GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

BEZWAARDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEZWAARDEN

over en onder de synodocratie 49

10 minuten leestijd

over en onder de synodoctatie 49

De houding van Ds Van Teylingen, VI.

Nadat de vervangingsformule kerkelijk was geijkt verscheen van Ds Van Teylingen een opstel in , , Vox Theologica", dat als titel voert: Sacramentum-Instrumentum. Een fijn gestileerde uiteenzetting van de Gereformeerde sacramentsopvatting. ^)

Zijn uitgangspunt kiezend in de klassieke, confessioneele omschrijving van de sacramenten, zooals deze in Zondag 25 van den Heidelbergschen Catechismus wordt gegeven, accentueert VEUI Teylingen met nadruk, dat deze, mèt het Evangelie, middelen der genade zijn. Deze naam zou kunnen samenhangen met een al te magische opvatting van Gods genade. Hij zou de vertolking kunnen zijn van een visie op Gods genade volgens welke deze als een „ding", een „stof", een , , kracht" wordt beschouwd. Maar van zooiets is in de gereformeerde confessie gansoh geen sprake! Neen, deze zingen, als ze over de sacramenten als „genade-middelen" spreken, over de goedheid van onzen God, Die, acht hebbende op onze grovigheid en , zwakheid, sacramenten verordende. Om met CaMjn te spreken: nze goede God „accommodeert" zich in zijn oneindige genade aan onze zondige blindheid, ook en vooral in de w ij z e waarop Hij ons zijn genade bewijst. „Het Woord is vleeseh geworden en het is schrift geworden, het wil Middelaar en middel zijn. Het daalt in onze mensehelijke werkelijkheid in, ook als verbum visibile (als , , zichtbaar woord") in de gestalte van het Sacrament, om bij ons te zijn, om tot ons dóór te dringen, om ons te grijpen, om het geloof te wekken en te sterken". Het is de goede God, Die door deze middelen werkt door de kracht van den Heiligen Geest, d.w.z.: Ze ontleenen hun doeltreffendheid aan de voortdurende presentie bij en actie dóór hen van den Heiligen Geest, die in de gemeente is uitgestort en die 't uit Christus neemt om 't ook zóó ons te verkondigen (Joh. 16 : 14). Het geloof is van den Heiligen Geest, die het in onze harten werkt dooide verkondiging van het heilig EvangeUe en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten (H.C. Zo. 25)".

Zoo steekt Ds Van Teylingen van wal. Eln onmiddellijk stelt hij in het volle licht het hart van de gansche sacramentskwestie, ook in onze dagen. Het ging en gaat daarbij immers altijd en inderdaad over de vraag of de naar Gods ordening bediende sacramenten a 11 ij d „doeltreffend" zijn door „de voortdurende presentie bij en actie door hen van den Heiligen Geest".

Nadat zoo de cardinale waarheid omtrent het sacrament in enkele woorden werd geschetst, grenst Ds Van Teylingen deze gereformeerde visie naar links en rechts af.

Links van het gereformeerde belijden beweegt zich namelijk het spiritualisme. Dat veracht of kleineert „hét indire< i^te van Gods genade-mededeeldng". Etet wil niet accepteeren dat God zijn genade schenkt door een middel, het middel n.l. van woord en .sacrament. Het verwacht alles alleen of in de eerste plaats van „een directe actie des Geestes" in het hart. Het sacrament wordt in deze gedachtenwereld in plaats VEin een middel waarin en waarmee God werkt, een daad van den door den Geest direct bewerkten m e n s c h, een actie van de gemeente, die daarin haar geloof belijdt! Het sacrament vooronderstelt dan het geloof en is daar getuigenis van.

Op deze wijze verliest het natuurlijk gansch en al zijn karakter als genade-middel. Het „schenkt" niets meer! En het geheimenis van de goedheid Gods, die zich speciaal in het feit dat Hij „door middel v a n" woord en sacrament in ons wil werken, demonstreert, wordt aldus van zijn luister beroofd.

De belijdenis, dat het sacrament een instrument van den Heiligen Geest is, biedt evenwel ook naar rechts, tegenover Rome en Luther, een noodzakelijke afgrenzing.

Bij R o m e is Gods genade niet dit „dat Hij mij, zondaar, genadig is en daarvan verzekering doet in Woord en Sacrament". Neen, zij is daar een „iets", een „ding" een „geschapen werkelijkheid", een , , kwaliteit", welke door de sacramenten in den mensch wordt uitgestort, buiten het geloof om. En deze genade wordt door de vergoddelijkte kerk uitgedeeld. „Niet de Heilige Geest bedient zich van het sacrament als middel maar omgekeerd: het sacrament, en dat wil hier zeggen, de kerk, als plaatsvervangster van Christus, beschikt over den Heiligen Geest"!

Maar ook tegenover het Lutheranisme maakt de gereformeerde confessie front. „Hier wordt ten volle beleden dat de Sacramenten instrumenten zijn van den Heiligen Geest. Maar dan toch zoo, dat de Geest aan het instrument gebonden wordt. Hij werkt „per verbum" (door het woord) in Woord en Sacrament beide. Vandaar dat het water van den Doop een „aqua vivificans" (levendmakend water) genoemd kan worden: in en met den Doop schenkt de Geest het leven. Vandaar ook het volharden bij de gedachte, dat het lichaam van Christus tegelijk met de teekenen ontvangen wordt".

Tegenover deze binding van den Geest aan het middel handhaven de Gereformeerden de v r ij m a c h t des Geestes. De Heilige Geest is G o d en aan zijn vrijmacht mag niet getornd worden. H^ werkt niet „per verbum" (door het woord) maar „cum verbo" (met het woord). Maar terwijl de Gereformeerden de vrijmacht des Geestes ook ten aanzien van woord en sacramenten handhaven, en daarom vasthouden dat de Heilige Gteest ook zonder het „instrument" kan werken, accentueeren ze met even grooten nadruk, dat de m e n s c h e n op de instrumenten zijn aangewezen, , , z onder ophouden en zonder uitzondering".

Toch moeten de Gereformeerden naar het oordeel van Ds Van Teylingen met groote aandacht naar de Lutherschen luisteren! Want wat hun bij de ontwikkeling van hun sacramentsleer zoo na aan het hart ligt, moeten óók zij ten* volle in rekening brengen.

De Lutherschen worden immers bij hun belijdenis omtrent de sacramenten beheerscht door „pastorale - zorg". Als zij over doop en avondmaal denken en spreken leeft in hen de vraag: „Hoe zal de schuldverslagen mensch zekerheid der vergeving vinden dan alleen zóó, dat hij buiten zichzelf in Woord en Sacrament ontwijfelbaar zeker £!hristus ontmoet? Hoe zal het verontruste geweten vrede vinden als het niet, ook buiten en vóór alle geloof, vaststaat, dat daar, in en bij en onder de Sacramenten het heil geschonken wordt? Zeker, alleen het geloof ontvangt en geniet dat heil; maar buiten zichzelf moet het waarachtig aanwezig zijn".

De'" Sacramenten zijn immers ingesteld tot troost en sterking van het aangevochten geloof. Maar als dat zoo is, moeten deze die troost en sterking inderdaad kunnen bieden. Dan moeten zij inderdaad „grond en ankerplaats des geloofs" kunnen zijn. Dan moeten zij een inhoud, kracht en waarachtigheid hebben, welke volstrekt aan het geloof voorafgaan en daarvan onafhankelijk zijn.

In dit verband wijst Van Teylingen op de samensprekingen welke Luther en Bucer in 1536 over het Avondmaal hielden. Daarin kwamen zij tot overeenstemming hierin, dat ook aan de onwaardigen het lichaam en bloed van Christus waara.chtig gegeven (dargereicht) wordt en de onwaardigen het ook waarachtig ontvangen, indien men zich houdt aan de instelling en het bevel van Christus. Zulken ontvangen het evenwel, zooals Paulus zegt, tot hun oordeel. Want zij misbruiken het heilig sacrament omdat zij het zonder boete en geloof ontvangen.

„W aar het hier op aankoimt — aldus Van Teylingen — is dit, dat hier het wezen van het Sacrament als instrument des Geestes en dus de w a a r a c h t i g e a a n w e z i g h e i d van Christus' lichaam en bloed, niet afhankelijk wordt geacht van het geloof of ongeloof bij den ontvanger. Dat is een gewichtig moment!"

Dit waardevolle element werd evenwel bij de geschillen, welke de Gereformeerde kerken in de laatste jaren beroerden, helaas telkens vergeten. Met al de kwade gevolgen daarvan! , , Het is natuurlijk duidelijk — aldus Van Teylingen — dat alleen het geloof Christus en Zijn weldaden ontvangt. Het wordt gesterkt door het gebruik der Sacramenten (H.C. Zo. 25). En , , de goddelooze ontvangt Wel het Sacrament tot zijn verdoemenis, maar hij ontvangt niet de waarheid van het Sacrament " (N.G.B. art. 35). Dbch hieruit mag niet geconcludeerd worden, dat bij onwaardig gebruik geen Sacrament of geen „vol" Sacrament zou bediend worden. Daarmee zou de permanente presentie des Geestes bij Zijn instrument ontkend worden en aan den objectieven grond des ge-

loofs tekort gedaan. Hier dreigt onmiddellijk het spiritualisme, dat den Geest van Zijn medium scheidt en Hem a.h.w. van een anderen kant laat komen dan het Woord; en dat de vrijmacht des Geestes niet b e 1 ij d t maar d r ij f t.

Bijbelsch-pastoraal is dat onjuist; ook in de verhouding tot het Sacrament blijft de ontzettende mogelijkheid van de zonde tegen den Heiligen Geest. Bovendien vindt het geen steun in de belijdenis en komt in strijd met wat den Reformatoren gemeenschappelijk zoo na aan' 't hart lag: de fundeering van het geloof alleen op het Woord, dat door den Heiligen Geest levend en krachtig is, ook waar het komt als verbum visibile in het Sac ramen t".

Nadat op bovenstaande klare wijze de kern van de waarheid omtrent de sacramenten door Van Teylingen werd belicht en positie tegen aberraties links en rechts was gekozen, geeft hij een nadere preciseering van de gereformeerde sacramentsopvatting.

Allereerst zijn deze een t e e k e n, dus een afbeelding, een illustratie, een verduidelijking. Wat God zegt, toont Hij ook. Wat Hij via het oor bekend maakt, brengt Hij ook via het oog tot het bewustzijn. Als teeken bedoelt het sacrament , , de concentratie des geloofs op het Woord en werk der genade, die aan onze uiterlijke zinnen worden voorgesteld. De centrale inhoud van het Evangelie, vergeving en leven door het kruisoffer van Christus, staat voor ons oog in de teekenen van het water in den Doop en van brood en wijn, die gebroken en vergoten worden, in het Avondmaal. Terwijl de sacramenteele handeling, de besprenging of onderdompeling in den Doop, de uitreiking en het eten en drinken aan het Avondmaal ons voor oogen stellen de schenking en toeëigening des heils. De toezegging Gods houdt in zoowel de verlossing van de zonden door Christus', bloed als den Heiligen Geest, die het geloof werkt (H.C. Zo. 27). En de teekenen toonen ons „zoowel hetgeen God ons te verstaan geeft door Zijn Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten (tam ea, quae nobis externo Verbo suo declarat, quam quae in cordibus nostris interne operatuF, N.G.B. art. 33)."

„Het zwakke en aangevochten geloof heeft vóór alles deze concentratie noodig, die de benignitas Dei (goedheid Gods) door de teekenen tot stand wil brengen. Het gezicht belet de verstrooiing van het gehoor. Het heil wordt geteekend in enkele vaste contouren. Het is hetzelfde heil als in de belofte, in het Woord is toegezegd. Woord en Sacrament zeggen beide dat en hóe God den zondaar genadig is; er is geen aparte sacramenteele genade en het is hetzelfde geloof dat de Heilige Geest door het Woord werkt en door het Sacrament sterkt".


1) Zie „Vox Theologica" 16e Jaarg., No. 4, April 1946; enkele spatleerlngen zijn in, de citaten aangebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

BEZWAARDEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 1948

De Reformatie | 8 Pagina's