GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

36 minuten leestijd

„Het verbond Gods”. (VIII.)

We konden deze week nog •wel even doorpraten over wat blijkens ons vorig nummer een predikant noemde het „eerstgeboorterecht". • We herinnerden aan het werk van de predikanten K. J. Pieters en J. R. Kreulen, wier geschrift kerkelijk geapprobeerd werd; het heette: „De Kinderdoop" (1861).

Interessant is dit geschrift ook om het vervolg der historie. Vier jaar later (blijkens „Voorwoord"), dus in 1865, verscheen van de hand van ds K. J. Pieters, een wederom kerkelijk goedgekeurd geschrift: „Het Baptisme bij het licht der Heilige Schrift en der geschiedenis beoordeeld en in 't licht gesteld" (T. Telenga, Franeker).

In het „Voorwoord" van dit nieuwe geschrift deelt ds Pieters mee, dat het eerste werk van beide autem-s, „De Kinderdoop", tegenspraak ontmoet heeft, wat trouwens, zegt hij, verwacht was. De tegenspraak was voorzien, „omdat de oud-Gereformeei-de leer, welke door dit werkje bij vernieuwing gehandhaafd wordt, bij velen, die zich gereformeerden noemen, meer dan onbekend is, en daardoor een ongewoon voorkomen heeft. „Die tegenspraak" — zoo gaat Pieters verder — „openbaarde zich dan ook, niet in den vorm van wetenschappelijke of grondige weerlegging, hiertoe scheen de vereischte moed of kracht te ontbreken, maar als verdachtmaking van onrechtzinnigheid, dat natuurlijk veel gemakkelijker was, en in een streven om deze gewaande ketterij door een ver oordeelend kerkelijk vonnis te treffen. De uitslag beantwoordde echter niet aan het oogmerk. De regter, die men had ingeroepen, verklaarde, dat hij de beklaagden niet kon beschuldigen van de beteekenende en verzegelende kracht der sakramenten (want dit had men tot punt van aanval gekozen) in strijd met de belijdenis der kerk te hebben voorgesteld. Hiermede was deze kwestie op kerkelijk gebied althans regtelijk geëindigd".

Was zoo door de chr. geref. kerk (van 1861—'65) de opvatting van Pieters—Kreulen in groote lijnen anders gewaardeerd, dan consequente aanvaarding van prof. Aalders' boek zou gedaan hebben, toch kwam van particuliere, en dan wel baptistische zijde de kwestie toch weer op het tapijt. Er verscheen een brochure van „den heer Willms, ouderling bij de Baptisten te Ihren in Oost-Friesland". Titel was: „De kinderdoop der gereformeerden, volgens het werkje van K. J. Pieters en J. R. Kreulen, ... is buiten en tegen het bevel des Heeren, en in strijd met de leer van de onmagt des menschen tot geestelijk goed; personeele verkiezing; bijzondere verlossing; krachtdadige roeping; volharding".

Hoewel de schrijvers van „De Kinderdoop" „naauwelijks gedacht hadden" aan „een aanval tegen het Baptisme" (ze wilden immers slechts de „reformateurs" weer laten spreken tot opbouw van het eigen gereformeerde leven), werden ze door de baptistische bestrijding genoodzaakt, op bepaalde détails nader in te gaan.

Deze nadere détails nu zijn typeerend voor het kennen van de chr. geref. zienswijze uit die dagen. Beteekenend is reeds, dat (bl. 40) naar Pieters' meening het boekje van W o r m s e r „over den kinderdoop" „zeer veel goeds bevat", alsmede dat de door ons reeds genoemde L. J. Hulst uitvoerig uit dit nieuwe werkje citeert. Met name is dit het geval in zijn verzet tegen de leer, dat Christus Hoofd van het genadeverbond is (Hoofd, als „partij"). Hulst haalt eerst Ursinus aan ten bewijze, dat de^e opsteller van den Catechismus wel „allerlei inlichting" geeft „omtrent Gods Verbond MET menschen IN Christus", „maar geen spoor van een verbond Gods MET Christus OVER de uitverkorenen, dat van gene wederzijdsche verplichtingen weet". Kortom: het is weer een uitdrukkelijk protest tegen het onhistorisch maken van het genadeverbond (35). Uit Olevianus wordt hetzelfde aangetoond (37). Na Trigland te hebben besproken, komt Hulst dan bij Pieters terecht (over het Baptisme). Uit Pieters' geschrift citeert Hulst met instemming (P. 50, H. 42):

„Het hier bedoelde dogmatische denkbeeld van een door den Vader met den Zoon, als het Hoofd der uitverkorenen, van eeuwigheid gesloten genadeverbond was, zooveel ons uit de geschiedenis der dogmatiek gebleken is, aan de apostolische kerkvaders, aan de oude christelijke kerk, aan de Hervormers, en aan de opstellers onzer belijdenis en liturgie geheel onbekend. Althans van dit begrip wordt bij hen met geen enlcel woord melding gemaakt."

En dan komt daarna het breede betoog, dat men in de buurt van Nestorius tei-echt komt, als men Christus Hoofd van het genadeverhond noemt. Hulst zelf spreekt zich ook kort daarover uit (we citeerden het reeds), en volstaat verder met een breed citaat uit Pieters.

Het is de moeite •waard, even op te letten. Men denkt allicht, dat Pieters doorslaat. Toch is dat niet het geval. Hij is op het chapitre gekomen door de lezing van C o m r i e. Deze laatste theoloog toch — aldus Pietei's — had ook het oor geleend aan de these, dat God niet zoozeer IN als wel MET Christus (als Hoofd en Partij) het verbond had opgericht (over het hoofd der uitverkorenen heen dus, en niet MET de geloovigen en hun zaad).

Slaan we Comrie zelf op (Heidelb. Catech. 349, 350 v.), dan hooren we hem weer verwijzen naar Boston. Boston's ideeën over het „genadeverbond" kort samenvattende zegt Comrie:

a. het genadeverbond (349) is een onderhandeling tusschen God den Vader en den tweeden Adam (God in den persoon des Vaders, ter eener, en Christus als de tweede Adam(!!), „de uitverkorenen verbeeldende", ter anderer zijde). Let dus goed op: geen onderhandeling tusschen Vader en Zoon, in qualiteit van Gpddelijke personen, doch tusschen God (in den Vader, „vertoonende de Godheid") en den tweeden Adam;

b. nu zijn er in alle verbonden twee partijen, en dus ook twee WILLEN! dit moet dus ook hier zoo wezen;

c. welnu, dat is ook zoo metterdaad, want we hebben hier:

Ie. den wil van God in den persoon des Vaders,

2e. den wil van de MENSCHHEID van Christus, „aangemerkt in deszelfs allernauwste vereeniging met den persoon des Zoons Gods".

Laat ons even halt houden. Gaat het u schemeren? Mij wel.

Want, nuchter redeneerende, zou men zoo zeggen: de wil van Christus' MENSCHHEID, wel, die kan er eerst wezen en kan eerst werken na Zijn ontvangenis uit de maagd Maria door den Heiligen Geest (we beginnen opzettelijk zoo vroeg mogelijk). Niet daarvoor. Derhalve, zoo wilt gij, lezer, nu besluiten: derhalve wil Comrie zeker leeren, dat God met den mensch Christus na Zijn geboorte, en dus in den tijd „onderhandeld" heeft?

Hoe logisch het klinken moge, Comrie denkt er toch weer anders over. Hij zegt nadrukkelijk: o neen, niet in den tijd, doch „vóór alle tijden, dat is van eeuwigheid" (351) is het verbond der genade met Christus als tweeden Adam opgericht; de „onderhandeling" is „eeuwig".

En als ge dan verwonderd u afvraagt: hoe zit dat nu? kan een tijdelijke werkelijkheid in de eeuwigheid functioneeren? , dan is Comrie's verbluffende solutie de navolgende:

„Zoo dat gy ziet, dat hier twee onderscheidene willen zyn; de wil van God, in de persoon des Vaders, en de wil van de menschheid van Christus, aangemerkt in des zelfs allernaauwste vereeniging met de persoon des Zoons Gods. En schoon deze menschheid niet van eeuwigheid was in die vereeniging, maar in de tyd geworden is, zoo strydt dit niet tegen deze onderhandeling, die eeuwig is, vermits God de dingen, die niet zyn, aanziet V als of, ze waren, en terwijl dat hier een PERSOON is, die de aan te nemene menschheid in de eenigheid van zyn persoon zoude aannemen, zoo konde Hy die verheelden, als of hy dezelve airede in de eenheid zyns persoons aangenomen had." (350.)

Ik weet niet, lezer, hoe het u gaat. Wat mij betreft, hoe bang ik er voor ben, den mooien naam „wijsbegeerte" te beleedigen door wat mij niet aanstaat, gemakshalve

maar „filosofie" te noemen, heb ik wel eens meer gezegd. Onder dit voorbehoud zeg ik, Comrie's gedachtenspinsel vóór mij, Hulst graag na (47):

„Zoo struikelt de wijsbegeerte over haar eigen beenen".

Waarom ik onder gemeld voorbehoud dit Hulst nazeg? Denk daar maar zelf eens over na, lezer. Ik heb nu geen plaats meer en geef volgende week, hoop ik, mijn eigen antwoord.

K. S.

De scheuring in Amerika.

Tot mijn spijt moet ik gedurende Synodetijd, wegens permanente uithuizigheid, deze reeks opschorten.

K. S.

Een „verschrikkende” verbondsbeschouwing.

Prof. dr V. Hepp heeft, na lezing van een artikel van ds W. AV. Meynen inzake ds W. H. v. d. Vegt, die van een „kind Gqds blijven tot in de hel toe" gesproken had, openlijk verklaard, dat hij van zulk een verbondsbeschouwing toch geschrokken was.

De aanleiding van dien schrik ligt thans, dank zij den broederzin van ds W. H. v. d. Vegt, die niet achter de vaten wegkruipt, open en bloot. De auteur gaf n.l. bij de U.-M. „De Graafschap" te Aalten een uitstekend verzorgd geschrift van 169 blz.: Het Verbond der Genade. Vier onderwerpen worden behandeld:

Verbond en Vei'kiezing bij Calvijn (5—41);

Korte Samenvatting van de leer van het verbond der genade bij Calvijn (45—62);

Tweeërlei kinderen Gods bij Calvijn (67—104);

Uw Doop verstaan (107—169).

Het boekje is ruim gedrukt, bevattelijk geschreven, teer, maar dan uit kraclil van het gezicht op de ontsloten waarheid, vermanend, alle valsche rust verstorend, en niet alleen voor ouderen, maar ook voor jongeren zeer geschikt. Het leent zich bizonder voor geschenk, ook ter gelegenheid van de openbare belijdenis.

Elk woord er van las ik niet. De groote lijnen volgde ik wel. Ik acht ze juist, en ook naar Calvijn. Dit geschrift is me daarom ten zeerste welkom; het vormt een tegenwicht tegen prof. Aalders' in zijn dogmatische constructie voor mij onaanvaardbare boek, en dient de reformatie van ons denken en leven.

En nu die schrik van prof. Hepp?

Wel, laat de hoogleeraar spreken voor zichzelf. Beter dan een hervormden predikant (ds Woelderink) te bestrijden kan hij nu zijn kracht ontplooien tegen een synodelid. Dat is, indien n.l. de schrik blijft, noodig ter wille van de kerken. Prof. Hepp schreef eens over een predikant, die „zich verschool" achter den hervormden Woelderink. Nu, dat was niet juist, gelijk we aantoonden ('traakte ds Veenhof). Maar prof. Hepp zal, na deze uitlating nog des te minder de gereformeerden, met wie hij 't niet eens is, zelf kunnen laten wegschuilen achter ds Woelderink, huns ondanks. Hij zal, indien de schrik blijft, hen zelf nu wel moeten bestrijden, teneinde de kerken te beschermen. Doet hij dit niet, dan nemen we aan, dat zijn schrikgevoel ingezakt is. Maar dan zou het goed zijn, dit ronduit mee te deelen.

Wij zullen uitzien.

Om onze lezers niet in ledige nieuwsgierigheid te houden, merken we twee dingen op:

a. op bl. 117 zegt de auteur (het gaat over den rijken man in de pijn, Lucas 16): „De meeste verklaarders erkennen den band tusschen Abraham en zijn beide kinderen, ook na dit leven. De vergissing van den rijken man is niet, dat hij zich de verbondsverhouding tot Abraham bewust is, maar dat hij deze ziet als onderpand der goddelijke verkiezing... De Joden vereenzelvigen dus verkiezing en verbond!";

b. op bl. 97 poneert de schrijver „de groote beteekenis van Calvijn's onderscheiding in tweeërlei kinderen des verbonds"... Wel hebben we bij deze tweeërlei kinderen er van uit te gaan, dat het hier handelt over twee soorten kinderen, waarvan de eene naar Calvijn's eigen verklaring „eigenlijk" niet tot Gods kinderen behoort. Bij Rom. 9:6 verklaart hij, dat we hierbij met een woordspeling te doen hebben, een paronomasia, d.i. dat gelijkluidende woorden in onderscheiden zin gebezigd worden." (97/8.) „Dit neemt echter niet weg, dat het een aanmerkelijk verlies zou beteekenen, wanneer we deze Calvijnsche onderscheiding zouden vermijden te gebruiken." (98.) ...Ieder gedoopte is een kind van God. Als hij dit niet met beide handen aanvaardt, is hij een monster — zooals Calvijn dit uitdrukt". (100.)

Men ziet het: hier is geen sprake van de spreiding van een duivels-oorkussen. Het wordt juist in den hoek geslingerd. Dit boek is in onderscheiding van andere één doorloopend „waken voor (tegen) eenzijdige conclusies"-"^).

Merkwaardige situatie: enkele weken vóór de synode 1939. Een boek van prof. Aalders, die in '36 vond, dat bepaalde menschen maar eens hun meeningen moesten laten toetsen. En nog een boek van ds v. d. Vegt. Totaal andere conclusies. Is de loop der dingen ook leerzaam? Ook ter beoordeeling van 1936? Eén ding is gelukkig: de aangevallenen gaven zich geheel en al bloot. Bang zijn ze niet geweest. Als er nu geen stormen komen, is de methode '36 veroordeeld.

K. S.

1859—1939: Syrisch, Arabisch, Chaldeeuwsch.

Op de Series Lectionum (rooster der colleges) der Theologische School te Kampen stond vermeld, dat docent De Haan in den cursus 1859/1860 college zou geven niet alleen in het Hebreeuwsch, maar ook in h e t Syrisch, Arabisch en Chaldeeuwsch. Prof. Hoekstra heeft er nog aan herinnerd bij het 75-jarig jubileum der School („Bazuin" 5 Juli 1929).

De Haan, eerste docent.

Syrisch, Arabisch, Chaldeeuwsch, 5 jaar nadat Kampen opgericht was.

Toen ik zelf student was, werd er college gegeven in het Arameesch (lector dr A. Noordtzij).

Thans is het 1939.

Tachtig jaar nadat De Haan Syrisch, Arabisch, Chaldeeuwsch gegeven heeft.

Maar géén Syrisch, en géén Arabisch, en géén Chaldeeuwsch, en ook géén Arameesch afzonderlijk.

Tachtig jaar nadat De Haan de vakken, die thans verdwenen zijn, gegeven heeft, zal er ter synode over een zesden hoogleeraar gesproken moeten worden. Ik zeg niet, dat hij voor de vier genoemde vakken begeerd wordt. Maar wèl, dat hij begeerd wordt, omdat de drang naar volledigheid en uitbreiding nog steeds leeft, en een urgentie erkent. Een dissertatie aan de V.U. bevatte nog onlangs de stelling, dat instelling van lectoren wenschelijk was, en drong dus in ieder geval op uitbreiding van vakken aan. Welnu, officieel nieuws in dezen, ook voor prof. Grosheide, was (Acta Amsterdam '36, art. 82) „een uitspraak der hoogleeraren aangaande de wenschelijkheid van de benoeming van een zesden hoogleeraar", en ook het feit, dat (art. 109) „door het curatorium (in zijn meerderheid)" „bovengenoemde wenschelijkheid" was „uitgesproken", weshalve het curatorium de opdracht verkreeg, een „uiteenzetting" der „gronden voor de bovengenoemde wenschelijkheid" met nadere voorstellen in 1939 in te dienen. Ondanks dit officiëele nieuws schreef prof. Grosheide reeds contra. Als iemand van Kampen ageerde tegen wat blijkens officiëele V.U.-berichten daar begeerd bleek door „de hoogleeraren" en het curatorium in meerderheid?

Syrisch, Arabisch, Chaldeeuwsch, Arameesch.

Maar waarom moeten we achteruitboeren? Waarom achteraankomen? Waarom leven bij wetenschappelijke mondjesmaat? Wij willen, dat de zaken van de V.U. behartigd worden in de ernstige begeerte, om haar „selfsupporting" te maken. En wij willen voor Kampen geen haar minder. Waarom een ontwikkelingsdrang, waarvoor vroeger God gedankt is,

altijd tegengehouden?

K. S.

Artikel XIII K.O. (I.)

Het is wellicht niet ondienstig een enkele opmerking te maken in verband met de aanhangige discussies omtrent de verzorging van onze Emeriti. De discussies zijn zoo talrijk en zijn door zooveel personen en instanties aan de orde gesteld, dat men gerust van een question bruiante kan spreken.

Alvorens echter tot het onderwerp zelf in te gaan, zij mij een algemeene opmerking omtrent de „polemiek" veroorloofd. Het is opvallend te ervaren, dat men in dezen tijd geen kwestie meer kan aansnijden, zonder dat „de" „polemiek" zich er mee bezig houdt. Opmerkelijk is daarbij soms die polemiek, welke gevoerd wordt door hen, die op andere tijden weer ach en wee roepen over de polemiek.

Een staaltje van minderwaardige polemiek is geleverd door Ds D. J. Couvee in zijn blad „Herleving" van 12 Juli 1939-'^). Deze heeft zich veroorloofd om in verband met een persverslagje van een lezing, door mij gehouden voor het Studentencorps te Kampen, een artikel te schrijven, dat ruim een geheele bladzijde beslaat. Dat verslagje zelf was, wel geteld, slechts 32 regels in de smalle „Standaard"-kolommen groot. Reeds deze zeer beknopte verslaggeving had ieder tot voorzichtigheid moeten manen bij het trekken van conclusies ten aanzien van hetgeen de spreker had gezegd. Wanneer men weet, dat mijn voordracht zelf ongeveer anderhalf uur heeft geduurd, verstaat men hoe gecomprimeerd dit verslag geweest moet zijn. Desondanks acht Ds Couvee het gepast mij te betichten van allerlei z.i. te laken opvattingen. Heel erg wordt het wanneer hij zich veroorlooft ook dit te schrijven: „Of had deze accountant, voor zijn „betoog" nu eenmaal een katheder noodig en koos dien nu maar via deze belangeloozen om zijn onzakelijke ideeën in de pers te kunnen lanceeren? " Men proeft het venijn in zulk een opmei'king: de spreker had blijkbaar geen gelegenheid op andere wijze publiciteit aan zijn ideeën te kunnen geven en zocht nu een „katheder" om aldus toch nog maar toegang te krijgen tot de pers.

Niet terwille van Ds C, die zich blijkbaar gerechtvaardigd acht om onverhoord te oordeelen en te (helpen) veroordeelen, maar wel terwille van den lezer, die objectief wil oordeelen, zij hier gemeld, dat een verzoek namens het Studentencorps te Kampen (waarop, dit zij ten overvloede verzekerd, geen naamgenoot, noch in de zijlinie, noch in de neergaande linie, invloed heeft gehad), zéér geruimen tijd geleden tot mij gericht voor het houden van een voordracht, door mij toestemmend werd beantwoord met opgaaf van meer dan een onderwerp. Daaronder bevond zich ook art. XIII K.O. Lang nadat door den Senaat laatstgenoemd onderwerp was gekozen, verscheen het eerste der artikelen van Dr Schippers in „De Reformatie". Direct daarop schreef ik aan den Senaat of het nu misschien niet aanbevelenswaardig was mijn lezing èf te laten vervallen èf een

ander onderwerp te kiezen, wijl Dr Schippers naar uit diens eerste artikel kon worden afgeleid, waarschijnlijk een zoo diepgaande behandeling van het onderwerp zou geven, dat het voor mij als spreker en wellicht ook voor de hoorders weinig aantrekkelijk zou zijn opnieuw daarover een bespreking te houden. De Senaat oordeelde evenwel, dat de lezing toch nog kon doorgaan-).

Aan Ds C. persoonlijk zeg ik, dat zijn artikel te mijnen aanzien een volstrekte overbodigheid is geweest. A1 hetgeen hij in zijn artikel naar voren brengt, heeft mijn aandacht gehad en is in mijn lezing uitvoerig behandeld.

Hij moge voor zichzelf uitmaken of een schrijverij, als hij zich hier veroorlooft, overeenkomt met het negende gebod.

Merkwaardig is ook de laatdunkende toon, waarop deze predikant durft schrijven over de studenten als „baardelooze invloedloozen" en later nogmaals „belangeloozen", en over de „hulpbehoevende" en desondanks „rookwolken van zijn sigaret" uitblazende studenten. Ook weer een staal van polemiek, die onder ons zooveel bederft. Deze predikant kent Kampen niet, en hem betaamt wat meer voorzichtigheid. Maar, zelfs afgedacht van de kwestie, dat toch ook deze studenten over slechts weinige jaren, als predikant, geroepen kunnen zijn om mee te beslissen ten aanzien van deze naaterie, geldt toch, dat zij als belijdende leden van onze Kerken niet alleen het recht, maar ook den plicht hebben zich van deze dingen op de hoogte te stellen. Zal deze materie ooit tot een oplossing komen, dan kan het alleen, indien daarvoor werkelijk belangstelling bestaat en ook versterkt wordt onder zooveel mogelijk leden onzer Gemeente. Het zijn niet alleen predikanten als Ds C, die de zaken van onze Kerken in hun studeerkamer en op hun conferenties en in hun bladen zullen uitmaken.

Ds C. toont zich uitermate bezorgd over hetgeen geschieden gaat met de Emeriti en hun gezinnen, waar de gansche leeftocht afhankelijk is van het Emeritaatsgeld. Hij stelt ze ietwat plastisch voor als „rheumatiek"erig. Wie mijn lezing heeft gehoord weet, dat het juist dezulken waren, wier verzorging ik niet alleen met groeten aandrang helj vo.orgesteld als eerste plicht onzer Kerken, maar ook bedreigd zag bij handhaving der tegenwoordige regeling. Ik geloof, dat die werkelijk behoeftige predikanten en hun gezinnen bij mij veiliger zijn dan bij Ds C. Want diens gedachten blijken toch ook nog een anderen kant uit te gaan. Dat komt wel heel sterk uit in dezen zin: „Maar moet dan de predikant de éénige (cursief gedrukt bij Ds C.) zijn in de maatschappij, die zijn kinderen of kleinkinderen bijv. niets toestoppen mag? " Dat „toestoppen" zal wel niet mogelijk zijn bij degenen, die door hun veertig-jaren- „ploeteren" met „rheumatiek-handen" in hun schoot moeten zitten. Die mogelijkheid bestaat slechts bij hen, die over eigen middelen beschikken en die middelen vermeerderd zien door Emeritaatsgelden en daardoor dat „toestoppen" hunner kinderen nog wat versterkt. Ik antwoord, zonder thans diepgaand op alle kwesties in te gaan: indien er nood is hier en daar en misschien bij velen, dan zal men in dien nood allereerst moeten voorzien en daartoe ook een beroep durven doen op dezulken, ook onder de predikanten, die nog „overvloed" kennen, wanneer andere middelen (gaan) ontbreken.

Men kome nu niet bij mij aan boord met het vermaan, dat men de leden der Gemeente dan toch in de eerste plaats moet opwekken tot verhooging hunner bijdragen. Die opmerking is aan mijn adres overbodig. Ik heb op meer dan één plaats en op onderscheiden tijden van mijn leven mijn krachten gewijd aan zulk een arbeid en ik blijf natuurlijk erkennen de noodzaak van een immer voortgaande actie. Maar men stelle deze kwestie niet geïsoleerd. Want het geestelijke leven en de geestelijke bearbeiding der Gemeenten en daarbij ook het aantal predikanten en h u n tractement komen hier direct in het geding. De geestelijke bearbeiding is hoofdvoorwaarde voor alle geven (dat wij immers vrijwillig willen houden), en daarmede dus ook voor de toekomstige verzorging van onze Emeriti. Onze Commissies van Beheer e.d. mogen arbeiden zoo intensief en volhardend, als maar mogelijk is, als het geestelijk leven der Gemeente is ingezonken, blijft hun arbeid een ploegen op rotsen. Het was een der Kamper hoogleeraren (den Hartogh), die bij de bespreking van mijn inleiding voor de studenten, met waardeering constateerde, dat door mij zoo heel sterk het geestelijk belang op den voorgrond was gesteld en als alles-beheerschend was voorgedragen. Dit laatste had Ds C. óók in de slotregels van het courantenverslagje kunnen lezen en het had hem tot vooi'zlchtigheid mogen manen.

Wanneer ik dus in mijn voordracht aansluiting heb gezocht aan de woorden van art. XHI K.O., dat spreekt van voorziening in de „nooddTuft" en daarbij mij ook aansluitend aan hetgeen Dr Schippers in „De Reformatie" in zijn doorwrochte artikelen heeft opgemerkt, dan meen ik, dat ik den éénigen grondslag, die hier mag gelden, heb gekozen. Evenals vele anderen dit deden. Men is geneigd te vragen of Ds C. inderdaad kennis neemt van hetgeen in ons kerkelijk leven aan den dag komt. Want hij had kunnen bemerken, dat niet ik alleen, maar tal van zijn collega's van dezelfde grondgedachte uitgaand, zich komen verzetten tegen de tegenwoordige regeling. Fulmineert hij ook tegen die collega's? Ik heb er niets van gemerkt. Om slechts een bloemlezing te geven (ik ben er niet zeker van volledig te zijn'*), zij aan het volgende herinnerd.

Ie. De Kerkeraad van Kampen heeft „een voorstel gedaan, dat de cumulatie van pensioenen wil bestrijden en opkomt uit den „geest" van artikel 13, welk artikel bedoelt, dat de Kerken de emeriti naar behooren zullen onderhouden", (aldus de weergave van dat voorstel van Kampen, door Dr K, Dijk in „De Bazuin" van 12 Mei 1939 gegeven).

2e. De Classis Breukelen heeft blijkens een bericht in onze pers (ik heb geknipt uit de „Nieuwe Haagsche Courant" van 19 Mei 1939) gewenscht een „meer uniforme regeling... op basis van de behoeften". (Spatiëering in de „N. H. Crt") ^).

3e. De Particuliere Synode van Utrecht heeft zich met dat voorstel-Breukelen vereenigd en besloten aan de Generale Synode een onderzoek te vragen, opdat „met de behoeften der betrokkenen meer rekening worde gehouden dan tot dusver".

•4e. „De Heraut" van 5 Februari 1933 nam (nog wel in de rubriek van Prof. Dr H. H. Kuyper) op een circulaire van de Gen. Deputaten naar Art. XIII aan de Kerkeraden, waarin de Kerkeraden werden opgewekt de pensioenen te verlagen. Motief: de „algemeene malaise". Aanbevolen werd, den Emgriti te verzoeken toe te stemmen in een verlaging. Wat zegt Ds Couvee daar nu van, hij met zijn verwijt over „zulke rare (spatiëering van- Ds C.) „verzoeken"? "

Zonder mij nu uit te laten omtrent de merites van elk dezer voorstellen (zoodat ook niemand mag concludeeren, dat ik voor of tegen één dier voorstellen zou zijn; dat heb ik uitvoeriger uiteengezet in mijn voordracht zelf) is toch uit deze reeks van voorstellen wel openbaar, dat door velen gevoeld wordt de noodzaak om in de behoeften te voorzien. En dit dan geheel conform hetgeen in artikel XIII K.O. wordt bedoeld.

Kan men nu met grond beweren, tegenover al deze zooeven aangeduide instanties (Kerkeraden, Classis en Particuliere Synode), dat de tegenwoordige regeling dat voldoende doet? Die zoo spreekt gedraagt zich als een vreemdeling in Jeruzalem. Reeds in 1934 (in „De Heraut" van 21 Januari 1934) heeft Prof. Grosheide in de toenmaals door hem verzorgde rubriek van Dr H. H. Kuyper geschreven: „De moeilijkheden om de kas naar Art. 13 te vullen, zijn niet alleen een gevolg van de crisis, maar ze hangen ook samen met het systeem"^). En om nu maar ineens naar het heden over te springen: in gelijken zin schreef Prof. Dr K. Dijk in „De Bazuin" van 7 Juli 1939 (ónder de vermelding van het bovengenoemde voorstel van de Synode-Utrecht): „Ook in andere ressorten is deze zaak besproken en algemeen is men het in onze Kerken hierover eens, dat op de thans gevolgde wijze de zaak tenslotte dreigt vast te loopen"f). Reeds eerder had hij zich uitgesproken in „De Bazuin" van 12 Mei 1939: „Een andere vraag is of over 't algemeen de kwestie van de pensioenen niet moet worden bezien en of ten opzichte van art. 13, waai'mee we dreigen vast te loopen^), geen ingrijpende maatregelen moeten worden getroffen."

Dus reeds in 193-4 de klacht van Prof. Grosheide, dat de moeilijkheden samenhangen met het „systeem". Laat ons hierop letten. Want er is een tendenz, die niet de fouten van het systeem wil wegnemen, doch dat systeem wil handhaven en tot verdere consolidatie brengen. Ik bedoel het streven naar de z.g. „landelijke samenwerking". Wat tot nu toe slechts provinciaal werd gedaan, zal dan nu over het geheele land worden uitgebreid. Men mag vragen: wordt hiermede iets veranderd aan het „systeem" en wordt hiermee een poging gedaan om de fouten van het systeem weg te nemen? In geenen deele. De fouten van het systeem worden daardoor slechts vergroot en verergerd. Ik ben niet onbekend met hetgeen op een vorige Synode is gerapporteerd en waarbij met een beroep op enkele deskundigen gewezen werd op de doelmatigheid van een zoo breed mogelijk genomen basis voor een omslagstelsel. Deze, aan de verzekeringswetenschap als een soort dogma ontleende stelling kan niet bestreden worden. Heel iets anders is echter de al of niet doelmatigheid van het omslagstelsel zélf.

Tegen dat omslagstelsel pleiten:

ten eerste: de grondslagen van de samenleving der Gereformeerde Kerken in Nederland, zooals die zoo principieel-scherp zijn uiteengezet in het rapport-Rutgers- 1905. Men herleze de lofzegging daarvan in „De Heraut" van 16 April 1905 (Prof. Dr H. H. Kuyper), in „De Heraut" van 28 Mei 1905 (J. H. Donner en W. B. Renkema; zelf eerst voorstanders van een „Algemeene kas", zijn zij, na ernstige studie, van meening veranderd; zij wijzen erop, dat tal van Kerken bezwaar hebben tegen een „financieel verband"; dit mag „niet anders zijn dan van confessioneelen aard"); in de Acta Synode 1905 (blz. 219: Synode-Commissie: „waarin zoo schoon de beginselen zijn ontwikkeld"); ten tweede: de onafwendbare noodzaak van uniformiteit; ten derde: de onoverzichtelijkheid voor elke plaatselijke kerk in eigen verplichtingen; ten vierde: de neiging tot toegefelijkheid tegenover Kerken, die beweren, den omslag niet te kunnen opbrengen en zoo dus ook weer het aandeel in den omslag van de andere Kerken vergrooten. Een voorziening in de individueele behoeften, anders gezegd de „nooddruft" in elk Emeritaatsgeval, wordt daarbij onmogelijk. (Ik weet, o critici, dat een plaatselijke kerk desgewenscht tot een suppletie mag besluiten); ten vijfde: het wegnemen van de plaatselijke Kerken van de zorg voor de Emeriti is oorzaak, dat men bij die Kerken zelf het inzicht in haar verplichting tegenover de Emeriti verzwakt.

Ik heb dan ook geen regel gelezen, die ons duidelijk kan maken, dat die landelijke samenwerking de fouten van het „systeem", waarover Prof. Grosheide in 1934 klaagde, kan wegnemen. Ik heb zulk een poging tot verduidelijking ook niet gevonden in de circulaire, die onder dagteekening van „Amsterdam, Mei 1937" ^) is rondgezonden aan de Kerkeraden (via Particuliere Synoden) en waarbij de landelijke samenwerking nog weer werd verdedigd en toetreding daartoe verzocht.

Getroffen heeft mij hetgeen vroeger is gezegd door Prof. Greijdanus. Prof. Dr K. Dijk herinnert daaraan in „De Bazuin" van 7 Juli 1939. Prof. Greijdanus, toen nog predikant, heeft op de Synode-1917 gezegd, „dat de lasten niet zwaarder worden door het emeritaat — want de geëmeriteerde is predikant van deze bepaalde Kerk en blij ft (spatiëering van Prof. Dr K. Dijk) het, zij het buiten practischen dienst — maar door de komst van een anderen dominé, die nu naast en bij het emeritaatsgeld van den eersten traktementsgeld kost". Prof. Greijdanus heeft hiermede een standpunt ingenomen, dat zich volstrekt logisch aansluit aan hetgeen Prof. Rutgers in zijn bekend rapport aan de Synode-1905 heeft uiteengezet. Prof. Dijk verzekert, dat Prof. Greijdanus de even-geciteerde opvatting „tot nu toe gehandhaafd" heeft. Van Prof. Greijdanus (die ons altijd de weldaad heeft bewezen de argumenten voor zijn meening te geven, zoodat, wie tot eigen overtuiging begeert te komen, bij hem de gelegenheid daartoe vindt), zeg ik, mij nu lieperkend tot het onderwerp van dit artikel: hadden de Kerken maar meer geluisterd óók naar Prof. Greijdanus ook op het punt van art. XIII: wij waren dan niet zoo in het moeras geraakt als het thans het geval is.

A. SCHILDER.

Bellamyanen psalm?

In „Bellamy Nieuws", het officieel orgaan van de Internationale Vereeniging Bellamy, komt geregeld een rubriek voor: Uit het dagelijksche leven. In deze rubriek worden door „oom", „tante" en een „neef" de gebeurtenissen uit het leven van eiken dag critisch bekeken. De slotconclusie is natuurlijk steeds: Och, wat zou het in den Bellamy-staat toch anders gaan! en: Zulke dingen zouden in de Bellamy-samenleving niet mogelijk zijn. Gewoonlijk worden onderwerpen behandeld als deze: de lage loonen van de kweekelingen met acte; de verschrikkelijke concurrentienijd tusschen menschen, die in hetzelfde bedrijf werkzaam zijn; het werk van de reclasseering; het sluiten van een huwelijk niet uit liefde, maar uit geldelijke overwegingen en al de narigheden, die daaruit voortvloeien; enz.

Een enkelen keer wordt evenwel ook overgestapt op het terrein van de kerk en van den godsdienst. Niet al te vaak natuurlijk, omdat men terdege rekening moet houden met de omstandigheid, dat er heel wat lezers van „Bellamy Nieuws" zijn, die van kerk en christendom niets moeten hebben. Toch wordt het noodig geoordeeld soms ook over den bijbel iets te zeggen, om tegenstanders, die altoos weer met beginselbezwaren aankomen, wat voorzichtiger te doen zijn in hun uit latingen.

Zoo wordt in den 7en jaarg. no. 6, 1939 door neef mee- •gedeeld, dat hij als onderwijzer zijn kinderen een psalmversje geleerd heeft. De beurt was volgens den rooster aan Ps. 113:4. En neef reciteert op verzoek van tante:

Wie is aan onzen God gelijk, Die armen opheft uit het slijk, Nooddruftigen, van elk verstoeten. Goedgunstig opheft uit het stof. En hen; bekleed met eer en lof. Naast prinsen plaatst en wereld-grooten?

De opmerkingen over dezen psalm komen van verschillende kanten. Tante om te beginnen, oordeelt, dat het een echte Bellamyanen psalm is, maar oom denkt dat het over den hemel gaat. In ieder geval, zoo betoogt hij, zegt het vers duidelijk, dat er door God geen verschil gemaakt wordt tusschen hoog en laag, en arm en rijk. Neef zegt tenslotte, dat een vriend van hem — zonder twijfel ook een Bellamyaan — dezen psalm zag als een profetisch woord.

Dit alles wordt vermeld om de christenen tot nadenken te stemmen, en om hen naar de zijde van de Bellamyanen over te brengen.

Een wondere inlegkunde wordt toch aangewend om dezen psalm als Bellamyanen psalm te kunnen be-, stempelen.

In Ps. 113 : 7 en 8 wordt volgens de exegeten duidelijk heengewezen naar het lied, dat Hanna zong toen de Heere haar gebed verhoord had en haar een zoon voor den Heere geschonken had — Samuel. 1 Sam. 2. Hanna, de vrouw, die zeer gebukt ging onder het feit, dat zij geen kinderen voortbracht en dat zij als moeder niet mee kon helpen bouwen aan Israel's groote toekomst, om de belofte van het heil verder te dragen van geslacht tot geslacht, zingt in een danklied, dat de Heere haar de arme en ellendige heeft aangezien en verhoogd heeft en Zijn rijke gunst ook aan haar, kinderlooze vrouw van-vroeger, bewezen heeft.

Het is dus alvast raadselachtig hoe men zeggen kan, dat deze woorden wel op den hemel zullen slaan.

In den grondtekst van Ps. 113 wordt voorts nadrukkelijk gezegd, dat het de HEERE is, de Verbonds God, Die den nederige verhoogt. Hanna heeft haar ziel uitgestort voor den Heere. Zij is gegaan naar het heiligdom, naar het centrum van Israels godsdienstig leven, om daar te bidden en te offeren en haar geloften te betalen. En de Heere heeft dat gebed verhoord. In haar vernedering en verachting heeft Hanna dus niet opgehouden te bidden tot den Heere. Zij heeft zich gewend tot haar trouwen God en uitgezien naar Zijn hulp.

Het is dus eveneens raadselachtig hoe gesproken kan worden van een Bellamyanen psalm. Het is niet het stelsel, dat uitkomst verschaft, en niet het nieuwe systeem, dat den arme verhoogt, maar het zich verlaten op en het leven bij het Woord des Heeren en bij de beloften Gods.

En zoo spreekt deze psalm juist zeer krachtig tegen de Bellamy-gedachte, zooals trouwens heel de Schrift. Deze psalm spreekt van iemand, die, levend op het erf des Verbonds, met het oog des geloofs, ziet de daden van den Heere zijn God en die het met een dankbaar hart uitroept: Hij richt den geringe op uit het stof.

Daarorn moet de Naam des Heeren geprezen worden — vers 2.

H. M.

Oneerlijk en misleidend.

Ruim vijftig jaar geleden verscheen een boekje, getiteld: „De Bijbelsche Geschiedenis aan kinderen verhaald", mee een woord vooraf van J. H. Donner. Het was versierd met honderd plaatjes.

Wijlen Ds J. H. Donner, bij de ouderen onzer lezers 3iog wel bekend als lid der Tweede Kamer en .Zendingsdirector van de Chr. Geref. Kerk vóór 1982, deelt in zijn woord vooraf mee, dat hij gaarne zelf deze Bijbelsche Geschiedenis had geschreven, 'maar dat de tijd hem daartoe had ontbroken. Evenwel had een Christelijke vriendin dit werk ter hand genomen, wier werk hij met volle vrijmoedigheid kon aanbevelen. Hij schrijft o.m. nog letterlijk het volgende: „Geheel in overeenstemming met hetgeen naar mijn oordeel een Bijbelsche Geschiedenis voor kinderen zijn moet, heeft zij haar taak opgenomen en volbracht. Zij geeft geen losse Bijbelsche tafereelen, waarbij de onovertroffen eenvoud der Schrift vaak aan den vorm ten offer wordt gebracht, maar een getrouw doorloopend verhaal van de gebeurtenissen, ons in de Heilige Schrift geboekt, en dit doorgaans met de woorden der Schrift zelve. Spaarzaam is zij geweest met uit de geschiedenissen lessen te trekken. Zij heeft ook hierin de Schrift gevolgd, die ons eenvoudig de gebeurtenissen meedeelt, maar zóó, dat de lezer, ook indien hij een kind is, gevoelt, wat het verhaal tot het geweten en het leven spreekt".

Dit boekje heeft tot op 1936 elf drukken beleefd. In 1936 verscheen thans een twaalfde druk, ditmaal verzorgd door een nieuwen uitgever, den heer J. P. van den Tol Jz. te Meuw-Beyerland.

Nu is er echter aanmerkelijk verschil tusschen al de vorige drukken en dezen twaalfden druk. Dit verschil treedt al direct aan den dag in de illustraties. Van de 100 plaatjes in de vorige uitgave vinden wij er 76 terug in dezen twaalfden druk, terwijl er 53 nieuwe zijn bijgevoegd. Op zich zelve genomen, is tegen deze verandering niets in te brengen. De nieuwe uitgave kan er mooier en beter door worden. Iets anders komt de zaak echter te staan, wanneer in die verandering een bepaald principe tot uiting komt. En dat is hier inderdaad het geval.

Alle oude illustraties, waarop een afbeelding van -den Heere Jezus voorkwam, zijn in dezen nieuwen druk -weggelaten.

Waarom heeft Ds D. Driessen, Chr. Geref. pred. te Rotterdam (Zuid), die dezen nieuwen druk van een voorwoord voorzag, hierop niet gewezen, omdat hier toch een beginsel aan den dag treedt, dat noch door de Schrijfster, noch door Ds Donner werd gedeeld?

Bovendien is in deze nieuwe uitgave achter elke Bijbelles een soort toepassing gegeven, wat de Schrijfster oorspronkelijk niet had gedaan, en wat Ds Donner juist aanleiding gaf, dit boek aan te bevelen.

Nu blijkt niet duidelijk, wie deze aanvulling van den oorspronkelijken tekst heeft aangebracht. Maar op zijn minst had Ds Driessen in zijn Voorwoord op deze wijziging de aandacht moeten vestigen, vooral nu deze wijziging tegen de bedoeling van de Schrijfster en Ds Donner inging.

Eerlijkheidshalve had deze nieuwe uitgave als een sterk gewijzigden druk aangekondigd dienen te worden. En Ds Driessen had in zijn „Voorwoord" moeten aangeven, dat hij zich niet kon vereenigen nóch met het •ook in dezen druk opgenomen voorwoord van Ds Donner, nóch met den oorspronkelijken tekst.

Wat nu die aangebrachte toepassingen zelf betreft, wij achten ze geen verbetering van de oorspronkelijke uitgave.

We lezen b.v. op pag. 50, dat Jakob zijn naam in 's vaders tent had verzwegen en dien eerst aan den Jabbok opgaf. De vraag rijst bij ons op, of kinderen van 6—10 jaar die beeldspraak kunnen verstaan. We •onderstellen althans, dat hier beeldspraak gebruikt is. In letterlijken zin toch was er voor Jakob geen reden, om zijn naam te verzwijgen.

Daarbij komt nog, dat in die toepassing de jongens en meisjes gelukkig worden genoemd, die zulk een naamsverandering kennen. We vermoeden, dat met die Jiaamsverandering op de bekeering wordt gedoeld. Maar eilieve, was Jakob een onbekeerd man in zijns vaders tent? Dat Jakob zijn vader bedroog, was gruwelijke zonde, maar de begeerte naar den Verbondszegen was vrucht van bekeering.

Nog op een andere toepassing vestigen we de aandacht.

Wanneer de geschiedenis van de opwekking van den jongeling te Naïn is verteld, wordt daaraan de volgende toepassing vastgeknoopt.

„De bedroefde weduwe te Naïn had een goeden dag, toen ze haar zoon weder levend terug ontving. De Heere Jezus was de Vorst des Levens, Die den dood overwon. Ge moet daarom Hem kennen, lieve kinderen! Zooals die dragers het doode lichaam vanden jongeling wegbrachten, zoo voeren uw zonden u Ook naar het verderf. Die dragers 2ijn: een hoop op een lang leven; ^e denken, dat men niet zoo heel 2ondig is; te meenen, dat de Heere Wel barmhartig zal zijn; te denken, dat men nog wel tijd tot bekeering leeft, enz.".

Wij vragen ons in ernst, of het door ons gespatiëer- «e bestaanbaar is met gezonde exegese, nog daargelaten, of rekening is gehouden met het bevattingsvermogen van een kind.

Eén ding weten we zeker, dat indien Ds Donner nog leefde, hij verontwaardigd zou zijn, dat zulk een uitgave met zijn naam gedekt werd.

Dat deze nieuwe uitgave in dezen vorm het licht zag, betreuren we. Maar dat ze met den naam van Ds Donner gedekt werd, achten we oneerlijk en misleidend. Daarvoor heeft de naam van Ds Donner onder ons. Gereformeerden, een te goeden klank. Alleen reeds diens verklaring van de Psalmen doet ons hem kennen als een theoloog, die, wars van inlegkunde, niets anders wilde dan gezonde Schriftuitlegging, welke we in deze uitgave ten eenen male missen.

T. TIELEMAN.

Ned. Chr. Persbureau.

Door de vriendelijkheid van een lezer bemerk ik, dat het N.C.P. een nieuwsbulletin verspreidt, bestaande uit den inhoud van een aan dat bureau toegezonden stuk van zijn directeur, dr H. W. v. d. Vaart Smit, ter bestrijding van wat ik verleden week opmerkte. Ik rekende daarop van te voren. Wat er in staat, is niet juist. Wie de door mij destijds opgenomen ofüciëele stukken leest, kan dat nagaan. Ik volsta met de herhaling van wat

ik schreef.

K. S.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

In hartelijken dank mag hier deze week vermeld worden een gift uit Argentinië zelf. Ze was afgezonden door ds Jerry Pott te Tres Arroyos, en bedroeg ƒ 19, —.

K. SCHILDER.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (XII.)

59. Hoe is het mogelijk, dat het uiterlijk en lichamelijk waterbad ons verzekert van deze innerlijke en geestelijke afwassching?

Wanneer de Heilige Geest onze harten beweegt tot vaster gelooven, door déze belofte van Christus, (n.l.) dat aan allen, die gelooven en gedoopt zijn, de vergeving der zonden volstrekt zeker zal ten deel vallen.

60. Waar wordt ons dat beloofd?

In de instelling van den Doop (laatste hoofdstuk van Matth. en Mare), wanneer de Heere aldus spreekt: „Gaat dan henen en onderwijst alle volken en doopt ze in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden: doch die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. Hetzelfde wordt in andere plaatsen der Heilige Schrift beloofd, waar de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden genoemd wordt.

61. Wascht dan het water de zonde af?

Allerminst. Dit geschiedt ja alleen door het bloed en den Geest van Christus.

62. Waarom wordt dan dit waterbad het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden genoemd?

Omdat het een zeker pand en teeken is, waardoor Christus aan ons allen, die in Hem gelooven, betuigt, dat onze zielen zóó zeker door Zijn bloed en Geest van de zonden gereinigd worden, als wij door het zichtbare water, dat de vuiligheden van het lichaam pleegt weg te nemen, afgewasschen worden.

63. Waarom moeten de jonge kinderen gedoopt worden, daar zij nog niet met het geloof begaafd zijn? V

Eerstens daarom, omdat de H. Geest ook in hen krachtig werkzaam is, en hen neigt tot gelooven en gehoorzamen aan God, ofschoon zij nog niet op dezelfde wijze als de volwassenen gelooven.

Ten tweede, omdat ook zij tot het rijk en verbond Gods en de Kerk van Christus behooren en daarom ook met het teeken der goddelijke genade moeten onderscheiden worden.

Ten derde, omdat de jonge kinderen in het Oude Testament besneden zijn en de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is.

G. B.


1) Goede vriend Comrie, dat staat er niet in Rom. 4:17!-

1) Ik versta niet, waarom een recensent, die prof. Aalders' boek met zijn zeer stellige uitspraken, hoogelijk prees, juist tot ds V. d. Vegt zegt: pas. op voor eenzijdigheid. M.i. kan dat beter tot het heel wat gereformeerde voorgangers op zij duwende geschrift van prof. Aalders worden gesproken.

1) Het blad zelf is mij niet gezonden door Ds C. Van anderen moest ik vernemen, dat hij over mij geschreven

had. [Noot van de redactie: Met ons staat 't niet anders. Wat overigens de redacteur aan ons adres schreef in het voorjaar, was èn te arm aan argumenten èn te minderwaardig,

om er een woord aan te verspillen.] (Zie vervolg op blz. 372.)

2) Ds Couvée is reunist van S. S. R. De schrijver van. dit artikel eveneens. Redactie.

3) Ik schrijf deze regelen in mijn vacantie-verblijf.

4) Mij is niet duidelijk, hoe ooit met uniformiteit kan worden voorzien in individueele behoeften, maar ik laat dit nu maar rusten.

5) Spatiëering van mij. A. S.

6) „Namens de deputaten"; men kan vragen: welk-gezag hadden de deputaten, om dézen stap te ondernemen mèt de aanduiding van hunne qualiteit?

1) cum nondum fide sint praediti.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1939

De Reformatie | 8 Pagina's