GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Tuoht en Doop.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tuoht en Doop.

9 minuten leestijd

V.

Bij den eersten oogopslag schijnt de regel, dien we vaststelden zoo eenvoudig en waar, dat men zich ternauwernood voorstelt, hoe onze vaderea er zoo veelszins toe kwamen, om, ia strijd met dezen vasten regel, toch allerlei kinderkens, die er niet aan voldeden, zelven te doopen, of, als door anderen gedoopt, te erkennen.

De regel zegt: i". Te doopen zijn de kinderkens der ».geloovigen"; 2^. »geloovigen" zijn naar het oordeel der kerk allen die door belijdenis en wandel hun gemeenschap met het Genadeverbond betooneu; 3". de beslissing of iemand in dien zin een geloovige is, wordt onzeker, zoodra hij onder censuur of ban komt; en 4". derhalve zijn kinderkens van hen, wier qualiteit als »geloovigen" onzeker werd, niet te doopen, alvorens na, berouw en boete hun behooren tot de . Vgeloovigen" naar het oordeel der kerk weer vaststaat.

Evenzoo: i". Te doopen zijn de kinderkens der geloovigen; 2". ketters worden door de kerk niet als !geloovigen erkend, overmits hun belijdenis valsch of onvolkomen is; 3°. alzoo zijn kinderen van ketters niet te doopen; en 4°. zijn ze nochtans gedoopt, zoo had die doop geen recht van bestaan, en kan dus niet erkend worden.

En ook: i". Te doopen zijn alleen de ' kinderkens der geloovigen; 2". een vrouw, die buiten huwelijk een kind baarde, mist het kenteeken van een geloovige in den wandel; en 3°. derhalve is een onecht kind niet te doopen.

Een reeks van voorbeelden, die men nog op allerlei wijs kan uitbreiden, en waarbij men dan uit het beginsel, dat de Doop de doop »van de kleine kinderkens der geloovigen" is, en dat voor »geloovigen" alleen zij gelden, die blijkens belijdenis en wandel dit naar het oordeel der kerk zijn, telkens tot een conclusie omtrent den ÏDoop komt, die in strijd is met de practijk der vaderen.

Dit feit worde helder onder de oogen gezien. Schuilevinkje spelen baat hier niet. Hoe men het ook wende of keere, de tallooze moeilijkheden komen vooral in groote steden telkens weer voor.

Hierbij volgt men dan gemeenlijk de gewoonte, om na te gaan hoe de practijk der vaderen v/as, en zich aan die practijk te conformeeren. Maar het gevolg hiervan is dan ook, dat door het volgen van die practijk der vaderen, de belijdenis omtrent den heiligen Doop steeds onvaster wordt, en men gedurig practisch doet wat men theoretisch niet kan verdedigen.

De practijk der vaderen, zonder eigen in-' 'zicht in den grond der zaak, te volgen, is niet geoorlootd. Dit toch zou ons op de paden der traditie leiden. En dit kwame onze Gereformeerde belijdenis te na.

Vermetel is hij die op eigen hand theoretiseert, en op de practijk der vaderen geen acht geeft. Veeleer is het plichtmatig .steeds te beginnen met het raadplegen der historie. Dai onze vaderen zoo handelden, is reeds een zekere aanbeveling, en wettigt reeds het vermoeden, dat zij de juiste keuze deden. Maar noch aanbeveling noch ver-Hioeden mogen hier den doorslag geven. Er moet ten slotte gevraagd naar de gronden waarop de vaderen alzoo concludeerden, en die gronden moeten aan de stukken der waarheid getoetst.

Alleen zoo komen we verder, en alleen op die wijs kan - ook in zake de bediening des Doops eenparigheid en zekerheid allengs de bestaande verwarring en zwevendheid vervangen.

Geljk ons vorig artikel reeds aanwees, er ligt in het stuk van den Doop een onderwerp, dat de kerken vroeg of laat tot nadere beslissing oproept.

- Tot nadere beslissing, niet over de verhouding van Doop en V/edergeboorte, Daarover toch heeft ze zich voor wie goed leest genoegzaam duidelijk uitgesproken. Ook niet over de vraag, of alleen de kinderkens der geloovigen te doopen zijn. Immers ook dit staat vast. Maar wel over ds vraag, wie in dit verband als »geloovige" ouders van zulk een kindeke te erkennen zijn.

Nu mag ia het gemeen gezegd, dat onze vaderen, waar twijfel rees of men zou doopen of niet doopen, schier altoos wat men noemt de viildste opvatting waren toegedaan.

Slechts zeer noode, en bij wijze van exceptie, sloegen ze het verzoek om den heiligen Doop af.

En wat niet minder opmerkelijk is, zoo dj^swijla ze dan hun toestemmend antwoord moesten rechtvaardigen, grondden ze hun gevoelen niet op het leerstuk van den Doop noch op de geaardheid van dit Sacrament, maar bijna uitsluitend op wat plaats greep bij de Besnijdenis en op de gevoelens der kerkvaderen in de 3e, 4e, en Se eeuw.

Dit nu is in hoofdzaak daaruit te verklaren, dat ze geen kans zagen met de zuivere gevolgtrekkingen uit hun belijdenis practisch langer uit te komen, toen eenmaal de groote menigte zich bij de Gereformeerde kerken aansloot.

Men leefde in een tijd toen eeuwenlange gewoonte het denkbeeld in de harten had gegrift, dat een ongedoopt kind, zoo het stierf, gevaar liep van niet zalig te worden, Wat ook de Hervormers predikten, men bleef aan zekere onmisbaarheid van den Doop voor de zaligheid vasthouden. Vv''ie anders om geen geloof zich bekommerde, vond het toch hard en goddeloos om zijn pasgeboren wicht ongedoopt te laten liggen. En als dan de kerk' zulk een Doop afwees, vond men dat hard, onbarmhartig en onchristelijk. Een Dienaar des Woords en een kerkeraad, die hiertoe besloot, raakte in opspraak.

Erger nog.

Wie aldus werd afgewezen, wreekte zich niet zelden, door stil naar »een paap" te guan, d. w. z. door in stilte zijn kind door een pastoor te laten doopen.

En dan stond de kerkeraad voor een lastig geval.

Den Roomschen Doop erkende men. Overdoopen van een kind dat in de Roomsche kerk gedoopt was, hield men voor ongeoorloofd. En wat baatte het dan, of men zelf al den Doop weigerde, waar Rome dien geven kon, en altoos geven wilde, en men dan ook van achteren toch den door Rome bedienden Doop moest honoreeren.

Zoo beliep men nog het gevaar, dat zulk een gezin naar de Roomsche kerk overging, en de macht van zijn eigen kerk gebroken werd.

Veilig kan dan ook gezegd, dat de erkenning van den ketterdoop de Gereformeerde kerken in de heilighouding van haar eigen Doop uitermate bemoeilijkt heeft. Want wat baat het of ge zelf keur uitoefent, indien ge daarna toch het doen van anderen erkent, die zoogoed als geen keur kennen?

Gij vat post aan de grenzen, om naar strenge keur geen enkel verdacht geval door te laten; maar hooger op is de wacht bij diezelfde grenzen door een ander betrokken, die zoogoed als zonder keur een ieder doorlaat, en eenmaal binnen, kunt ook gij ze niet meer weren.

Is het dan niet natuurlijk, dat uw eigen keur waardeloos wordt, en dat vaak juist de verdachte gevallen u zullen voorbijgaan, om bij het makkelijlcer en lakser grenskantoor doorgang te vragen, en U erlangen?

Toen nu op die wijs de zenuw der Doopsbediening verslapt was, heeft men gelijke slapheid van oordeel en keur ook op'andere gevallen gaan toepassen, o, a. waar het een kindeke van gebannen personen gold, of van heidensche kinderkens, die in Christengezinnen verkeerden.

Hoe volstrekt een kind ook buiten het Verbond stond, als het maar door een gequalificeeerd persoon ten Doop werd gepresenteerd, achtten velen altoos tot den Doop te moeten besluiten.

Waar geen zekerheid bestond, behielp men zich met een vermoeden, waar zelfs het vermoeden ontbrak, met een fictie. Liefst wees men niemand af. Altoos wist men er iets op te vinden, om het kind toch maar te doopen.

En dat nu was oorzaak, dat de kerk de vraag: welke qualiteit bij het te doopen kind aanv/ezig moest zijn, allengs geheel uit het oog verloor, en uitsluitend aan een geheel andere vraag ging hechten, of er namelijk eenig vermoeden van zekerheid bestond voor een Christelijke opvoeding van het kind.

Als men daar maar op aan kon, was men gerustgesteld en zoo liet men den band der generatie Ulï een geloovige varen, om er den band der opvoeding DOOR eeji geloovige voor in de plaats te stellen.

En op dit punt eemraal aangekomen, sloop ook daarbij weer dezeltde slapheid in.

Een Christelijke opvoeding scheen verzekerd en gewaarborgd, indien er maar een man of vrouw te vinden was, niet gecensureerd lid der kerk, die-bij den Doop als, getuige wilde optreden, en ja zei op de Doopvragen.

Dat vraag i en 2 op deze opvatting der zaak niet meer klopten, deed er niet toe, men klemde zich zoogoed als uitsluitend vast aan de derde paedagogische vraag over h& t.»onderwijzen of doen onderwijzen in de voorseide leer."

En als op die derde vraag de hoofdknik maar was gegeven door een niet gecensuurd lid van een kerk die zoogoed als alle censuur glippen liet, dan zag de kerkeraad meestal naar het kindeke niet meer om, en achtte dat nu alles voor God en menschen in orde was.

Zoo ontzettend werkte de vloek van de Volkskerk.

Zelfs reeds op de Synode van Dordrecht in 1618 waren er kerken, die dien weg op wilden, al heeft gelukkig de Synode zelve toen nog het kwaad bezworen. ,

De vraag was namelijk door eenige kerken ill ludië gedaan, of men Javaansche en andere kinderen, die uit Heidensche ofMahomedaansche ouders geboren waren, maar die door een Cliristeufamilie waren opgenomen, niet doopen mocht, indien men beloofde ze in de Christelijke religie op te zullen voeden.

Juist de quaestie dus.

Immers cle band des Verbonds door generatie ontbrak hier geheel, al wat kon aangewezen worden was i.Qpaedagogische band der opvoeding.

De Synode had derhalve te beslissen, of ze voor den regel, dat alle kleine kinderkens die uit geloovigen geboren werden, te doopen zijn, in de plaats wilde stellen, dien heel andereu regel, dat te doopen zijn alle» kinderen die opgevoed worden in een geloovig gezin".

In de 19e sessie is daarover dan ook beslist, en de Geest des Heeren heeft deze vergadering van kerken toen nog zóó geleid, dat ze de Verbondswaarheid vzs.'CcCs& XA en den Doop van zulke kinderen uitstelde tot tijd en wijle ze min of meer als volwassenen tot eigen belijdenis zouden gekomen zijn.

Het waren vooral de Engelsche theologen uit de Volkskerk, die de Synode toen wilden bewegen om van het goede spoor af te wijken, en naar het schijnt hadden ze reeds meerdere leden der Synode meegesleept. Maar met name Voetius heeft toen hun opzet weerstaan, en de Synode heeft geoordeeld, dat de ordinantie voor den heiligen Doop om geen redenen van utiliteit mocht weerstaan worden.

Onze kerken namen hierdoor het juiste standpunt in, en spraken eens voorgoed uit, dat het niet geoorloofd is den opvoedkundigen band voor itribanddes geslachts'm.é& '^Xz.'S.ti te schuiven.

Iets wat des te opmerkelijker is, daar Voetius toen zeer juist het beroep op de Besnijdenis uit Gen. 17 afwees, niettegenstaande hij zelf bij latere bespreking zich toch weer zelf op Gen. 17 beriep.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Tuoht en Doop.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's