GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

12 minuten leestijd

Dr A. Kuyper over de onsterfelijkheid der zieL

Ds J. W. Siertsema schrijft in. Haarlemsch Kerkblad: Het schrijven in een blad behoort niet tot mijn liefste bezigheden, maar men kan er toe worden geroepen. Tot de minder prettige ervaringen, die déiarbij worden opgedaan, behoort evenwel ook deze, •dat het blijkbaar niet gemakkelijk is om zoo te schrijven, dat het verstaan wordt. Zoo wordt in „De Heraut" van 17 Januari het volgende geschreven: „In een onzer kerkboden wordt met een beroep op verschillende citaten, die uit zijn werken worden aangehaald, beweerd, dat ook Dr A. Kuyper de onsterfelijkheid der ziel ontkend heeft. De loochening van de onsterfelijkheid der ziel zou dus volstrekt niet zulk een ernstige zaak zijn als 'dit door sommigen wel wordt voorgesteld." En in het nummer van 24 Jan : „Trouwens het feit, waarop we een vorige maal wezen, dat een onzer kerkboden, die zich tot taak schijnt gesteld te hebben om, zo& als Prof. Hepp het uitdrukt, het wiegelied te zingen van „vrede, vrede en geen gevaar", met citaten uit Dt A, Kuyper kwam aandragen om te betoogen, dat deze bestrijding van de onsterfelijkheid der ziel zoo ernstig niet was."

Mocht met dit „kerkblad" het Haarlemsche zijn bedoeld en ik heb alle reden om dat aan te nemen, dan maak ik gaarne enkele opmerkingen. Heel goed kan ik verstaan, dat het voor den hoofdredacteur van „De Heraut" niet doenlijk is om nauwkeurig kennis te nemen van alles wat in kerkboden wordt geschreven en zoo verklaar ik dan ook, dat deze weergave ongeveer net het tegenovergestelde zegt van wat geschreven werd. En „Dte Heraut" zal 't ongetwijfeld op prijs stellen wanneer ik hem wil helpen om de waarheid te dienen.

Wanneer hü dan ook zoo vriendelijk wil zijn om het „Haarlemsche Kerkblad" nog eens op te slaan, zal hij tot de volgende conclusie moeten komen : Het „Haarlemsche Kerkblad" schrijft: Ie. De loochening van de onsterfelijkheid zooals Dr A. Kuyper leerde, heeft niemand verontrust en behoeft ook nu niemand in de war te brengen.

(En „De Heraut" is het hiermede immers van harte eens.)

2e. Wanneer men in zijn klachten bedoelt te zeggen, dat door broeders het voortbestaan der ziel wordt geloochend, is dit zonder nader bewijs niet te geloüven.

3e. In onze kerkelijke pers werd hierover niets gehoord, toch werden volgens de gegeven waarschuwing onze kerken er door in beroering gebracht.

4e. Dat de Synode een besluit zou genomen hebben op grond van zoo'n los heen geworpen klacht, zal voorloopig wel een raadsel blijven, tenzij de acta daarover meer licht geven.

Voor zoover ik nu iets begrijp van eigen schrijven, is er hier geen oogenblik sprake van, dat de loochening van de onsterfelijkheid der ziel volstrekt niet zulk een ernstige zaak zou zijn en nog veel minder wordt hier het wiegelied gezongen: vrede, vrede en geen gevaar.

lategendeel wordt de loochening van de onsterfelijkheid der ziel, zooals 'Gods Woord ons leert en in onze confessie wordt beleden door het „Haarlemsche Kerkblad" zoo schrikkelijk geacht, dat m, en naar zijn oordeel zulk een beschuldiging tegen zijn broeders zonder eenig bewijs niet moest durven uiten. En „De Heraut" wil toch ook niet, dat in de kerkelijke pers geduld moet worden wat in het midden der gemeente tot ernstige vermaning en bestraffing zou voeren? „De Heraut" zal toch ook niet willen weten van een onverhoord oordeelen en helpen veroordeelen?

Maar wat moet ik er dan van denken, wanneer bij de vreeselijkste beschuldigingen en de ernstigste waarschuwingen, op de vraag, waarin deze afwijking bestaat, „De Heraut" slechts weet te antwoorden: „Het is moeilijk daarvan een juiste omschrijving te geven". .

En dan volgen drie zinnen, waarvan ik het begin slechts behoef te noemen: Men hoort wel van uitlatingen. ... Er zijn ook wel brochures verschenen. Voorts verluidt wel, dat er predikanten zijn....

- En het slot: „Misschien dat Prof. Hepp, die al wat hij, aanvoert, met citaten documenteert, hierover de noodige klaarheid kan geven. Ik kan slechts aanduiden, waarin die bezwaren bestaan."

Nu heeft „De Heraut" er zelf moeite mee, om de meening van een ander juist weer te geven en dan geldt het nog wel een geschreven woord.

Voorts weet elke predikant bij ervaring, hoe men in prediking en catechisatie soms meende te hooren juist het tegenovergestelde van wat werd gezegd of ook bedoeld.

Nog niet zoo lang geleden bleek ook den hoofdredacteur in een onderhoud met mij, hoe vaak de grootste onzin (het ging over het beroepingswerk in een onzer steden), als volkomen betrouwbare inlichting hem wordt overgebriefd.

Ik behoef „De Heraut" niet te zeggen, wat tegenover zulk gedoe een Christen betaamt. Waar gaat het heen als onder ons allerlei krenkende beschuldigingen •zouden gepubliceerd kunnen worden, bijvoorbeeld tegen de hoogleeraren van onze Vrije TJniversiteif, met als eenigen grond: Men hoort wel van uitlatingen. Er wordt wel geschreven. Voorts verluidt, dat er zijn....

Geen hoogleeraar zou 'zich op die wijze laten beleedigen, maar wat denkt men dan van onze ambtsdragers en kerkeraden, alsof ze de gruwelijke dwalingen maar rustig zouden tolereeren.

Zonder evenwel thans in eenige beoordeeling te treden van wat „De Heraut" schrijft uit eerbied voor zijn hoofdredacteur, meen ik thans slechts te moeten constateeren, dat „De Heraut" zelf in zake de dwaling omtrent de onsterfelijkheid der ziel geen voldoende antwoord weet te geven op de vragen : wat, waar en wie. Waarin bestaat de afwijking? Waar vinden we daarvan iets geschreven ? En door wien wordt ze geleerd ?

Daarmede is tegelijk geïllustreerd, welke waarde is te hechten aan deze voorlichting en waarschuwing van „De Heraut" en is het schrijven van het „Haarlemsch Kerkblad" volkomen gerechtvaardigd.

Van harte hoop ik dan ook, dat „De Heraut" en het „Haarlemsch Kerkblad" in den strijd tegen alle geknoei en gekonkel in ons kerkelijk leven niet tegenover elkaar, maar naast elkaar mogen staan of liever nog, dat het „Haarlemsch Kerkblad" met heel zijn hart mag en kan helpen om het woord van „De Heraut" zoo ver mogelijk te doen klinken.

De „beroemd geworden ouderling" en Ds Jan van AndeL

In Haarlemsch Kerkblad schrijft Ds J. W. Siertsema:

In de gedachtenwisseling over de zekerheid des geloofs en de beteekenis van zelf-onderzoek en kenmerken werd door Ds Veenhof eens met groote instemming het woord aangehaald van een door hem hoog geachten ouderling, die zei de: „Kenmerken zie je in menigte als je ze niet noodig hebt, maar als je ze noodig hebt, kun je ze niet vinden. Als 't donker wordt — en je dus 't meest behoefte hebt aan 't licht —' dan kun je de openbaringen van het werk des Geestes ook niet meer ontdekken."

In het Gereformeerd theologisch tijdschrift schrijft Prof. Ridderbos, dat hij „ook de uiting van dien langzamerhand beroemd geworden ouderling nog weer beter kan waardeeren" dan de schrijver van „Zelfonderzoek noodzakelijk".

Gelukkig zijn er meerderen, die dezen ouderling verstaan.

Dezer dagen las ik het volgende : „Reeds uit het gewone leven weten vrij, dat het moeilijk is om in het donker iets te vinden; eilieve, hoe zal men dan, als er duisternis in het gemoed gevonden wordt, de merkteekenen der genade in zich ontdokken? Toch worden zij meestal in de duisternis gezocht; staat men in het ilioht, dan behoeft men ze niet te zoeken, wijl men ze vanzelf ziet."

Hieraan ging vooraf: „Dij een opgewekt geestelijk leven is geen opzettelijk zelf-onderzoek noodig, om zich van de oprechtheid zijns geloofs te verzekeren. Wie in het licht wandelt, behoeft niet te vragen of hij wel ziet. Eerst hij, die uit eene bezwijming begint te ontwaken, vraagt of hij leeft dan wel dood is.

Rekening hiermede houdende, houdt de Schrift de opwekking tot toetsing des geloofs dan ook doorgaans terug. Te dezen opzichte is het onderscheid tusschen haar en de praktische schrijvers van lateren tijd in het oog 'vaUend. Want terwijl deze ons onophoudelijk opwekken om ons geloof te kennen, wekt de Schrift ons slechts bij uitzondering tot zelf-onderzoek op.

De soberheid der Schrift op dit punt verklaart zich ongezocht uit de omstandigheid, dat zij zelve het werk der onderzoeking op zich neemt. Zij is toch een klare spiegel, die ons het beeld, beide van den rechtvaardige en van den goddelooze, zóó duidelijk voor oogen houdt, dat elk als genoodzaakt wordt, zichzelf te herkennen.

In het Oude Testament treffen wij slechts ééne rechtstreeksche opwekking tot onderzoeking van zichzelven aan. Men vindt ze in Zef. 2:1, alwaar de ]5rofeet alleen wil zeggen, dat men zich moet onderzoeken om tot het besef te komen, dat men zich bekeeren moet. In het Nieuwe Testament vinden wij evenzeer slechts ééne enkele rechtstreeksche opwekking, te weten 2 Cor. 13 : 5. Hier echter is de bedoeling niet om de Gorinthiërs tot kennis van hun geestelijken staat te brengen, maar tot de erkenning van Paulus' apostelschap.

Hieruit zien wij duidelijk, dat de plicht tot zelf-onderzoek in nauwen samenhang staat met wat wij' vleeschelijke gerustheid en geesteloosheid des harten hee ten".

En wie is nu de schrijver? Misschien denkt een enkele lezer aan een van degenen, die naar sommiger oordeel de kerken tegenwoordig in beroering brengen. Laat ik hem dan gerust stellen: Het is de bekende oude Ds J. van Andel, die om zijn werk, nu een halve eeuw geleden, nog onder ons wordt gewaardeerd. Dit vindt ge in zijn pastorale brieven, uitgegeven in 1907, dus na de Synode van 1905, wier besluit ook al dienst moest doen in zake het vraagstuk van zelf-onderzoek.

Merkwaardig toch, dat door sommigen als nieuw wordt gevonden en gepropageerd wat reeds zoo oud is en door anderen datzelfde oude als nieuw wordt bestempeld en veroordeeld.

Hoe zou dat komen ? Is hier vooruitgang of achteruitgang? Misschien geef ik op deze vraag nog wel eens mijn antwoord. Intusschen staat bovengenoemde ouderling niet alleen en ken ik velen van zijn collega's, die van harte met hem instemmen.

De kansel In de kerk.

Het „Algemeen Weekbl. v. Christendom en Cultuur" scihrijft:

Ten slotte de kansel, de plaats der verkondiging. In de M.E. katholieke kerk min of meer bijkomstig, wordt hy in de Geref. kerk hoofdzaak, al duurt het eenigen tijd voor hij het middelpunt wordt van vaste zitplaatsen. Ook in de eerst© jaren van de Hervorming stond men er omheen of bracht men zijn eigen stoel of bankje mee. In de 17e eeuw ontwikkelt zich het indriikwekkend samenstel van hooge, prachtig bewerkte heeren- en schepenbanken naast den „tuin" of het nederige „hekje'' dat de plaatsen der ouderlingen en diakenen aan den kaneel bindt.

Wij dienen er dus aan vast te houden dat een protestantsche kerk in de eerste plaats' is „plaats der Veikondiging, zinnebeeld van het verzameld zijn in den naam des Heeren" (W. Wendtland, „Kunst in Zeic'hen des Kreuzes"). D'aarom „mag zii ook geen terzijde geschoven kansel hebhen" en vraagt de 'dienst voor alles goede verstaanbaarh id en goede zichtbaarheid van alles wat er geschiedt, omdat voor God allen gelijk zijn.

De 'kansel is dus O-i. in de Prot. Kerk altijd centraal. Het Woord Gods blijft in der eeuwigheid. Doch dat wil niet zeggen dat de verkondiging in de saora^ menten ook liturgisch en bouwkunstig niet een waardige plaats naast het woord kan toekomen. Van 'de eenheid der gemeente, het deelhebben aan het lichaam van Christus kan de avondmaalsdisch een schoon symbool zijn; dat het doopvont alle zinne- 'beel'd van ^het Verbond der Genade zijn plaats aan den voet van den kansel in het midden en voor : het gezicht der gemeente behoort te behouden, zeiden vrij.reeds.

Nationaal-socialistische bloed-theorie.

Dr L. D. T. Poot schrijft in 's-Gravenh. K'b. '(hervormd) :

Naar aanleiding van wat in deze rubriek werd geschreven over Rosenberg's „Mythe der twintigste eeuw" kwamen een tweetal vragen in naar wat eigenlijk hier des Pudels Kern mag heeten. Met genoegen tl acht ik deze vragen naar het wezenlijke van deze nieuwe mythe nu te beantwoorden.

Rosenberg zelf zegt: „Heden ontwaakt een nieuw geloof: de mythe van het bloed, — het geloof, mèt het 'bloed ook het goddelijk wezen van den mensch te verdedigen; het met het helderst weten belichaamd geloof, dat het noordsche bloed dat mysterie vormt, dat de oude sacramenten vervangt en ze overwonnen heeft." „De noordsche rassenziel begrijpt, dat zich laat invoegen wat naar ras en ziel verwant is, maar dat wat vreemd is, zonder dralen moet worden afgescheiden en zoo noodig neergeslagen. Zulks niet, omdat het valsch of slecht is op zichzelf, maar omdat het aan onzen eigen aard vreemd is en den innerlijken opbouw van ons wezen verwoest." „De 'diepste wet van iedere echte cultuur is: bewustzijnsvorming van het vegetatief-vitale van een ras." „Als centrum van het gansche bestaan beschouwde de oudnoordsche, germaansche mensch de e e r". Reeds Eckehart's mystiek bracht „de blijde boodschap, dat eer en vrijheid tijdlooze en ruimtelooze wezenheden waren; bracht de leer van de ziel, 'die meer is dan het heelal; het breken met 'het denkbeeld, dat ii ^ een betaling voor de zonde zou zijn." „Zooals Gj kenland groot werd en ook onder vreemde overhei sching bewaard bleef door zich te voeden met aanschouwelijk beeld van de godenwereld van Hoi rus, zoo leeft elk volk uit een mythe. En wat is mythe? Als de waarden van het karakter, de liji van het geestesleven, de kleurigheden der symhol geboorten zijn uit één centrum, buiten het terrein van onze navo schingen ligt; deze niet vatbare samenvatti aller richtingen van het ik, van 'het volk, van i, gemeenschap, maakt zijn mythe uit." „De idee ( eer, der nationale eer wordt voor ons aanvang einde van ons gansche denken en handelen. Zij »( draagt geen krachtscentrum van gelijke waarde nai zich, nóch de Christelijke liefde, nóch de humanit der vrijmetselaars, nóch de roomsche filosofie." E

Gij ziet in, nietwaar, dat dit inderdaad het pi is waarop hier alle stralen zich samentrekken, vraag naar het eenheidspunt, het albeheersok brandpunt 'der wereld. Als dit gesteld wordt inii 'den God der openbaring, dan moet aan de totalil van het nieuwe wereldbeeld het getuigenis van Schrift 'en van 'de Kerk getoetst en onderworpen it 'den. Ziehier de positie van het nieuwe heidendom.

Breken met het denkbeeld, dat de do een 'bezoldiging der zonde zou zijn!

Nationale eerbeterkr a chtscentri dan christelijke liefde!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren