GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

AL WIE IN HET HARRENAS STERFT ....

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

AL WIE IN HET HARRENAS STERFT ....

9 minuten leestijd

EEN PERSOONLIJKE HERINNERING AAN PROF. DR K. SCHILDER

Het schrijnend plotselinge van het overlijden van Prof. Dr K. Schilder is niet de enige oorzaak, dat «en formuleren van de gedachten en herinneringen moeilijk maakt. Vooral de veelzijdigheid van zijn leven en werken roept een wereld van indrukken in ons op.

Als professor voor zijn studenten, ja eigenlijk temidden van zijn studenten' was hij steeds de student gebleven. Met welk een jeugdige zwier tooide hij zich tijdens een lustrum met de weidse baret, alsof geen jaren van studie en college-geven achter hem Jagen. Naar de geest was en bleef hij jong. Maar dat gold niet alleen in het uiterlijke. Ook de vragen van de jeugd van vandaag begreep hij evengoed als deze tijd zelf. Met welk een brede kijk kon hij na een reis door Amerika een beschouwing geven over de cultuur en cultuurloosheid van oude en nieuwe wereld. Hoe scherp zag hij de geestelijke armoede van onze tijd. Kortom, Schilder kende het leven, dat hij intens beleefde.

Leven was zijn grote studeerkamer met de rijen boekenkasten, de volgepakte tafels, waar altijd bij een bezoek eerst een tafeltje in de papierzee moest worden vrijgemaakt. Onder een toren paperassen dook een sigarenkist op en met enig passen en meten was er een kopje thee onder te brengen. De indruk van zijn „studie-zaal", zo kunnen we het veilig noemen, was samen te vatten in de woorden: hier leeft een mens, dienaar van zijn levensdoel, intens genietend van clair-obscur dezer wereld.

Dat leven te benaderen was steeds zijn ideaal. Wars van alle pose, rijk aan oprechte eenvoud, kon hij genieten van het alledaagse. Ergens in Nederland was één van zijn beste vrienden, zijn stam-adres, geen studeerkamer van een theoloog, maar de bakkerij van een banketbakker-organist.

Dr Ritter schreef eens herinneringen aan de dichter professor Nicolaas Beets onder de titel: van een kapper en een professor. In dezelfde, ja diepere zin, zouden wij U kunnen schrijven over een banketbakker en een professor. Niet door de winkel kwam hij het huis der zoeternijen binnen, maar door de deur van de bakkerij, in het achterafsteegje. Met zijn vaak beklemmende vriendelijkheid en bescheidenheid vroeg hij om een ogenblik tijd. En in de kamer achter de winkel werd er alledaags gepraat over het wel en wee van kerk en wereld. Scherp bleek dan telkens weer: het leven is te kort en te rijk. Waren ergens oude boeken gevonden. Schilder interesseerde zich overal voor en kon alles gebruiken. Was er kans eén oud orgel te bespelen, zo'n monument uit vervlosen tijden, het was hem de grootste lust achter het klavier te gaan zitten. Het natuur en waarheid-element. dat de Genestet tevergeefs bij menig predikant zocht, was bij deze grote onder de theologen nimmer zoek. Wat kon hij genieten en een eerlijk plezier hebben, toen eens tijdens een kerkdienst het orgel weigerde en de vindingrijke banketbakker-organist met een occarino de gemeentezang begeleidde.

Voor de buitenwereld was er steeds een dualisme tussen de Schilder zonder en met pen. Het scheen velen een onbegrijpelijk iets. dat de man die zo fel kon polemiseren, in de omgang zulk een zacht mens was, die steeds beschroomd was een ander, ja zelfs zijn beste vriend, overlast aan te doen of last te bezorgen. Het sieraad van waarlijk grote mannen was hem volkomen eigen: hij was zich onbewust ook maar enige betekenis te hebben.

Vele van zijn publicaties waren een openbaring, die ver over de kerkmuren werden gewaardeerd en toeggjuicht. Dubbel jammer is het, dat hem niet meer tijd is gegeven monumentale standaardwerken te componeren.

In 't harrenas strijd speelde in zijn leven een grote rol. Vaak hebben we niet de teleurstelling kunnen onderdrukken, dat door de actuele polemiek het werk van grotere spanningsboog achterwege bleef. Het zou echter toch in strijd geweest zijn met zijn levensinstelling. Weigeren kon hij vrijwel nooit. In de stroom van het drukke leven gaf hij zijn impressies, zijn beschouwingen. Typerend voor een persoon als Prof. Schilder, de laatste maal dat ik hem op het Zwolse perron ontmoette. Op weg naar het Kamper treintje liep hij te corrigeren. ledere week weer was er een wedren met de laatste buslichting om de copie te verzenden voor „De Reformatie", zijn lijfblad, dat door hem een volkomen eigen karakter droeg. Hoe indrukwekkend ook de lijst van medewerkers mocht zijn, „De Reformatie" was Schilder.

Maar dat was ook het geval met alle werk waaraan hij deelnam. Steeds wees hij er op, vooral in de laatste jaren van strijd en verandering op kerkelijk gebied, dat het ging om het feit, de gedachte. Allerminst was echter te ontkennen, dat van deze gedachte Schilder de centrale figuur was.

Bij zijii verscheiden komt de vraag in ons op, of de intensiviteit waarmee alles beleefd werd, niet zijn hart, de motor van geest en lichaam heeft gesloopt.

De machteloosheid van onvolledigheid bekruipt ons bij memoreren van enkele herinneringen. Eén periode uit zijn rijke leven willen we even naar voren halen. Toen de moffen ons land bezetten, was hij de eerste en enige, die onverbloemd op weergaloze wijze tegen de bezetter en zijn geestelijke vergiftiging te keer ging. Zijn specifiek kerkelijk blad, dat beperkt bleef tot eigen kring, werd nu een algemeen gelezen periodiek, waarnaar, zonder enige overdrijving werd uitgezien. Het is goed dit thans te zeggen. Hij was zijn tijd vooruit, ook in de lente van 1940. Medestanders en geloofsgenoten staken het niet onder stoelen en ban­ ken, dat zijn optreden onverantwoord onvoorzichtig was. Als eerste professor in Nederland werd hij in Augustus 1940 gevangen genomen en na zijn vrijlating in December tot een schrijfverbod veroordeeld. Schilder stond bij de duitse inval op de zwarte lijst. Het spel der geslepen zachtmoedigheid der bezetters en hun satellieten doorziet hij scherp. Als langs slinkse wegen verboden wordt over ons Koninklijk Huis te schrijven, geeft hij een van zijn vele vlammende cri de coeur's.

Het is 19 Juli 1940, het is goed deze datum met alle nadruk voor ogen te houden bij het lezen van het volgende citaat. Op meesterlijke wijze speelt hij bezetter en satelliet tegen elkaar uit en bereikt zo zijn doel: ons volk uit zijn geestelijke ontreddering weer vaste grond onder de voeten te geven.

„Ik zou het een ramp achten, als uw gezwaai met degens, die niemand u gegeven heeft, onze menschen in hun gang als nederlanders en als christenen, onzeker maakte. Dan zoudt gij straks kunnen zeggen: ze vinden toch alles goed, laat ons onzen zin doorzetten. Wij zijn burgers van gelijke beweging als Gij, en we houden ons strikt aan onze herhaaldelijk erkende rechten. Wij zijn niet rechteloos gemaakt, mijne heeren. Wij gelooven, dat Gij tegenover Nederlanders en tegen de duitsche bezettingsmacht, tegenover die beide u bezondigt. Ge probeert eens, hoever het gaan kan Gij dreigt met inbeslagneming, nog wel onmiddellijk, van een blad dat rechtstreeks over de Koningin en Prins Bemhard spreekt? Welnu dat dreigement is belachelijk van grootspraak. Het is ook beleedigend voor degenen, die daadwerkelijk in beslag zouden kunnen nemen. Want gij laat doorschemeren dat ge niet doordrongen zijt van de oprechtheid der plechtig gegeven verzekeringen, gedaan in overeenstemming met het'oorlogsrecht, waarborgende de gelijkgerechtigheid van alle nederlandsche burgers. Dacht Gij, dat wij ziende blind, en hoorende doof waren? Dacht Gij, dat wij geloofden, dat op uw vergaderingen over den „ritmeester", ge bedoelt Prins Bernhard, gesmaald, d.w.z. rechtstreeks gesproken worden mag, en dat wij het niet zouden mogen doen? Dacht Gij, dat de zender Bremen naar wien wij mogen luisteren, rechtstreeks over de Koningin en Prinses mag „spreken", zullen we maar zeggen, en dat wij het niet mogen doen? Mijne Heeren, hoort toe. Ik spreek heden rechtstreeks over onze Koningin, aan wie en de grondwet en het deze respecteerende oorlogsrecht mij als onderdaan verplicht. Ik hoop, dat de God der eeuwen haar genadig zal zijn. Ik zal morgen in de kerk, waar gij niet komt, openlijk voor haar bidden. Ik spreek linea recta mijn beste wenschen voor het Koninklijk Huis uit. Demonstreeren mag ik niet, goed, wij zullen alle straatrumoer vermijden. Wij zijn meer dan Gij, bang voor alle onrust in zware dagen. Weest gij desgelijks, mijne heeren. En weet dit, als dit nummer van ons blad in handen van onze lezers komt, zullen zij weten, dat het niet onmiddellijk in beslag genomen is — het spreekt nog steeds volkomen legaal — en dat uw looze dreigementen sabelgerinkel waren, dat u heelemaal niet staat. Als dit nummer onder de menschen komt, zal onder wie ik bereiken kan, een ban gebroken zijn en uw hier besproken illegaal optreden zal doorzien zijn. Als God mijn artikel daartoe gebruiken wil, zal ik Hem daarvoor danken. Het Evangelie, daar büjft U af."

Op de grote tentoonstelling van het verzet in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, stonden deze woorden als een eerste symptoom van verzet in deze lage landen.

Heeft dit volk deze grote figuur begrepen? Het is een vraag die een antwoord insluit. Naar de mens komt cynisme over ons, bij de wetenschap, dat de lange rij van onbegrepen grote mannen in ons vaderland weer met één is vermeerderd. Het geestelijk klimaat van dit land van mist en motregen heeft ook deze grote veel levensverdriet gegeven. De indruk van zijn zo plotseling heengaan mag dit pogen te verdoezelen, de feiten blijven. Gelukkig de wetenschap, dat al wie in 't harrenas sterft, die sterft met krijgsmanseer.

Van deze reus, klein voor zijn Schepper, mogen de woorden gelden van ons volkslied, dat Professor Doctor Klaas Schilder „na tsuer" heeft ontvangen „van Godt zijn Heer dat soet" waarnaar hij als pelgrim uitzag: , , Een eeuwig rijck verwerven, als een getrouwe helt".

Hem die zo mateloos rijk was in het citeren, die wist te delven in de schatkamer van DE wetenschap, eren wij met de woorden, eens bij het heen gaan van de veelzijdige theoloog Plancius gedicht:

Gij hebt genoegh geslaeft, Gij moogt nu rusten gaen. geslooft,

Hier is vergancklijckheit, geslagh van kloek en uuren, Daer boven eeuwigheit, die alles zal verduuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

AL WIE IN HET HARRENAS STERFT ....

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken