GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

ALLE DINGEN.

III.

'HAAT.

Zooals ik zei, hadden Andries en ik het niet recht op elkaar begrepen. Zoo kwam het dan zeker ook dat \ve nooit over onze verdiensten hadden gesproken. Er was iets dat mij daarvan terughield, te meer wijl ik had opgemerkt dat de patroon altijd zorgde, dat de een niet zag welk weekloon de ander ontving. Ik begreep, daar moest een reden voor zijn.

Doch op een avond, toen de winkelier uit moest, liet hij het aan zijn vrouw over met ons af te rekenen. Deze nu was minder voorzichtig dan haar man en stopte ons elk een rijksdaalder in de hand. Ik zag dat Andries heel. nieuwsgierig oplette, en bespeurde zeer goed dat hij lang niet vriendelijk keek. Hij zei echter niets. En al had hij het ook gedaan, ik kon hem toch niet uitleggen hoe het kwam dat wij beiden evenveel verdienden. Want dat mijnheer Van der Schaar er geld bij lag wist ik niet.

Maar van dien dag af werd Andries anders jegens mij dan hij geweest was. 't Was duidelijk, dat hij zich gekrenkt voelde, nu de jongste evenveel verdiende als hij. Wel had hij indertijd bij opslag zijn daalder tot een rijksdaalder zien groeien en was . dus rechtvaardig behandeld. Maar het ging hem als den arbeiders in den wijngaard waar het Evangelie van spreekt, die boos werden toen zij na een geheelen dag werkens evenveel loon kregen als degenen, die maar een uur gearbeid hadden. En toch handelde de heer des huizes strikt rechtvaardig en naar afspraak. Doch het zou nog erger worden.

Een paar weken later vertelde de patroon aan Andries dat deze voortaan des avonds niet meer behoefde op te passen. Natuurlijk liep hij dan ook de kom koffie met suiker en andere kleine voordeeltjes mis, die aan het werk verbonden waren.

„Ik zal met Piet afspreken, " zei onze patroon, „dat hij het nu maar alleen doet. Jij schijnt voor dat werk niet berekend. Je behandelt de menschen onbeleefd, zit dikwijls te slapen en hebt vrij wat boodschappen die zij brachten maar eenvoudig vergeten. Dat gaat zoo niet. Piet doet het veel beter en over hem heb ik geen klachten."

Even daarna werd ook mij de verandering meegedeeld met het troostrijk bericht er bij, dat ik ook eiken avond een boterham zou ontvangen. Ik wist trouwens dat er nog wel meer afviel, en aanvaardde het aanbod met dankbaarheid.

Natuurlijk was Andries spoedig op de hoogte van de verbetering in mijn lot, en zoo welzijn eigen schade als mijn voordeel maakte hem toornig en zette een wrok bij hem. Hij wachtte zich echter vooreerst wel dien te laten blijken en bleef schijnbaar dezelfde. Maar ik zou ervaren dat het in werkelijkheid geheel anders was. Een week of wat later, — 't was op een Vrijdag en het heugt mij nog als de dag van van gisteren —moest ik met Andries naar het pakhuis, om een kist met ledige flesschen te halen. De kist nu was lastig ter vervoeren we hadden er onze vracht aan en Andries

scheen er genoegen in te hebben de kist telkens scheef te houden, zoodat ik den scherpen kant tegen de boenen kr«eg, wat nu juist geen liefelijk gevoel was. Ik vroeg hem wat betej op te letten, maar hij zei bits : „Houd je aanmerkingen voor je, ik weet beter danjijhoeeen kist moet gedragen worden. Pas zelf maar op." Den geheelen dag spraken we verder niet tegen elkaar. Ik was hartelijk blij toen het avond werd. Dan ging Andries heen en kon ik prettig zitten lezen, want het was een van mijn blijfavonden.

De klok van den Munttoren begon acht uur te spelen. De bedienden kleedden zich aan om te vertrekken. Ik zelf wilde mijn hoekje bij de toonbank opzoeken.

Opeens hoor ik achter mij 't geluid van snelle voetstappen. Ik lette er niet op tot ik vlak achter mij de stem van Andries vernam, die in woede uitriep: „Dat is je verdiende loon, gemeene brooddiefi" Tegelijk voelde ik een hevigen stoot en niet minder hevige pijn in den rug. Ik gaf een luiden gil, sloeg tegen den grond, zag nog juist hoe Andries den winkel uit en de straat opholde. Daarna zag ik niets meer en raakte buiten kennis. Wat er verder gebeurde heb ik van hooren zeggen.

De knechts en de patroon hevig ontsteld schoten toe en namen me op. Ik bloedde hevig, 't Was duidelijk dat Andries mij met een mes dat nog bebloed op den grond lag, een zware wond had toegebracht. Vergeefs poogden zij het bloeden tegen te gaan. Gelukkig wisten ze een dokter te vinden, die dadelijk kwam. Ik was, zeide hij, heel bedenkelijk gewond, het best was mij onmiddellijk naar het Binnengasthuis te brengen dat, zooals de vrienden weten, niet ver af lag. Toen werd een boodschap naar mijn moeder gezonden.

In het eerst wilde de patroon de zaak stil houden te meer wijl hij het recht onaangenaam vond, dat in zijn winkel zoo iets gebeurd was. Maar toen de dokter zei dat er groot gevaar bestond dat ik aan de wond sterven zou, ging mijn patroon de politie van de zaak in kennis stellen. Dadelijk werd alles gedaan om Andries op te sporen, maar vergeefs. Bij zijn ouders was hij niet, en ook had, niemand zoo ver men wist, hem dien avond na zijn booze-daad meer gezien.

„Hebben ze hem nog gekregen f" riepen eenige van de gasten.

„Ik kan u wel zeggen van neen", was het antwoord, „al is er genoeg gezocht. Sommigen meenden dat hij te water geraakt en verdronken was, maar dan zou zijn lijk toch wel zijn gevonden. Denkelijk had hij zijn verradelijke daad vooraf beraamd, en afspraak gemaakt — hij was daar slim genoeg voor •— met een of ander vreemd schip, dat in de haven lag, om als matroos een plaats te krijgen. Hoe 't zij, Andries is on-' vindbaar gebleven; eerlijk gezegd heeft het mij nooit gespeten hem niet weerom te zien.

Ik behoef u wel niet te zeggen, hoe ontsteld en bedroefd mijn lieve moeder was. Trouwens heel de buurt gewaagde van het geval en had innig medelijden met haar en mij.

Mijnheer Van der Schaar en mijn patroon zorgden samen, dat mijn weekloon geregeld werd betaald, al kon ik er nu ook niets voor doen. Ook anderen steunden moeder nog, zoodat zij in dat opzicht zelfs een goeden tijd had.

Maar daartegenover stonden dagen en weken van onzekerheid hoe het zou loopen. Te recht had de dokter gezegd, dat ik wel niet doodelijk maar toch zeer gevaarlijk was gewond. Het kon goed afloopen maar ook niet. 't Was een stuivertje op zijn kant geweest, zeiden zij later in 't gasthuis. Eerst na een week was ik weer volkomen bij mijn zinnen. Ook de schrik had mij veel kwaad gedaan. Pas na eenige weken zeide de dokter, dat het gevaar nu voorbij was. Maar mijn wond moest nog verder genezen en mijn gestel weer op de oude kraeht komen. Daartoe was veel tijd en veel geduld noodig, te meer daar ik niets mocht uitvoeren.

Zoo lag ik dan eiken dag uren lang te denken, hoe het nu verder met moeder en heel het gezin en mij gaan zou. Dat ik het ook juist zoo ongelukkig; had moeten treffen, 't Scheen in het eerst alles zoo goed te gaan en nu! Menigmaal kwamen mij dè tranen in de oogen, en of degenen die mij verpleegden al beproefden mij op te beuren, zij waren moeilijke vertroosters.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken