GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis.

4 minuten leestijd

Een correspondent vraagt ons of de kerkeraad toch eigenlijk wel tot het heilig Avondmaal mag toelaten, wie niet toont geestelijk leven te bezitten. Hij schrijft ons:

Naar aanleiding van de Heraut No. 997 over het door u geschreven stuk »Waterlooze wolken", werd het mij een behoefte een uitgebreider verklaring te mogen vernemen. Tot dat einde wend ik mij bescheiden tot u, wijl door het lezen van de Heraut mij veel duidelijk is geworden.

Gij zegt: »de kerkelijke tucht kan waterloten afsnoeien, en wat krom groeit recht buigen. Edoch alleen maar wat voor oogen is, wat uitkomt en openbaar is." En dan laat gij volgen: swat de kerk niet kan", namelijk den zielsstaat keuren, het hart doorzoeken, enz. enz.

Nu vraag ik u, wat voor keur valt onder het bereik der kerk: voor leden die belijdeniswenschen te doen, of voor menschen die zich bij de gemeente aansluiten? Dit vraag ik, omtjat de kerk vaak zoo bitter teleurgesteld wordt. Wanneer dezulken voor den kerkeraad belijden en zeggen: ik heb lust om God te dienen, en er valt in het gemeen genomen op hun gedrag niets bijzonders aan te merken, moet de kerkeraad dan op zulke wenschen het zegel drukken? Mag ik nu mijn gedachte hiervan zeggen? Het komt mij voor, dat er zoodoende te veel meê doorsluipt, en de kerk al meer gelijkvormig wordt. Zou dan van menschen, waar God zijn werk in begonnen heeft, kunnen gezegd worden: wij weten niets' van die menschen te zeggen, daar de H. Schrift zegt, dat een licht op een kandelaar en een stad boven op een berg niet verborgen kunnen zijn, en ook gij schijnt als lichten in 't midden van een krom en verdraaid geslacht.

Het schijnt mg toe, dat het op Openb. 3:16 lijkt: Omdat gij koud noch heet zijt, zal ik u uit mijnen mond spuwen." Men ziet maar al te dikwijls, wanneer er belijdenis gedaan is, dat er naar geen Sacramenten wordt omgezien, tenzij ze in het huwelijk treden, en dan alleen het Sacrament van den ^. Doop. Verder jaren achtereen niet, naar het H. Avondmaal omzien, en dan nog durven zeggen: ja, maar ik ben niet bekeerd, daar behooren alleen bekeerde menschen." Moet zoo iets nu voor een waterloot of iets dat krom groeit beschouwd worden? Het was mijnhartewensch, ja mijn bede, het oordeel van de Redactie te mogen vernemen.

De bezorgdheid die uit dit schrijven spreekt, is ook de onze.

Edoch op andere gronden.

Zeker mag de kerkeraad niemand tot het heilig Avondmaal toelaten, bij wien zich niet kenteekenen van het geestelijk leven openbaren.

De vraag is alleen maar, welke zijn die kenteekenen? En daarop is geen ander antwoord te geven, dan belijdenis conform de waarheid, en wandel conform Az belijdenis.

Waar deze ontbreken, mag men niet toelaten.

Doch verder gaan, en in het hart indringen , ^ kan men niet. Niet de kerkeraad, alleen God is Kenner van het hart. Evenmin mag men den grond van geestelijk leven bij allen gelijk stellen.

Bij een jongmensch van 16, 17 jaar is het hiermee anders gesteld dan bij een volwassene in de genade. En ook, naar ieders temperament en karakter is, is dit anders bij een zwijgend, stil karakter dan bij een gevoelig mystiek, veel uitsprekend persoon.

Het kwaad zit dan ook veeleer daarin, dat de kerkeraad de tucht niet handhaaft. Wie belijdenis deed, is verplicht ten Avondmaal te komen. En doet hij' dat niet, dan verraadt hij daardoor allicht, dat er iets in hem schuilt en gehandhaafd wordt dat verkeerd is.

En dit nu gaat tegen het Gereformeerde stelsel in.

De tucht is aan de kerk gegeven, juist om toe te zien en zorg te dragen, dat een kerk die bij het afleggen van Belijdenis alleen naar uitwendige teekenen oordeelen kan, dan ook daarna tusschenbeide trede bij elk Ud der kerk dat in het uitwendige zijn belijdenis verloochent of in verdenking brengt.

En het is volkomen waar, dat de kerk met nieuwe ellende bedreigd wordt, zoo de kerkeraad hierin zich slap aanstelt.

Dan wordt hij een s doorbrenger van de kerk, "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's