GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Door Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door Kinderen.

6 minuten leestijd

EEN OMKEER.

De drie knapen leerden er flink op los, doch Kasper was onbetwistbaar de eerste, 't Was opmerkelijk zoo vlug als hij leerde, zoo nauwkeurig als hij alles onthield. Meer dan eens kwamen, toen een paar jaren waren voorbijgegaan, de zoons van den dominee stilletjes bij hem in het huisje om hulp te vragen bij hun werk. Kasper vond trouwens zijn werk volstrekt niet moeilijk, ja had er zoo'n lust in, dat hij meermalen al heel vroeg 's morgens in zijn dakkamertje voor 't open raam zat te declineeren en te conjugeeren, zoo luid en snel, dat wie er voorbijkwam onwillekeurig opkeek naar zooveel geleerdheid.

Declineeren en conjugeeren is hetzelfde wat we op school noemen verbuigen en vervoegen. In dien tijd gebruikte men echter graag zulke hooge woorden — sommige zotte menschen doen 't nog wel. Evenwel hier was geen sprake van de moedertaal, maar van 't Latijn en daarin komen zulke woorden te pas. In die taal wil verbuigen en vervoegen ook heel wat meer zeggen dan bij ons. Een naamwoord heeft bij ons hoogstens drie vormen; in 't Latijn heeft het er zes of meer. Onze werkwoorden doen het met zeven vormen in den regel af, maar in 't Latijn heeft zoo'n woord een zes dozijn verschillende vormen. Ge begrijpt dus nu wel hoe 't kwam dat Kasper zoo hard leerde. De dominee namelijk was een groot vriend van 't Latijn, hij geloofde met Luther, dat die taal »het hoofd opknapt" en deed al zijn best haar den jongens in te prenten. Eigenlijk begon men er wat al te vroeg mee, doch er werd tegelijk ook niet vergeten aan de moedertaal en aan geschiedenis en zooveel meer den noodigen tijd te geven.

Er was evenwel een reden waarom dominee zijn jongens al zoo vroeg in de taal der Romeinen oefende. Als zij daar namelijk de »elementen", dat wil zeggen de beginselen van kenden, mochten zij op de Latijnsche school. Dit was de derde school in Pappenheim, van welke ik zoo even sprak. Zij bestond daar, sinds het Augustijnerklooster er was afgeschaft, en werd ook in de zalen van dit klooster gehouden. De rector of leider der school. Mr. Sturm, was een knap man. En zoo had Kasper dan alle gelegenheid om aan zijn leerlust te voldoen.

Ge moet echter niet denken, dat hij en zijn vrienden louter leefden met en voor de boeken. Dat doen weinig jongens. Neen, zoodra de schooltijd om was, legde men de boeken terzij en dan ging men, na den eten, aan het spelen in veld en bosch, alsof alle declinaties er uit moesten. Tusschenbeide gebeurden er ook min prijselijke J dingen. Zoo kon 't gebeuren dat er een kleine veldslag plaats had tusschen de jongens van de Latijnsche en die van des voorzangers school. Al sinds menschenheugenis stonden die twee scholen met elkaar op voet van oorlog, schoon ze natuurlijk zelf niet wisten waarom. De Latijnsche school had minder leerlingen, maar grootere dan de andere, en zoo waren de kansen vrijwel gelijk, en kwam het aantal blauwe oogen en bebloede neuzen aan weerszijden per jaar no^ al eerhjk uit. De voorzanger en de rector allebei straften de vechtzieke leerlingen wel streng, maar dit baatte niet veel: het plukharen was al te prettig.

Zoo groeide Kasper voorspoedig op naar lichaam en geest, tot de vraag oprees: wat zal de jongen worden ? De dominee hield veel van hem en wenschte, dat hij zou gaan studeeren. Dat leek vader en moeder ook wel, maar waar moest het geld er voor vandaan komen f De leeraar echter bedacht er wat op. Zou Kasper studeeren, dan moest hij naar 't gymnasium te Neurenberg. »Alsgijnu", zeide dominee tot Kaspers vader, »een kleinigheid toelegt, zal ik zorgen dat uw zoon op 't gymnasium en bij mijn bloedverwanten in de stad. voor een kleinigheid onder dak komt. Is hij eenmaal 't gymnasium door, dan zullen we hem wel aan de Altdorfsche hoogeschool een baantje bezorgen als helper of zoo, of hij kan lessen geven en zoo zich zelf onderhouden."

De ouders stemden in dit alles toe en Kasper, die 't hoorde, begon 't hoofd al een beetje hooger te dragen, nu hij, de passementwerkers zoon, misschien mettertijd een geleerd heer zou worden. Doch de Heere God zou hem een gansch andere school doen doorloopen dan 't gymnasium te Neurenberg, een school waarin vooral veel ootmoed werd geleerd, een kostelijke, schoon weinig begeerde wetenschap.

Toen Kasper belijdenis des geloofs gedaan had — iets wat in Duitschland op vroeger leeftijd pleegt te geschieden dan bij ons — zou hij in den herfst met de domineeszoons naar Neurenberg vertrekken. Doch zie, er gebeurde iets dat al zijn plannen vernietigde.

Vader Frederik was nooit, wat zijn gezondheid betreft, een held geweest. Zijn werk was ook niet geschikt hem gezonder of sterker te maken, gelijk hij zelf wel wist. Reeds denvorigen winter had hij menigmaal zijn vrouw des Zaterdags met het gereed gemaakte werk naar Treuchtlingen moeten zenden, in plaats vanzelf te gaan. Hij had het te zeer op de borst en hoestte te veel, om zoo'n langen tocht te ondernemen. Toch werkte hij voort, of liever dwong er zich toe, ten einde voor vrouw en kind het noodige te verdienen. Maar toen het voorjaar kwam namen zijn krachten snel af. Wel drong de Meilucht vol bloeserageur door de vensters binnen, maar zij kon de zieke, die aan de longtering leed, niet genezen. En nog eer de linden bloeiden sloot hij de oogen voor goed.

Nu was goede raad duur of eigenlijk in 't geheel niet verkrijgbaar. Moeder kon al spoedig in haar huisje niet meer blijven. Want er rustte 1500 gulden schuld op, en zij bezat niets om de rente van die som te betalen. En als zij reeds dit niet had, hoeveel te minder dan het geld, al was het ook weinig, dat noodig zou zijn om Kasper in Neurenberg te onderhouden.

Van anderen kon zij weinig hulp verwachten. Kaspers peetoom, de verver, had wel groot medelijden met den armen jongen, maar was zelf nog maar een beginner in zijn zaak, en had voor zijn eigen vijf kinderen te zorgen. Ér schoot dus voor het petekind niets over. De dominee had alles gedaan wat hij kon. Hij had het zoover gebracht, dat Kasper bij de bloedverwanten kost en inwoning voor niets zou krijgen. Maar voor boeken en kleeren kon de predikant, die zelf niet rijk was, en een klein inkomen had, onmogelijk zorgen, hoe gaarne hij 't ook had gewild.

Wat dan te doen? Moeder verliet haar huisje en huurde een enkel kamertje, waar zij nu trachten zou met borduursels en belegsels maken haar brood te verdienen. Maar dit kon in geen geval genoeg zijn om er ook haar zoon van te onderhouden, al lei men het ook nog zoo zuinig aan. Eén weg bleef maar over. De smid van Pappenheim, Veit Ottmann, was Kaspers oom. Hij nu verklaarde zich bereid den jongen als leerling in de smederij op te nemen, en dat zonder de kosten, die er anders bijkwamen. Er viel niet lang te beraden, de nood drong, en zoo werd dan besloten dat de knaap den boeken vaarwel zou zeggen en den smidshamer opnemen. Weldra was dat besluit uitgevoerd.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Door Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's