GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

16 minuten leestijd

Eenzijdig of tweezijdig. (II.)

Onze lezers herinneren zich, wat ik tegenover Dr A. Kuyper Jr aan deze plaats opmerkte over de uitdrukking in het doopsformulier, dat n.l. „in alle verbonden twee deelen begrepen zijn". Dr Kuyper vatte „deelen" op als „partijen"; ik vond zijn (reeds lang bekende) argumentatie het tegendeel van overtuigend.

Thans wijzen we, ten vervolge op hetgeen we reeds schreven, op wat over deze aangelegenheid reeds in ons kerkelijk leven is opgemerkt; één onzer lezers, dien we daarvoor danken, wees in pai'ticuliere correspondentie inmiddels ook reeds daarop.

Zooals uit den bundel: „Rapporten", behoorende bij de Acta van de Amhemsche Synode 1930, en dan nader uit het „Liturgie-rapport", bl. 6, blijkt, heeft indertijd de desbetreffende commissie voorgesteld als volgt:

In de 4e alinea (van het doopsformulier) worde de niet voor ieder verstaanbare uitdrukking „twee deelen begrepen zijn" vervangen door „twee deelen zich met elkander verbinden".

Dit klopt, zooals men zich herinnert, met de m.i. onvoldoend ondersteunde opvatting in Biestervelds „Geref. Kerkboek".

Blijkens de Acta van de Synode van Arnhem (bl. 18) heeft echter de Partic. Synode van Drente deze Synode iets anders geadviseerd, n.l.:

„in het concept-formulier" van den kinderdoop de woorden „twee deelen zich met elkander verbinden" te laten vervallen en daarvoor in de plaats te lezen: „twee partijen begrepen zijn".

Iets dergelijks was voorgesteld door de classis Enkhuizen (Acta 21); zij wilden lezen:

„twee p a r t ij e n zich verbinden".

Ten overvloede had de kerk van Velsen als derde zich als volgt uitgesproken (Acta, 21):

...in overweging te geven, of het niet beter zou zijn, het woord d e e 1 e n in de voorgestelde wijziging „twee deelen zich met elkander verbinden" te veranderen in partijen. De onduidelijkheid van de thans in gebruik zijnde redactie: „twee deelen begrepen zijn", schuilt juist in 't woord „deelen". Die onduidelijkheid zou verdwijnen, wanneer dit woord door „partijen" vervangen werd.

Over al die voorstellen nu is gerapporteerd door een commissie (Acta 397). Deze commissie was van oordeel, dat de verschillende voorstellen, om in het FormuUer „deelen" te vervangen door „partijen" niet konden worden aanvaard, „aangezien deze berusten op een onjuiste interpretatie van de desbetreffende passage" (398). Op dezen grond adviseerde de commissie op dit punt te blijven bij het oude (400). Hetgeen dan ook geschied is (art. 166A, 2°, bl. 100).

Het blijkt dus, dat Dr A. Kuyper Jr anders denkt dan ik, en ook anders dan de rapporteerende commissie van Arnhem. Ik zal hem gaarne tegenover die commissie en mijzelf in het gelijk stellen, als hij me overtuigen kan. Maar op grond van wat ik zelf opmerkte, blijf ik vooralsnog mijn eigen opvatting juist achten: „deelen" = niet „partijen", doch: belofte en eisch.

Prof. Hepp over Jesaja 26 : 10.

In „The Standard Bearer" houdt Ds Hoeksema zich bezig met de poging, die Prof. Hepp heeft aangewend, om zijn constructies hier en daar te doen steunen op de .Schrift. Wij zullen ook onzerzijds in „Kerkelijk Leven" daaraan eenige aandacht schenken; juist waren we daaraan toegekomen, toen ons het laatste nummer van „The St. B." bereikte. Belangstellend zullen voorzeker ook onze lezers luisteren:

Dr Hepp meent, dat het woord genade eenmaal in de Schrift in verband met de goddeloozen voorkomt, waarover straks. Feit is, dat alle gereformeerden altijd hebben toegestemd, dat de genade Gods particulier is. Feit is ook, dat onze gereformeerde confessie nooit van algemeene genade spreekt, dat ze den term slechts eenmaal bezigt, en hem dan legt in den mond van de Remonstranten, die ze bestreden. Feit is tevens, dat de Heilige Schrift doorgaans van de houding Gods tegenover de verworpen goddeloozeri spreekt op een wijze, die alle gedachte aan genade eenvoudig uitsluit.

Even verder:

Het eenigste Schriftbewijis, dat Dr Hepp ons in zajne brochure levert ter verdediging van het gebruik van de term „algemeene genade", is Jes. 26 : 10. Hij schrijft: „Al zou in de gansohe Schrift het woord genade niet in relatie worden gesteld met de ongeloovigen, dan zou dit niet pleiten tegen de leer der algemeene genade."

Ds Hoeksema valt hier even in de rede, en zegt, dat hij dit laatste niet kan toegeven. Hooren we evenwel verder naar wat Prof. Hepp zelf opmerkt:

Maar nu wordt dit woord in dien zin bovendien wel in onzen Bijibel gevonden. En wel in Jesaja 26 : 10: „wordt den goddelooze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid". Hiermede kan niet bedoeld zijn de particuliere genade, want dan zou de goddelooze wel rechtvaardigheid leeren. Hier is uitsluitend gemeend de onbekeerde goddelooze. Deze genade moet dus een andere dan de bijzondere genade zijin, a.w. 35. Thans komt wat Ds Hoeksema tegen deze „bewijsvoering" heeft:

Dit is beslist de eenigste Schriftuurplaats, die Dr Hepp kan vinden ter verdediging van zijn standpunt. Had hij meer teiksten kunnen vinden, hij zou ze zeker hebben besproken in zijne brochure. We gaan du a veilig als we uitgaan van de gedachte, dat ook Dr Hepp niet meer teksten weet, op grond waarvan zijn verdediging van den term „algemeene genade" kan rusten. Dit is zeker een zeer zwakke verdediging. Gereformeerde Schriftverklaarders zijn met zulk een beroep op één enkelen tekst nog nimmer tevreden geweest.

We slaan weer een stuk over, en hooren Ds Hoeksema verder:

Dr Hepp dringt hier aanstonds zijln onderscheiding van algemeene en b ijl zondere genade aan den tekst op. Hiii schrijft immers: „Hiermee kan niet bedoeld zijn de particuliere genade, want dan zou de goddelooze wel rechtvaardigheid leeren". Hier wordt heel de leer der algemeen© genade door Dr Hepp even verondersteld en dan aan den tekst opgedrongen. Zijn redeneering is kennelijk als volgt: 1. De onderscheiding van algemeene en bijizondere genade is Schriftuurlijk (begging the question). 2. In Jesaja 26 : 10 kan geen sprake zijn van bijzondere genade (een bloote bewering zonder bewijs). 3. Ergo, hier is sprake van algemeene genade. De onderscheiding, die Dr Hepp hier maakt tusschen algemeene en bij'zondei'e genade heeft hiji niet in de Schrift gevonden, vindt hij! ook niet in den tekst, maar in de dogmatiek, z ij n dogmatiek, en hij maakt zich bier schuldig aan i n legkunde, door hem zelf eerst veroordeeld. Daarbij] is het treffend, dat Dr Hepp, gedreven door de sterke begeerte om in Jes. 26 : 10 toch „algemeene genade" te vinden, feitelijk de leer der gemeene gratie moet loochenen. Volgens die leer toch leert de goddelooze door gemeene gratie wel gerechtigheid; d© zonde wordt gestuit; de goddelooze wordt tot in zijh. denken en willen verbeterd. Denk maar aan Dr Kuypers tooverspel met de koperdraadjes! Maar, indien in Jes. 26 : 10 gemeene gratie geleerd wordt, dan wordt daar ook geleerd, dat de zonde er niet door gestuit wordt, dat de goddelooze door deze genade geen haar beter wordt. Volgens Dr Hepps theorie zou Jesaja 26 : 10 aldus moeten luiden: Wordt den goddelooze gemeene gratie bewezen, dan leert bijl burgerlijke gerechtigheid, de zonde wordt in hem gestuit, zoodat bij niet uitbreekt in onrecht. Maar d© tökst luidt precies andersom: „Wordt den goddelooz© g©nade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid; hij drijft onrecht in een gansob richtig land (bijt leert dus zelfs geen burgerlijk© gerechtigheid, H.H.), en hij ziet de hoogheid des Heeren niet aan." Ook de inlegkund© van Dr Hepp is dus gevaarlijk voor ziJin eigen dogmatiek! Maar op welken ©xegetisohen grond, betzij in den tekst of in het verband gevonden, Dr Hepp bier kan verklaren, dat Jes. 26 : 10 van gemeen© gratie spreekt, is een raadsel. Er is noch in den teikst, noch in het verba, nd iets, dat ons verbiedt den tekst aldus te verklaren: „Wordt den goddelooze de genade getoond, die God aan Zijb volk bewijst, zoodat bijl baar ziet met zijne oogen, zoodat bij midden in het land der genad©, midden onder bet volk, der genade leeft en verkeert, zoodat hij! bet aanschouwt, dat God den rechtvaardige genadig is, dan leert bijl toch geen gerechtigheid, hij blijift in dat land onrecht drijven".

Dr Hepp geeft dan ook een heel eigenaardige verklaring van en ook wending aan den tekst in Jes. 26 : 10, als bijl ten slotte opmerkt: „Jes. 26 : 10 kan alzoo worden geparafraseerd: een al te groot© mate van algemeene genade is niet bevorderlijk voor de gerschtigheid". In deze slotopmerking over den tekst in Jesaja 26 : 10 biedt Dr Hepp ons niet alleen een wonderlijke exeges©, maar ook een vreemde voorstelling van het dogma der algemeen© genade. Eén wonderlijk© exeges©. Want allereerst dringt Dr Hepp alweer aan den tekst zijn eigen beschouwing op. De tekst leert: genade betoond aan den goddelooze leert hem nooit gereobtigbeid. Dr Hepp zegt: een al te groote mat© van algemeene genade is niet bevorderlijk voor de gerechtigheid. We kunnen de reden voor dez© wending en v©rknoeiing van den tekst wel doorzien. Dr Hepp zag wel in, dat indien in Jes. 26 : 10 van algemeene genade sprake is, de theori© der gemeene gratie er aan zou gaan. Er moest in den tekst ruimte gemaakt worden voor de voorstelling, dat de gemeene gratie den goddelooz© toch wel gerechtigheid leert. Daarom v©rklaart(? ) Dr Hepp nu: een al te groote mate van algemeene genade leert den goddelooz© geen gerechtigheid. Zoo houdt bij tooh ruimt© over om t© leeren: een gepaste dosis van gemeene gratie leert wel gerechtigheid! En zoo draait hiji den tekst precies in zijn tegendeel om; laat hij b©m precies het tegenovergestelde zeggen van hetgeen hij zegt. Wonderlijk© exeges© ook, omdat Dr Hepp verklaart: is niet bevordert ijl k voor de gerechtigheid. Dit veronderstelt natuurlijk, dat ©r gerechtigheid is. Als ik zeg, dat iets niet b©vorderlijk is voor iemands gezondheid, dan veronderstel ik, dat die iemand gezondheid bezit; als iets gezegd wordt niet bevorderlijk te zün voor het Christelijk onderwijs, dan wordt verondersteld, dat er Ghrist©lijk onderwijs is; en als Dr Hepp zegt, dat gemeene gratie in een overdosis niet bevorderlijk is voor de gerechtigheid, dan gaat hij van de veronderstelling uit, dat er gerechtigheid is. Eh dan draagt hij nogmaals züh eigen ideeën in den tekst in. Want de tekst zegt juist, dat er gansob geen gerechtigheid is bij den goddelooze, en dat deze er ook niet tornt, ook al wordt den goddelooz© genade getoond.

Eén wonderlijke ©xegese dus.

Niet alleen een „wonderlijke exegese", doch ook een „vreemde dogmatiek" meent Ds Hoeksema hier aan het woord te hooren komen:

Dr Kuyper leerde ons, dat d© algemeene genad© de zonde stuit, de natuurlijk© menscb tot in zijii verstand en wil verbetert, en dat de ongerechtigheid toeneemt.

•waimeer de algemeene genade ingetrokken wordt. Eb nu leert Dr Hepp ons, dat de gemieene gratie wel bevorderlijk is voor de gereohtigheid, maar niet als ze ons in een al te groote dosis wordt toegemeten! Dit steekt dus nauw met die gemeene gratie! Krij'gt ge er niet genoeg van, dan begint ge in ongerechtigheid uit te breken; krijgt ge een overdosis, dan is dat ook niet bevorderlijk voor de gerechtigheid! Als Dr Hepp ons nu ook nog zegt precies hoeveel druppen gemeene gratie we moeten hebben, dan zijn we klaar. Maar hoe heb ik het nu? Gemeene gratie is de werking Gods, waardoor de zonde in den mensoh gestuit wordt, waardoor hij| verbeterd wordt. En nu leert ons Dr Hepp: een al te groote mate van zondestuiting en verbetering is niet bevorderlijk voor de gerechtigheid? Het wordt miJ! hoe langer zoo donkerder. Prof. Ten Hoor zei in 1924 op de Kalamaxoosche synode, •dat bijl al veertig jaren gezocht had om een antwoord op de vraag, wat eigenlijk de gemeene gratie is en het nog niet wist. En ik begin dat te begrijpen.

Na afwijzing van Prof. Hepps eigen poging tot verklaring van den tekst, geeft Ds Hoeksema zijn eigen opmerkingen dienaangaande:

Letten we nu zelf op den tekst in Jes. 26 : 10, dan bemerken we al heel spoedig, dat we hier te doen hebben met een zeer schoon en verheven gedeelte van Gods Woord, dat aan do gedachte van gemeene gratie geheel vreemd is en zelfs precies het tegenovergestelde leert van hetgeen, dat de voorstanders der gemeene gratie er uit trachten te halen. Maar dan moeten we even het verband ophalen. We hebben hier een lied, dat door de Kenk gezongen wordt ten dage harer overwinning. Hare vijianden zijn ten onder gebracht en zij! is volkomen verlost. Moab is verwoest. Babel is vernederd. Gods volk is bevrijd. Dit lied verstaande in zijn uiteindelijike en hoogste beteekenis, mogen we zeggen, dat Gods volk hier staat op de hoogte van zijn eindelijke venheerlijking in den dag van Christus. De Kerk bezingt hier dan ook de heerlijkheid van het •verloste Jeruzalem. Ze zingt van de stad, die fuiidamenten heeft, een sterke stad, met heil tot muren en voorschansen. De inwoners dezer stad zijn alleen de rechtvaardigen. Zij gaan door de poorten binnen. Zij zijn het volk, dat de getrouwigheden bewaart, en temidden van hen bewaart de Heere allerlei vrede. En het is vanuit het standpunt dezer stad en hare heerlijkheid, dat Gods volk terugziet op het heden. De God dezer stad en van het volk brengt hare vijanden ten onder. Hij vernedert ze, vertreedt ze met de voeten, vernedert hen tot de aarde toe. En in dat oordeel zal Gods volk deelnemen, „medewerker" Gods jajtn. Daarom zingt dat volk verder: „"Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten U, o Heere! verwacht; tot Uwen naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Met mijbie ziel heb ik U begeerd in den nacht; ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mijl is, U vroeg zoeken; want wanneer Uwe gerichten op aarde zijn, zoo leeren de inwoners der wereld gerechtigheid".

De verloste Kerk ziet hier terug op het verleden. Yele gerichten waren over Israël gegaan. Oorlog, pestilentie, vuur en zwaard en hongersnood waren dikvrij'ls het deel van Gods volk geweest in het verleden. Maar nu zegt het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat hier zingt, dat ze den Heere alzoo verwacht hadden, dat ze naar Hem en Zijne komst in den weg der gerichten hadden uitgezien! We hebben ook in den weg Uwer gericiiten U, o Heere! verwacht! Dat wil niet zeggen, dat ze temidden der gerichten ook in den Heere hebben gehoopt. Ook wil het niet sleohts zeggen, dat ze met zekerheid hadden verwacht, dat de Heere met Zijne gerichten zou komen over de wereld. Neen, het wil zeggen, dat ze met verlangen naar die komst ten gerichte hadden uitgezien. En waarom? Hoe konden ze daarnaar met verlangen uitzien? We hebben hier in de allereerste plaats een sterke uitdrukking van de liefde tot den Heere. Zoo immers sipreekt hier het overblijfeel door den mond des profeten: met mijne ziel heb ik u begeerd in den nacht; met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, zal ik U vroeg zoeken. Vandaar, dat er bijl dit overblijfsel een ijveren was voor den Naam des Heeren. Tot Uw naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel! Dat Hiji erkend mag worden, dat Zijne majesteit geprezen mag worden, dat was hunne begeerte! Uw naam worde geheiligd. Dat was hunne bede. Gods volk is van Gods partij en spreekt bier in die capaciteit.

Maar zal Gods naam geheiligd worden, dan zijn de gerichten noodzakelijk. Want dan stort God Zijn gramschap uit over de goddeloozen. En dan leeren de inwoners der wereld gerechtigheid. Dit laatste wil nog niet zeggen, dat onder de gerichten Gods de inwoners der wereld allen ook gerechtigheid gaan beoefenen. Doch zijl leeren wel Gods gerechtigheid zien en kennen en erkennen, zij! worden door die gerichten genoopt om de hoogheid des Heeren aan te zien, en Zijne majesteit te erkennen. Als de gerichten Gods ten volle over de goddeloozen zullen zijn voltrokken, dan zullen allen Zijne gerechtigheid erkennen, en ook de verdoemden zullen de hoogheid des Heeren aanzien en erkennen, dat Hiji rechtvaardig is! En dat juist is bet verlangen van Gods volk. Dat de dag kome, waarin de goddelooze niet meer zal zijn, en waarin door allen de hoogheid des Heeren worde aangezien en erkend! Daarom verlangt het naar Gods gerichten en verwacht het den Heere in den weg des, oordeels.

Welnu, in dat verband staat het tiende vers als een tegenstelling met de verzen 8 en 9.' Gerichten moeten komen. Genade bewijizen aan den goddelooze baat niet! Let er wel op, dat er in het tiende vers niet staat, dat den goddelooze genade wordt bewezen. Er staat: Indien den goddelooze genade bewezen wordt. Laat den goddelooze genade bewezen worden J u o h a n r a s h a. En de beteekenis is: dat zou toch niet baten. Zou den goddelooze genade bewezen worden, het zou niet baten, hij zou geen gerechtigheid leeren! Gerichten moeten komen, zal hij ooit de hoogheid des Heeren erkennen! Dat is dus precies, -'t tegenovergestelde van hetgeen de gemeene gratie wil. Laat den goddelooze slechts eenige genade bewezen worden, zoo leert deze, en bijt zal althans eenigszins verbeterd worden en eenige gerechtigheid leeren. De Schrift leert het ons hier juist andersom. Er is slechts één weg, waarin de goddelooze Gods gerechtigheid leert en deze leert erkennen, en dat is in den weg van Gods gerichten, waarin de goddelooze verwoest wordt.

Dat geen genadebetoon den goddelooze gerechtigheid leert, is wel duidelijk. Hij woont in een gansoh richtig land. Hiji verkeert in het land der rechtvaardigen. Zoo was het onder Israël. Zoo is het nog met het vleesohelij'ke zaad der kerk. En in dat land ziet hij de genade Gods over Zijn volk. Hiji ziet dat God den rechtvaardige genadig is. Hij' hoort het verkondigen. Hij hoort en ziet, dat God op den goddelooze vergramd is. Hij ziet in dat gansch richtige land odk den rechtvaardige de hoogheid des Heeren erkennen en Hem dienen. Verandert hem dat nu? Immers neen! Hij' drijft onrecht in een gansch richtig land. Laat de Heere dan komen in den weg des gerichts, want al zou den goddelooze genade betoond worden, nochtans zou hijs geen gerechtigheid leeren; hö bedrijft goddeloosheid temidden der rechtvaardigen en onrecht in een gansch richtig land.

Zoo is het altijid. De goddelooze ziet wel, dat God genadig is over Zijtn volk, want bijl verkeert midden onder hen. Maar die genade is niet gemeen: Die genade wordt wel aan hem getoond, maar nimmer als een genade over hem als goddelooze. Hij staat er buiten en weet dat ook. Maar dat alles beweegt hem niet om ook rechtvaardig te worden en de gerechtigheid des Heeren te erkennen. Dit laatste zal bij eerst doen in den weg des gerichts.

Het zal echter den onbevooroordeelden lezer, die niet door den sterk gekleurden bril der gemeene gratie de Schrift leest, wel duidelijfe zijn geworden, dat de tekst in Jesaja 26 : 10 ons heel wat anders leert dan dat een overdosis van gemeene gratie niet bevorderlijk is voor de gerechtigheid!

Ook wij gelooven, dat Prof. Hepp met dezen tekst allerminst gelukkig werkt. Daarover zie men evenwel

elders in dit nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken