GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het „publiek vermaak” op de keper beschouwd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het „publiek vermaak” op de keper beschouwd

9 minuten leestijd

LITERATUUR EN KUNST

Dr Buitendijk citeert in zijn boek: „Op de keper beschouwd" (wij bespraken het in 't vorig artikel in deze rubriek) Dr M. Kruyswijk, die in een artikel in het weekblad Christel ij k Gymnasiaa, ! en Middelbaar Onderwijs schreef over: „Onderwijs en Openbare Ontspanning". Later heeft Dr Kruyswijk voor een groter publiek zijn denkbeelden over openbare ontspanning uiteengezet in een brochure: „Wij vieren feest!" Dr Kruyswijk zegt: „Men kan in bioscoop, schouwburg en concertzaal geen getuige van Christus wezen; dat kan alleen maar als men er niet is." — „Hij kan den naaste daar niet liefhebben als zichzelf. Dat is het conflict. Hij kan zijn getuigenis omtrent Jezus Christus niet opheffen, in het belang van den naaste. Hem kan ook niet troosten het inzicht van Kuyper, dat deze ontplooiing van het culturele leven door de bizondere, particuliere genade werd mogelijk gemaakt. Hij kan alleen maar uit zijn conflict komen, althans den eersten stap doen, door te vertrekken. Het is ook niet denkbaar, dat hij door zijn invloed, van buitenaf aangewend, dit feest van karakter zou kunnen doen veranderen. Het kan wel worden beteugeld door kritiek, filmkritiek, tooneelcritiek, sportkritiek: maar hij stuit daarbij op een rotsvaste eigenwilligheid der massa...".

Dr Buitendijk is het met deze beschouwing niet eens. Hij noemt het negativistisch en gemakkelijk in de praktijk. De afkeer van het toneel is historisch te verklaren, vindt hij. Vroeger stond het op laag peil, vooral in de 17e en 18e eeuw. Maar toen de bioscoop kwam betekende dat een „zuivering" van het toneel. En wat de bioscoop betreft, deze moeten wij ook niet al te zwart schilderen. Er is in de laatste 20 jaar veel veranderd ten goede. Er zijn veel slechte films, maar er zijn ook veel slechte boeken. Wij moeten bij onze jonge mensen een oordeel des onderscheids aankweken en de christelijke pers dient toneel- èn filmrecensies te geven. Tegenover de mening van Dr ICruyswijk staat die van vele anderen, zegt Dr Buitendijk en hij noemt een lange rij van mannen, die een verklaring over hét filmvraagstuk hebben opgesteld, w.o. genoemd worden Prof. Berkouwer, Prof. Dooyeweerd. Prof. van Niftrik, Prof. Waterink, Ds Overduin enz.

Nu achten wij met deze argumentatie het probleem van de bioscoop en het toneel zeker niet „op de keper" beschouwd.

De heer Puchinger schreef in Polemios over het verschil, dat in het werk van Dr Buitendijk en het werk van Prof. Wille tot openbaring komt. Wanneer de leerling doelbewust andere wegen gaat dan de leermeester, dient dit toch voor ons gereformeerde volk principieel verantwoord te worden, zal het tenminste weten waar het aan toe is.

Wij voegen hieraan toe, dat hier niet slechts sterk wordt afgeweken van wat Dr Wille leerde, maar in feite wordt hier gebroken met het gehele verleden van de Vrije Universiteit.

Dr Buitendijk constateert, dat Dr Kruyswijk het standpunt van Dr Kuyper nadert, die „ondanks zijn cultuuroptimisme bepaalde vormen van kunst, nl. toneel en dans, beschouwde als liggende buiten de grenzen van onze cultuurroeping. Toneel en film zou; den zo goddeloos zijn, dat op deze terreinen geheelonthouding het enige wachtwoord is, dat we de ons toevertrouwde jeugd kunnen meegeven" (pag. 48).

In dit éne zinnetje maakt Dr Buitendijk zich van Kuyper af, maar niet alleen van de stichter der Vrije Universiteit, doch van een hele gereformeerde traditie. En dan komen wij nog eens terug op wat te lezen staat op het stofomslag van dit werk: „Dr Buitendijk legt in dit werk de grondslag voor een nieuwe christelijke literatuurbeschouwing". We missen die grondslag rdet alleen in dit werk, maar we missen evenzeer, en dat vinden wij erger, een principiële en afdoeöde critische tve^Qordeling^van de, grondslag, ! waarop ons gereformeerde volk door de jaren heen is opgevoed, zodat het nu ook inderdaad er van overtuigd is: we hebben altijd misgezien, de Schrift eist een radicaal andere houding van ons ten aanzien van kunst, literatuur, bioscoop, toneel enz. Er wordt in dit opzicht juist volstrekt niets „op de keper beschouwd".

En dat had toch wel moeten plaats hebben. Want hoe dachten de stichters, niet alleen de leiders, maar ook de „kleine luyden", die krom gelegen hebben om het geweldige financiële offer te kunnen brengen voor de Vrije Universiteit, er in hun dagen over?

Het is misschien niet algemeen bekend, maar er bestaat een overdruk van enkele artikelen, geschreven door Dr Kuyper en Dr Rutgers over „Publiek Vermaak", geschreven in het jaar 1880. Het is de moeite waard, daar, in dit verband, iets van te vertellen. Wat toen plaats had, gebeurde n.l. in het stichtingsjaar van de Vrije Universiteit. Mooier tijdstip is er dus niet te vinden.-

In het najaar van 1880 was van Engeland uit een groep jonge mannen overgekomen naar Nederland, die zich de „Bell-ringers" noemden en fraaie klokkenmuziek zouden laten horen. Zij waren door de beroemde Londense predikant Spurgeon aanbevolen, die ze zelf in zijn grote „tabernakel" ook wel liet optreden. Deze „klokkenspelers" waren christenen, zo was gezegd en speciaal op een christelijk publiek zou worden gerekend. De netto-opbrengst was bovendien bestemd voor de wezeninrichting Neerbosch.

Welnu, ons gereformeerde volk van Amsterdam ging er dan ook heen. Maar het werd een teleurstelling.

Kuyper gaf op 15 Nov. 1880 een driestar waarin we het volgende lezen:

„De N. Rott. Cour. stak onlangs den draak met het aEuüiaken der Bell-Rmgers door de Christelijk-Mstorlsche partij.

Hiertoe bestond aanleiding.

Om het feit, dat ons puriteinsche volkje, dat anders de openbare vermakelijkheden mijdt, naar deze muziek in grooten getale was komen luisteren. Om reden, dat ze speelden voor de Inrichting van Br Van 't Lindenhout. En om de aanbeveling van Ds Adama van Scheltema. «

Waar, volgens de zeer juiste opmerking van de N. Rott. Cour. tegen overstond, dat er noch m deze m^uziek, noch in de deunen, noch In het optreden dezer bell-ringers, ook maar iets was dat Godverheerlijkend kon heeten.

Eer soms het tegendeel.

Althans zijn we er zeker van, dat op menig quartet de ernst van het hart minder geschokt zou worden, dan nu veelszins het geval was.

Ter verontschuldiging van het publiek zij er alleen bijgevoegd, dat men er in goed vertrouwen heengmg; ter verontschuldiging van den heer Van 't Lindenhout, dat er uit Engeland een veel gimstiger roep over het karakter van het optreden dezer heren was opgegaan; en ter verontschuldiging van Ds Adama van Scheltema, op wiens verantwoordelijkheid de zaak dreef, dat hij zelf, ernstig aangetast in zijn gezondheid, te goed van vertrouwen afging op Engelsche recommandatie.

Het eenlge wat ons hindert is, dat èn Het Oosten èn De Sprokkelaar verslag konden geven van deze séances zonder een woord van protest. Wij zwegen eenvoudig. Maar nu de tegen ons overstaand© pers de zaak aanviel, moet der waarheid hulde gedaan.

Geheel hun optreden, hoe bewonderenswaard ook uit artistiek oogpunt, was een jammerlijke vergissing.

Vooral dat men gewaardeerde broeders nog overhaalde, om deze grappenmakers met een gezalfd woord In te leiden, grensde aan wat we liefst in de pen houden."

Aldus Kuyper.

Het werd een zaak, waarmee een groot deel van de dagbladpers zich ging bemoeien. Allereerst kwam Ds , Adama van Schpltema op de proppen, omdat'hij zich , , > laj5bartig, af(hfér; 'een onwaarheid verschiiilen zou,

wanneer hij Kuypers verontschuldiging zich stilzwijgend liet aanleunen." Hij nam het vurig voor de Bellringers op. Spurgeon was een man uit één stuk en dus de Bell-ringers ook, zei hij. De leider van de Bellringers zou nooit op Zondag van een rijtuig gebruik maken, of op die dag een brief verzenden, maar - zijn conscientie verbood hem jiiet, op zijn wijs, jongelieden uit verkeerde kringen te trekken. Al de Bell-ringers waren geheelonthouders, en vonden het mèt Ds Adama van Scheltema liefdeloos, dat ernstig denkende Christenen door hun matig drinken en drinkgewoonten, die een vloek voor Kerk en Staat zijn, helpen bestendigen. Enz.

Kuyper bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Hij gunde het , , de eer van plaatsing in onze eerste kolommen", maar natuurlijk met geen ander doel, dan het grondig te commentariëren. De „afschaffing en het „not to smoke" liggen ditmaal geheel buiten onze gedachtensfeer", schreef hij. Maar:

, , Onder de Nederlandsche Christenen sedert de Reformatie is het lot- en kansspel afgeschaft, het dansen veroordeeld en het bezoeken van publieke vermakelijkheden afgekeurd. Niet door enige drijvers, maar door al onze practizijnen en moralisten van naam De kunst waarderen we hoog. Zelfs een kunsttalent als van deze , , bell-ringers" schatten we niet gering. Maar regel en practijk was en bleef het dusver onder ons Nederlandsche Christenen, kimstuitvoeringen slechts dan in massa bij te wonen, zoo deze een gewijd karakter droegen en rechtstreeks opleidden tot lof voor God den Heere ".

Nu ging Adama van Scheltema zich verder verweren in het Handelsblad, wat Kuyper de klacht uit de pen deed vloeien: „betaamt het den Evangeliedienaar, te Askelon, onverdiend en onbewezen, zijn broeders te gaan beschuldigen? "

En in een latere driestar schreef Kuyper: „Tal van organen zijn verbitterd en in den echten zin boos op ons over de stoutigheid die we hadden, om het publiek vermaak aan te tasten."

In een nog weer latere driestar constateerde hij: „Er geschiedt een wilde poging om in de pers ons protest tegen het verlaten van de puriteinsche levensbeginselen te overschreeuwen. Eenerzijds van den kant der comedielievenden en uitgaanders. Anderzijds van den kant der zich noemende „vroolijke" Christenen". (Zou wellicht aan deze uitspraak, de later zo populair geworden term: „het jolig christendom" zijn ontstaan te danken hebben? ).. Maar Kuyper schrijft: „Den schimp der eersten dragen we zonder tegenspraak. De volstrekt niet vroolijke gramstorigheid der laatsten met leedwezen. Maar nóch de bitterheid der buitenstaanders, nóch de stugheid der andersdenkende broederen mag ons bewegen, om ook maar één oogenblik de lijn van ons beginsel uit het oog te verliezen. Men riep altijd: „Al uw verschil is in de leer"." „Hier blijke dan nu of verschil in de leer niet consequent ook tot verschil leidt in het leve n.'' En aan wiens kant dan de ernst, de verloochening, de hoogere levensopvatting xs, dat beoordeele wie wijs van hart is in edeler zin ".

• Wat hadden die Engelse „Bell-ringers" feitelijk uitgevoerd, dat onze grootvaders zich zo deerlijk beetgenomen gevoelden?

We zullen het volgende week vertellen.

(Van bevriende zijde maakt men er ons op attent, dat Dr Buitendijk^ wiens werk wij hier bespreken, geen professor is aan de Vrije Universiteit, zoals we schreven, doch leraar bij het Chr. Middelbaar onder­

wijs).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Het „publiek vermaak” op de keper beschouwd

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 1952

De Reformatie | 8 Pagina's