maar het zou wl zeer laf, het zou verraad aan Gods zaak zijn, lis we, daardoor geheel of goeddeels bevi-edigd, fffl waardeerend eindoordeel formuleerden, missctiien door „dogmatische" bezwaren getemperd. Wat hier geschonden wordt is niet de dogmatiek, aar de 'heerlijkheid van Gods openbaring.

Dat we zoo lang bij dezen bundel stilstonden, SKchiedde minder om het belang daarvan dan om 'M concrete voorbeelden te laten zien in welke 'ichliug, naar onze meening, gezocht moet worden door hen, die buigen voor de Schrift als "Pperste norm ook voor de litteratuur. En het met (•ods Waarheid niet minder nauw begeeren te "Wen in aestheticis dan in politicis of theologicis.

Van Roel Houwlnk naar Mevrouw E. Voorbeve—Van Oordt is het wel een geduchte sprong. jGuldenroede" noemde ze haar laatsten verzen- •"•ude], zoo klaar en simpel van taal, zoo „ge- '? on", dat het een teleurstelling moet zijn voor *6 duisterheid verwart met diepzinnigheid en '^ügheid aanziet voor distinctie.

CHRISTEN-ZIJN.

De adel van dien Naam verplicht ons, hoog te houden Zijn banier, 61 Zijn standaard fier te ontplooien , fflel ontsloten, blank vizier.


•" 1) Witte Velden.

3}Cor. 14:9. Uoh. 2:17. 1^ Hebr. 2:1. Vgl. Grosheide (K. V.): „n.I. aan de zalig- , l^°; waarover 1:14 sprak". De St. V. heeft hier: doorsi J Tim. 1:19. H^br. 6:19. K. D.. VI, 82.

Groote mannen droegen worstlend vragen, no o den van hun tijd, zochten voor problemen antwoord', hart en ziel hun tijd gewijd.

Christus dro^ van alle eeuwen aller levensvraag en nood. In Zichzelf is Hij Het Antwoord; Hij alleen is eeuwig groot;

biedt voor alle raadslen klaarheid, steun voor aller nooden wicht. Christus straalt voor lavensduister aller tijden: Levenslicht.

Mogen, met dien Naam geteekend, Christnen wij, in aantal klein, hoe van verre en ach hoe nietig, van dat Licht een schijnsel zijn!

„Van vat op vat" heet een ander gedicht, dat naar Jeremia 48:11 verwijst. De laatste strophen nemen we hier over:

Van vat op vat: ... Des Landmans wijze hand klaart, loutert Zelf den •wijnoogst van Zijn land. Zóó geeft een fijner geur, bij eedier smaak en kleur^ Zijn VTUchtbeladen rank. Van vat op vat geledigd wordt mijn ziel!.... Wat klage ik. Heer! als droesem haar ontviel? ... Voor 't reiner kristallijn van hartsbezonken wijn mijn Gaardenier den dank! Eindelijk ontleenen we eenige strophen aan

KLEIN GELUID.

Ik heb U lief! Dit wil ik zachtkens zingen; 't lied van mijn leven klinke tot Uw eer. Zij 'took geen symphonie in volle accoorden, maar zacht geneurie: 'kheb U lief, mijn Heer!

Ik heb U lief! Dat is ook heel natuurlijk! Wie is als Gij zoo waard te zijn bemind? Maar onbegrijplijk wonder is, dat Gij mij liefhebt, mij, Heer! Uw nietig en onwaardig kind!

Gij hebt mij lief! Door dit mijn menschenleven loopt als een gouden draad Uw zorg voor mij. Dat G ij m ij mint — gedachte om bij te duizlen — dat maakt mijn hart zoo onuitspreeklijk blij!

Wat in deze en andere verzen van de dichteres ons aantrekt is bovenal de Idnderlijk-oprechte Christenzin die ze doorstraalt en doet leven. De warme liefde tot den Heiland, wiens eigendom zij zich weet.

Ik zag Zijn liefde éér mijn nood ik zag, mijn redding kende ik vóór 't bewust gevaar. En schoon ik niet kan zeggen waar, wanneer, de; Herder mij. Zijn lam, voor 'teerst omving, weet ik, dat Hij mij vond, dat ik Zijn eigen ben.

Het verschil tusschen verzen als deze en de aangehaalde van Roel Houwink is niet te verklaren uit meer of minder verzekerdheid des geloofs, uit een meer of minder ver gevorderd zijn, het is principieel. Aanvaarding, blijde aanvaarding van Gods Woord hier staat tegenover Woord-verwerping ginds. We spreken over de verzen.

Als Mevrouw Voorhoeve—Van Oordt ter zelftypeering van „klein geluid" spreekt, kan men dit in zekeren zin als juist erkennen. Zielediepten als bij Bilderdijk openen zich hier niet. Doch het geluid is klaar en zuiver van toon. Calviniste noemt zij zich, geloof ik, niet. Maar voor ons is Christelijke poëzie ook iets anders dan poëzie van Christenen of Gereformeerden: te weten Schriftuurlijke poëzie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's