GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

31 minuten leestijd

Frankfort’s moeiten en Calvijn.

We hebben gesproken over de wrijving tusschen e uitheemsche en de duitsche gemeente in Frankfort . d. Main, en zouden nog een en ander opmerken over alvijn's houding in deze aangelegenheid.

In den bekenden brief, dien Datheen aan Calvijn chreef (CR. 19, 397/8), vermeldt Datheen rondweg, at er gemeenteleden waren, die, nadat de bovenrijvende partij der lutheranen de funeste raadsbeslising (weigering van eigen eeredienst voor de buitenlanders) had weten door te drijven, de Frankfurter stadskerk niet langer kerk wilden noemen. Was dat een kerk, die de zuivere leer zóó weg-werkte? Die lutheranen hoorden niet bij de kerk van Christus; en ie van hun ambtsdienst gebruik maakte, die bezoedele zich maar (brief 3852, 19, 523). Anderen waren r, die zóóver niet gingen, maar het toch ongeoorloofd achtten, gebruik te maken van den dienst dergenen, met wie naar Paulus' onderricht zelfs geen brood geeten mocht worden.

Hoe oordeelt nu Calvijn? Wie gelezen heeft, wat n „De Heraut" èn prof. Dijk over Calvijn en Datheen schreven, zal geneigd zijn, te denken: hij zal, vanv/ege et-ware-kerk-zijn der Frankforter gemeente wel zeggen: zóó ei-g is 't toch niet? Ge moogt 't wel onaanenaam vinden, uit het u toegestane kerkgebouw weer verjaagd te zijn, maar in elk geval: een ware kerk blijft over, om den doop te ontvangen.

Toch is het wel een ander geluid, dat Calvijn laat hooren. In brief no. 3807, gericht tot de vlaamsche kerk te Frankfort (19, 461 v.), en gedateerd 18 Juni 1562, geeft hij het advies, liever de stad te verlaten, dan op ij te gaan voor die luthersche partij. Het zou toch een al te kruiperige huichelarij worden, zijn kinderen ten doop te praesenteeren bij mensch en, die er voor uitkomen, vijandig te staan tegenover onze waarliJK christelijke religie. Hun bedoeling is duidelijk: ze willen triumfeëren over de zuivere waarheid, die wij door Gods genade belijden. En zou het nu billijk wezen, dat wij hun de hand zouden geven bij hun preeken om hun behulpzaam te zijn bij het vertrappen i van de vraarheid Gods? Gij zult — aldus Calvijn — mij v^illen antwoorden, dat onder hen toch de wettige i dienst is. Laat me volstaan met er op te wijzen, dat de bediening van het avondmaal onafschelde! ij k verbonden dient te zijn met die van den do op .

Dat geluid is forsch genoeg. Want voor Calvijn's esef is het drijven van hen, die in den strijd tegen e waarheid de hand hebben, schism_atlek. Zij, die et alle geweld de duitsche gemeente aan speciaal uthersche partijbelangenpolitiek willen knechten, erbreken daardoor de eenheid. Over personen praten wij niet, zoo schrijft Calvijn, want dank ij Gods genade, vreet ik wel, dat de waarheid van het sacrament niet afhangt van den persoon, die het bedient. Maar het probleem is hier een ander dan dit. i Staat het een geloovige vrij, hem als herder te ontangen, die openlijk de waarheid van het heilig avondmaal met recht gebruik en instelling daarvan, aanrandt en onderstboven keeren wil? En die vrijwillig zich scheidt van de ware kerken van Christus? !) En al wil ik nu niet alles zoo precies en haarfijn uitpluizen, ik houd dan toch tenminste vol, dat wie zijn kind bij de lutherschen ten doop aanbiedt, open en rond moet uitkomen voor zijn belijdenis aangaande het avondmaal (dat was destijds het voorname geschilpunt) en getuigenis dient af te leggen van zijn eenheid met de kerken, die met hem hetzelfde gevoelen zijn toegedaan.

Tot zoover Calvijn's advies, dat men ook heeft opgevolgd 2), zooals Datheen later Calvijn meldt (brief 3852, CR. 19, 522). Trouwens, het was reeds duidelijk geconstateerd, in Datheen's eersten brief, dat de ouders, die in hun verlegenheid dan maar bij de duitschers den doop aanvroegen, voor hun gevoelen inzake het avondmaal plachten uit te komen, en dat er dus van veinzerij geen sprake was. Maar dat doet hier niet ter zake. Het trekt onze aandacht, dat voor Calvijn's besef de band der gemeenschap wordt doorgesneden daar, waax men de ware kerk van Christus vervolgt. Wie daaraan meedoet, brengt het schisma; en scheidt zich vr ij willig van de ware kerken van Christus.

Deze algemeene regel, door Calvijn gesteld, is hierom te meer van beteekenis, wijl Calvijn daarmee nog geenszins speciaal de Frankforter moeilijkheden toont gepeild te hebben. Zóó, als hij het hier zegt, zóó ziet hij straks de lijnen loopen. Wie de belijdenis der kerk noodeloos verengt, en zelf de oorzaak wordt, dat wie God waarlijk vreezen naar Zijn Woord, van de gemeenschap der kerk worden uitgesloten, die wordt daardoor schismatiek.

Die waarheid keert zich eerst tegen de duitsche •kerk te Frankfort. Versmalt ze haar basis, en drijft ze uit wie over bepaalde punten anders denken dan de machthebbertjes, ook al hebben de andersdenkenden alle formulieren der Frankforter kerk onderteekend, die is schismatiek. Want die wil van een duitsche kerk een niet maar officieus, doch officieel luthersche maken; van een broedere basis een smallere; van een reformatorische gemeenschap een partijgezelschap.

Als nu Datheen in zijn volgenden brief (3852, 19, 523) diezelfde waarschuwing tegen schismatiek drijven, ook tot de calvinistisch gezinden wil gericht zien, liefst ook door Calvijn zelf, dan is dat natuurlijk geheel in den geest van Calvijn zelf. Er waren onder de broeders, die niet naar elders wilden verhuizen (al was de gelegenheid daartoe opengesteld), die dus in Frankfort bleven, maar zóó verstoord er over waren, dat sommige ouders hun kind dan maar lieten doopen bij de stadskerk (de duitsche), dat zij zich van hen afscheidden. Er waren er ook, die o zoo hoog opgaven van al de ondeugden en gebreken en fouten der stadspredikanten en die daarmee indruk wilden maken op de ouders-in-kwestie, teneinde hen te overtuigen, dat zij bij zóó slechte personen geen kind moesten laten doopen. Bij deze groep lag dus het bezwaar niet zoozeer in de kerk van Frankfort, als wel in de personen van de dominees. Maar, zoo vraagt Datheen, ligt dat niet op de lijn der Donatisten? Hangt de beteekenis van het sacrament dan af van de waardigheid van den persoon, die het bedient? '')

Derhalve zijn het twee vragen, waarop Datheen van Calvijn graag een helder antwoord zou willen ontvangen, om den lastigen broeders in eigen huis den mond te kunnen stoppen:

a. of die vergadering, v/aarin het evangelie verkondigd wordt, en van de sacramenten een recht (zuiver) gebruik gemaakt wordt, ondanks enkele vlekjes in de leer aangaande de sacramenten *) en in de zeden, een deel van Christus' kerk was, ja dan neen;

b. of het een godvreezend man, die nu eenmaal in Frankfort verblijf houdt, en elders niet terecht kan, en die voor zijn geloofsove 'tuiging rond en open uitkomt, alsmede tegen ingeslopen bederf protesteert, vrij staat, voor den doop gebruik te maken van den dienst dergenen, die de schu'.d er van dragen, dat ons kerkgebouw gesiotea werd en onze ambtsdienst ons verboden werd (19, 523, 524).

Teneinde alle misverstand af te snijden, merken we nog op, dat het probleem van dat doopen in de duitsche kerk opkwam in de periode, waarin de getroffen gemeenteraadsbesluiten nog maar als voorloopig golden. Dat blijkt zeer duidelijk uit de bijlage bij Datheen's brief (19, 524).

In April 1561, zoo lezen we daar, kwamen de stadspredikanten den gemeenteraad verzoeken, om èf bij raadsbesluit de vreemdelingen in leer en liturgie gelijk te schakelen met de stadspredikanten, óf anders hun kerkgebouw te sluiten.

Op 22 April is door den gemeenteraad in dien geest besloten. Aan de vreemdelingen werd het bekende verbod opgelegd zoolang, tot zes) in leer en liturgie met de stadspredikanten 'teens geworden waren.

De onderhandelingen van de getroffen vreemdelingen met den gemeenteraad namen elf volle maanden in beslag.

En gedurende die èlf maand, terwijl de zaak nog aanhangig was bij den gemeenteraad''), zijn er kindertjes geboren, huwelijken te bevestigen geweest, enz.; en hebben de stakkers onder de bekende voorwaarden (dus met klare uitspraak van hun gevoelen) zich tot de „duitsche" dominees gewend. Let wel: terwijl de zaak nog aanhangt g v/ a s (er wordt nog eens en nóg eens, en nóg eens aan herinnerd'') ontstonden de debatten.

Bij dien stand van zaken nu houdt men de duitsche kerk van Frankfort voor kerk van Christus, ondanks zijn bedenkingen. Want die domineesdrijvers bepalen toch niet het karakter der kerk? De naam eener kerk, zoo schrijven ze Calvijn, hangt toch niet aan de helft-plus-één, maar wordt toch bepaald door het goede, trouwe deel? ^) Anders zou ten tijde van Jesaja, van Simeon, de kerk er niet meer geweest zijn.

Deze laatste opmerking is van belang: Datheen en medestanders maken in de Frankforter gemeente een scherp onderscheid tusschen de partijdrijvers, al zqn ze ook invloedrijk, en de trouwe, hartelijk geloovende menschen, die in de gemeente zijn. Het is er ver vandaan, dat de gemeente als geheel officieel en definitief zou hebben gekozen vóór de exclusieve houding. Al mocht een groote meerderheid den baas spelen over het betere deel (526), toch bleef Gods Woord er.

Hoe duidelijk is hier, dat „De Heraut" en prof. Dijk ten onrechte de Frankforter kerk als „Luthersche" hebben aangediend''). En eveneens, hoe ongemotiveerd was de voorstelling, door hen gegeven, als ware Datheen's oordeel over de „luthersche" kerk geveld, nadat de officiëele eindbeslissing gevallen was. Voor de vierde maal lezen we het in zijn brief (19, 526): „niet hierover loopt de strijd, of men de sacramenten moet gebruiken daar, waar ze zoo zuiver mogelijk worden bediend, als de geloovigen de keus aan zich hebben. Wie zou dat niet weten? Neen, maar de kwestie is deze, of de vreemdelingen gedurende die elf maanden, dat hun proces nog bij den gemeenteraad aanhangig isi"), naar de lutherschgezinden mochten gaan. Hebben niet de Heidelbergsche theologen hun goedkeuring er aan gehecht (527) ? Wat Datheen betreft, hij kan met vrije conscientie predikanten eener lutheraansch gezinde kerk broeders noemen, niet wijl ze broederlijk met hem omgaan, maar omdat ze één Vader met hem aanroepen in den Zoon, al zondigen ze dan nóg zoo ernstig tegen

de broederlijke liefde (527); en zoo heeft ook Bullinger er over gedacht, en Anastasius en anderen met hen.

Op den nieuwen brief met bijlagen heeft CaMjn uitvoerig geantwoord, in een missive aan de verdrukte kerk van Frankfort (19, 565 v.). Verstandige menschen, die hun koffers hebben gepakt! (566.) Maar de anderen, die niet weg konden, moet men niet lastig vallen. Zouden ze hun overtuiging hebben verzwegen, dan waren ze verraders geweest; want die heeren-vaninvloed, die zoo'n makkelijk leventje hebben, bedoelen de waarheid te onderdrukken (567). Maar als de oudersin-kwestie door een vrije en volledige belijdenis de arrogantie van die weleerwaarde heeren een duwtje geven, dan kan men hun geen verwijt doen: zijn niet die dominees nog altijd wettig aangesteld (door den gemeenteraad, bij welken men zelf in beroep is, K. S.) ? Met het avondmaal staat het al anders; dat kan niemand uit hun hand aan nemen, tenzij hij zwaar tegen de leer zondi g 11^).

Alzoo schreef Calvijn 27 October 1562.

Onomstootelijk lijkt ons hier vast te stellen, dat z.i., nu de Frankforter kerk zóó geleid wordt, en ahneer den speciaal- lutherschen kant uitgedreven wordt, de situatie verandert. Het avondmaal kan men dus nergens gebruiken in die elf maanden. En waar nu volgens Calvijn tot de kenmerken der ware kerk behoort het recht gebruik der (beide) sacramenten en de zuivere oefening der tucht, daar kan zijn oordeel over de Frankforter gemeente na de definitiefwording der vervolging niet gunstig zijn. Het avondmaal kan men er niet vieren. En de vervolging keert zich tegen ware kinderen Gods. Calvijn is zoo „breed" niet, als men tegenwoordig nog al eens hoort verzekeren, d.w.z. in dien zin niet breed, waarin velen het woord „breed" opvatten. En er v/are in de dagen van het gravamen-Buizer, gelijk ook daarna, misschien veel gewonnen, indien de broeders, die van Datheen hoog opgeven, wijl hij de Frankforter gemeente, hangende het proces, een kerk van Christus noemde, er bij verteld hadden, dat volgens Calvijn zelfs reeds gedurende die periode men in die gemeente niet het avondmaal kon gebruiken. Pluriformiteitstheorieën moeten eerst nog maar eens naar de studeerkamer terug, eer zij onder het volk gebracht worden. Men moet niet zoo haastig allerlei denkbeelden onder ons volk brengen. Hebben de broeders 't zelf niet herhaaldelijk verzekerd ?

We zouden hiermee graag van het onderwerp afstappen, indien niet een verwijzing naar wat in W e z e 1 gebeurd is, leerrijk ware ook voor de rechte waardeering van de gebeurtenissen in Franltfort. De correspondentie met de Frankforter broeders viel in 1562; die met de broeders te Wezel in 1563, enkele maanden later slechts: 1 Jan. 1563, nauwelijks twee maand na Calvijn's laatst aangehaalden brief aan de Frankforter gemeente. Ook te Wezel (19, 619) wilde de magistraat de waalsche en andere vluchtelingen dwingen in een luthersch keurslijf. In 1545 hadden de vreemdelingen den magistraat een geloofsbelijdenis overhandigd, op grond waarvan zy toelating hoopten te krijgen. Maar in 1561 waren de lutherschen gaan intrigeeren: de luthersche partij wel te verstaan; deze partij had een andere confessie opgesteld, die de vreemdelingen zouden hebben te onderteekenen. Als men speciaal luthersche denkbeelden hen wil laten aanvaarden, adviseert Calvijn: niet doen! Hij stelt er andere uitspraken voor in de plaats. Als zij moeten uitspreken, dat zij aan de Augsburgsche Belijdenis zich houden, adviseert Calvijn daaraan toe te voegen: in den hierboven (d.w.z. in de nadere verklaringen) aangegeven zin. En ze moeten niet probeeren den vrede met de overheid te koopen door te marchandeeren met de waarheid.

Hier ziet men weer, hoe ingewikkeld de toestanden waren in den reformatietijd, en hoe zeer plaatse- 1 rj k e verschillen van ingrijpende beteekenis waren. Men ziet hier en daar de Augsburgsche Belijdenis onderteekend worden; maar als de tegenstellingen op de spits gedreven worden, zet men van calvinistische zijde den voet dwars (vgl. Bullinger aan Calvijn in 1563, brief 3968, CR. 20, 43), en wil de eventueele onderteekening daarvan ^^) steeds meer tegen misverstand vrijwaren door een nadere interpretatie (Zanchius aan Calvijn, Juh 1563, brief 3971, 20, 47) i^). En dat laatste geschiedde op advies van Calvijn. (Zanchius aan Grindallus, brief 3972, 20, 52.) De Augsburgsche Belijdenis is, volgens Calvijn, geen vleesch en geen visch, en is een oorzaak van veel scheuringen en disputen (Calvijn aan Condé, 20, 14). En als men pogingen aanwendt, om ergens een plaatselijke kerk, die een gereformeerd stempel droeg voor het lutherdom te winnen, dan trekt men aan het klokketouw (brief 3956, BuUinger aan Calvijn, 20, 27). In denzelfden brief, waarin Bullinger Calvijn er aan herinnert (nr 3968, 20, 43) dat zijn kerken de Augsburgsche Belijdenis plus Apologie niet hebben willen aannemen (recipere), vertelt hij hem meteen, hoe er gekuipt wordt om Calvijn's invloed te breken. (Eber's boek over het avondmaal.) Dat was 12 Juni 1563. Een paar weken later (Aug. 1563), schrijft Calvijn daarover aan keurvorst Frederik van de Palts, en klaagt over de lutheranen, die al verder gaan, en al meer van Luther en Melanchton zich verwijderen (20, 76). Ze gaan met hun Augsburgsche Belijdenis al verder den verkeerden kant uit (door ze n.l. tot criterium van partijpolitiek te maken) en zijn woelzieke praatjesverkoopers.

Zóó groeit de verwijdering, zóó komt de partijzucht boven, en dan gaan de zaken meteen anders staan. Wie iets voor de pluriformiteitstheorie doen wil, moet niet de plaatselijke kerk van Frankfort of Wezel bekijken in den overgangstijd, doch een greep doen uit de litteratuur over de periode daarna.

K. S.

De pluriformiteit en onze synodes. (I.)

We beloofden, ons uit te spreken over de vraag inhoeverre eenige uitspraak eener synode, die in het verleden ligt, bindend is en beteekenis heeft voor de huidige pluriformiteitsdebatten. Prof. Dijk heeft zijn meening dienaangaande op papier gezet, en we willen ons gaarne daarover uitspreken.

Het lijkt ons gewenscht, het artikel van prof. Dijk („Bazuin", 26 Jan. '40) in zijn geheel hier over te nemen. Gemakshalve plaatste ik enkele cijfers voor de alinea's, waardoor we straks bij onze beantwoording des te gemakkelijker kunnen verwijzen naar de bedoelde plaats. We geven den raad, aan v/ie zich voor de zaak interesseert, dit nummer daartoe te bewaren. Hier volgt het artikel van prof. Dijk:

1. Enkele vragen dringen mij om nog eens op de kwestie van de pluriformiteit der Kerk terug te komen, welke vragen zich hierop toespitsen of onze Kerken in dit stuk een beslissing genomen hebben, ja of neen.

2. Ik meen, zooals ik vroeger reeds betoogd heb, ja, en het is over dit ja, dat mij nadere opheldering werd gevraagd.

3. Leeuwarden, zoo werd mij tegengeworpen heeft toch niets anders gedaan dan de meening, de exegese van Dr Buizer afvvrijzen, als zou er buiten het instituut der Geref. Kerk geen zaligheid zijn, en met die beslissing stemt ieder in, ook hij en zij, die de andere instituten niet als kerk kunnen erkennen. Het zou dwaasheid zijn te beweren, dat alleen in onze Geref. Kerken de zaligheid te vinden ware, en al verwerpen sommigen de leer van de pluriformiteit en al worden dezen door velen nagepraat, zoo exclusief zijn deze verwerpers niet, dat zij de zaligheid alleen zouden binden aan het eigen en eenige instituut. Daarom kan hun meening niet bestreden worden met een beroep op de beslissing van 1920. Daarom komen zij ook met deze decisie niet in strijd. Daarom mag dit besluit niet als een wapen tegen hen worden gebruikt, en, zoo werd mij geschreven, is uw conclusie fout, die ge aan het eind van uw artikel over deze zaak hebt getrokken; onze Geref. Kerken hebben zich op dit punt en over deze kwestie nooit uitgesproken en ieder is vrij te meenen en te leeren wat liij voor waarheid houdt.

4. Is dit waarlijk zoo?

5. Ik ga hier niet in op alle bijzonderheden, die met dit vraagstuk samenhangen, maar beperk mij tot de vraag: waarover ging het in Leeuwarden?

6. Was daar alleen in het geding het gravamen van Dr Buizer tegen de woorden: en dat buiten haar geen ealigheid is?

7. Of: kwam bij en in dat gravamen geen ander vraagstuk ter sprake dan de kwestie of er buiten ons instituut geen zaligheid mogelijk is?

8. Ik antwoord op deze vragen ontkennend, want de geheele beschouwing van Dr Buizer kwam voort uit zijn opvatting, dat onze Belijdenis de pluraliteit (hij is de man, die dit woord gesteld heeft voor de term pluriformiteit) der Kerk niet toelaat, en beheerscht wordt door deze gedachte, dat er maar één ware Kerk en één Kerk is n.l. de Gereformeerde.

9. En dan volgde uit deze stelling, dat buiten haar, d.i. buiten die Geref. Kerk geen zaligheid is en dus de Geref. Kerk volgens onze Geloofsbelijdenis de ware, zaligmakende Kerk is.

10. Daartegen had, zooals te begrijpen is. Dr Buizer ernstige bezwaren en hij diende in den

(Zie vervolg op blz. 166.)

kerkelijken weg zijn bezwaren tegen deze artt. van onze Confessie (Art. 27—29) in.

11. Deze grondbeschouwing moeten we scherp in het oog houden willen we èn Dr Buizers gravamen èn de beslissing der'Synode verstaan, en het ging in deze laatste om de geheele opvatting welke aan het bezwaar van Dr B. ten grondslag lag.

12. Zoo hebben we 't in onze Commissie te Leeuwarden besproken.

13. Zoo is de zaak door den rapporteur, Prof. Bouwman, beschouwd, en daar ik belast was met het dogmatisch rapport inzake de kwestie-Ds Netelenbos en al deze dingen met elkaar samenhingen, is door Prof. Bouwman en mij uitvoerig overleg gepleegd en voeling gehouden.

14. In dien zin moet de beslissing van de Synode worden verstaan.

15. Wanneer zij zegt:

lo. dat het gravamen van Dr Buizer tegen Art. 37—30 van de Belijdenis, wijl het niet gericht is tegen de genoemde artikelen als zoodanig maar tegen een uitlegging en opvatting van deze artikelen, en uitgaat van eene uitlegging, waarmede de Synode niet instemt,

geldt dit van geheel zijn gravamen, van het gravamen niet slechts tegen een enkele uitdrukking, maar tegen alle Art. 27—30 van onze Confessie, omdat Dr Buizer in die artikelen de belijdenis las, dat de Geref. Kerk de eenig ware kerk was, d.i. het absolute standpunt tegenover het

, .relatieve" van de pluriformiteit. 16. Met deze uitlegging, zegt Leeuwarden, stemt de Synode niet in.

17. Met geheel de uitlegging en verklaring van

Dr Buizer niet. 18. Onze Belijdenis sluit dus volgens Leeuwarden de , , pluriformiteit" niet uit, en omdat dit uitgesproken is, zonder dat iemand hiertegen bezwaar had, ook de Zeeuwsche broeders niet, mogen we niemand vrijheid laten om dengenen, die wel de pluriformiteit erkennen, te betwisten, dat hun overtuiging rust in de Schrift en de Belijdenis.

19. Nu is het volkomen waar, dat dezelfde Synode een commissie heeft benoemd om de Belijdenis der Kerk nader onder de oogen te zien, maar dat beteekent niet, dat de Synode ten opzichte van dit punt in het onzekere verkeerde.

20. Evenmin als ze dit deed inzake de autoriteit van de Heilige Schrift, al behoorde ook dit leerstuk tot de geloofsartikelen, die in onderzoek werden genomen.

21. Er waren alleen uit verschillende Part. Synodes voorstellen ingekomen om over het leerstuk der Kerk zich nader te bezinnen, en de Synode is daarop ingegaan en heeft tevens het gravamen van Dr Buizer geheel afgewezen.

22. Zijn exegese van de Confessie deugde niet, en de Synode heeft dit ook met de daad bewezen.

23. Zij nam bij het punt van den „uitbouw der Belijdenis" het voorstel aan, dat de te benoemen Commissie in overleg zou treden met binnen- en buitenlandsche kerken, die op denzelfden grondslag staan (binnenlandsche werd er bij amendement ingevoegd); met de binnenlandsche kerk is met name bedoeld de Christelijk Geref. Kerk, met wier Synode-moderamen ik zelf, als secretaris van de bovenvermelde commissie, gecorrespondeerd heb en deze correspondentie bedoelde met deze Kerk in overleg te treden over den „uitbouw der Belijdenis".

24. Ook zij hier gewezen op de beslissing van de Synode van Groningen 1927.

25. De in Leeuwarden benoemde commissie stelde in haar rapport aan deze Synode voor het deputaatschap op te heffen, omdat voor een „uitbreiding of uitbouw der Belijdenis" onder ons nog geen plaats is.

26. Als gronden voerde de commissie 'eerst aan, dat inzake de inspiratie en de autoriteit der Schrift de Confessie alleszins duidelijk is, wat in 1926 te Assen genoegzaam was gebleken en wat betreft de pluriformiteit der kerk, , , dat in onze Confessie voldoende duidelijk in liet algemeen de kenmerken van de ware Kerk zijn aangegeven, en dat, al wordt de pluriformiteit niet in de desbetreffende artikelen van de Belijdenis geleerd, deze wat uit de historie duidelijk blijkt, door de Confessie geenszins wordt buitengesloten en 2o. dat de moeilijkheden zich voordoen bij de practische toepassing".

27. Wat heeft toen de Synode gedaan?

28. Ze heeft zeer zeker, na een lang debat, het deputaatschap niet opgeheven, maar wel aan de nieuwe Commissie alleen opgedragen nader het leerstuk beti-effende de Heilige Schrift (het dogma der inspiratie) te onderzoeken.

29. Het vraagstuk van de pluriformiteit heeft ze toen losgelaten, ongetwijfeld, dit is ook uitgesproken, om later te bepalen, of dit artikel nog weer op de dagorde zou komen, maar zij heeft zich met geen woord verzet tegen de conclusie van de Commissie.

30. Dat deze Synode geen overleg meer wenschte met de binnenlandsche kerken (zie Acta, art. 224) vindt zijn oorzaak hierin, dat dit overleg gebleken was niet tot stand te kunnen komen.

31. Ook deze beslissingen heb ik als secretaris en rapporteur der Belijdenis-commissie en als Voorzitter der Generale Synode van zeer nabij meegemaakt.

32. Bij dit onderwerp mag ik ook niet verzwijgen de beslissing van de Synode van Middelburg van 1933 inzake de eenheid van alle Gereformeerden.

33. Toen is besloten een publiek getuigenis te doen uitgaan tot en nader contact te zoeken met de Geref. Gemeenten, de Christelijk Geref. Kerk, de Confess. Vereeniging en den Geref. Bond, en toen is ook door onze Synode een telegram ge­ zonden aan de Generale Synode van de Christelijk Geref. Kerk.

34. Ik weet wel, dat uit dit besluit en uit deze handelingen niet te veel mag worden afgeleid en dat hierdoor het vraagstuk der pluriformiteit niet is opgelost, rnaar het is toch van groote beteekenis, dat onze Synode toen de Synode der Christelijk Geref. Kerk ais Synode erkend heeft en m.i. ook deze Kerk als Kerk, hoe men haar verder wil kwalificeeren.

35. Onze Synodes en haar Deputaten hebben dua niet gezegd: alle Gereformeerden in ons vaderland moeten tot ons komen, want de Geref. Kerken zijn de eenig-ware Kerken en al het andere is geen Kerk, maar de pogingen, welke in het werk zijn gesteld, richtten zich op het tot elkander komen van de Kerken om zoo de institutaire eenheid te bereiken.

36. Om al deze redenen meen ik, dat het gevoelen, alsof andere „kerkgenootschappen" niet als Kerk kunnen erkend worden, niet gedeeld is door onze Generale Synodes, al heeft zij zich verder over kwestie van de pluriformiteit niet uitgesproken.

37. Hiermee hebben we zeker rekening te houden.

38. We mogen niet doen alsof er geen synodale uitspraken zijn.

39. Ik zeg dit laatste ook nog eens, en dat in verband met een brief, dien ik kreeg, in betrekking tot het vraagstuk van de beschouwing van onze kinderen bij den Doop.

40. Wanneer men meent het houden voor te moeten afwijzen en de uitdrukking in Christus geheiligd niet te mogen verstaan als een innerlijke heiliging komt men zeker in strijd met wat Utrecht (1905) leerde:

dat volgens de Belijdenis onzer Kerken het zaad des verhonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt.

41. Hier staat duidelijk: te houden is voor.

42. Hier worden de uitdrukkingen wedergeboren en in Christus geheiligd vlak naast elkaar en in eenzelfde verband gebezigd.

43. Heeft deze uitspraak haar kracht verloren?

44. Immers neen, en daarom moet men zijn gravamen indienen of anders zwijgen.

Tot zoover prof. Dijk.

Volgende week hopen we met ons antwoord te be­

ginnen.

K. S.

Antwoord van „De Heraut".

In „De Heraut" heeft ds J. Dijk (Zevenhuizen), dien wij vóór twee "weken beantwoordden, nog een klein stukje geschreven. Hij betreurt, dat wij zijn vertaling van Calvijn's brief niet doorgaven, 't Was anders volstrekt overbodig, omdat er alleen door bevestigd werd, wat we al hadden geschreven, dat de naam kerk door Calvijn aan Rome ontzegd was.

We hebben voorts duidelijk aangetoond, dat ds J. Dijk, door aan Calvijn's duidelijke uitspraak telkens een klein rukje te geven, tenslotte in zijn vierde „weergave" van Calvijn's opinie terecht kwam tot de uitspraak : Calvijn ontzegt den naam kerk niet. Daarover spreekt ds Dijk verder niet.

Ik behoef op wat hij schreef dan ook niet in te gaan, vooral niet, nu „De Heraut" de discussie (die er eigenlijk niet geweest is) gesloten heeft verklaard.

Wèl moet me van het hart, dat ik niet de houding van den redacteur van „De Heraut" verstaan kan, als hij dezen inzender laat klagen, dat de polemiek op dit punt al weer minder aanlokkelijk was. Ik heb nu tot tweemaal toe goedgevonden, een verklaring in „De Heraut" en „De Reformatie" op te nemen, onderteekend door prof. Kuyper en mij, dat geschillen waren bijgelegd. Ik vond dat ook zonder eenige nadere détailleering goed, terwille van den vrede, en onder inrekeningbrenging van den eerbied, dien een jongere den oudere verschuldigd is; hoewel ik had kunnen zeggen (de tweede maal): U w blad, collega Kuyper, kan de pacificatieverklaring niet publiceeren, want het heeft tot nu toe met geen woord iets van de zaak van uw kant vernomen. Ik heb dat niet gezegd, omdat ik over persoonlijke dingen niet lang wil blijven twisten.

Nu evenwel „De Heraut" een inzender na deze herhaalde pacific8, tie zóó schrijven laat, verklaar ik, wel geen „persoonlijk feit" hiervan te maken, ook van harte gaarne weer deze fout van den „Herauf'-redacteur te vergeven, maar voor pacificatie verklaringen als thans tweemaal gegeven zijn, niet meer me te zullen laten vinden. Het blijkt, dat zakelijke bestrijding tóch nog weer persoonlijk gemaakt wordt, ook in een blad, waarvan ik op grond van wat nog kort geleden gebeurd is, iets anders had verwacht.

K. S.

Jaarboek Gereformeerde Kerken.

Het Jaarboek is weer verschenen. Zijn plaats in ons kerkelijk leven is wel bekend; de statistiek doet reeds jaren lang nuttigen dienst en kan niet worden gemist. Daarnaast worden allerlei andere bizonderheden gegeven, die van groote zorgvuldigheid getuigen; de lof kan uit mijn pen gerust komen, want de accuratesse is niet van mij, doch van degenen, die in Goes de gegevens van het Jaarboek van dag tot dag bijhouden.

Over het jaaroverzicht is ook dit jaar weer door enkelen geschreven: het zou partijdig zijn. Ik heb de argumenten eens nagegaan, en vond ze óf merkwaardig vanwege de gezochtheid, èf — heelemaal ontbreken. Het heeft mij verblijd, dat er ook anderen zijn, die de bewering van partijdigheid rondweg weerspreken.

Ik ben dan ook zoo vrij, de gemaakte opmerkingen, als niet of niet voldoende ondersteund, naast me neer te leggen. Ik meen, de povere argumentatie van een enkele voor wat die poverheid betreft, alleen te kunnen verklaren, hieruit, dat men niet precies zegt, wat men op het hart heeft. In het jaaroverzicht zijn enkele dingen opgemerkt, die sommigen misschien liever verzwegen achtten. Ik heb ze toch even gereleveerd, omdat ze voor het verstaan van den loop der zaken beteekenis hebben.

Eén der broeders heeft de zaak persoonlijk gemaakt: de schrijver van het jaaroverzicht zou niet anders kunnen, maak nu maar eens een vuist, waar geen hand is. De broeder, die 't zóó zag, heeft zich ook al weer van nadere concretiseering onthouden. Als wij met het oog daarop eens zeiden: waar geen hand is, valt geen vuist te maken? Laat ons liever zakelijk blijven.

Het merkwaardigste van alles is dit, dat men zegt: de schrijver van het overzicht is zelf in de zaken betrokken, derhalve

Het zou eerst dan op mijn gemoed indruk maken, indien men generaal liet worden, wat men thans incidenteel laat. Hoevelen zijn er niet, die over dezelfde zaak in twee, drie, vier of meer qualiteiten hebben te handelen, en te rapporteeren?

Wij zeggen er maar niet meer van. K. S.

Van een „alarmkreet" — niet VAN maar OVER „De Heraut".

We hoorden onlangs een „alarmkreet".

Hij klonk, laat ik maar zeggen, van west naar oost, of, wil men liever, van noord naar zuid. Maar — er is ook in dezen al weer niets nieuws onder de zon.

Want alarmkreten klonken ook vroeger.

En ze werden aangeheven „naar aanleiding van" hetzelfde onderv/erp, n.l. de b e 1 ij d e n i s en het g e- z a g ervan.

Alleen — ze kwamen uit een gansch anderen hoek en ze werden in een geheel andere richting uitgezonden.

Een alarm-maker van nu was de alarm-oorzaak van toen.

We willen daar iets van vertellen.

In de jaren voor 1920 voerde „De Heraut" telkens weer het pleidooi voor een groote, generale herziening der Belijdenisschriften.

Er moesten, naar het oordeel van „De Heraut", verschillende stukken in de belijdenis worden bekort, andere breeder ontwikkeld, terwijl niemand — aldus „De Heraut" — zou kunnen ontkennen, „dat niet op meer dan één punt een nauwkeuriger formuleering gewenscht en noodzakelijk is". „Tegen het kerkelijk conservatisme — alzoo lezen we in het nummer van 29 Febr. 1920 — dat zweert bij het onveranderd behoud van onze Confessie en Catechismus... hebben we ons in de eerste plaats gekeerd. Wat we met het oog op den ernst der tijden vragen is Ie. een herziening en uitbreiding van onze Confessie, opdat de Kerk haar geloof uitspreke in een vorm voor het bewustzijn van onze eeuw geschikt en met het oog ook op de nieuwe dwalingen, die thans zijn opgekomen."

Met warme instemming citeert „De Heraut" Dr A. Kuyper's „Confidentie". Voor de Kerk, die tot vrijheid komt, wil — aldus „De Heraut" — Dr A. Kuypet „een belijdenis en die belijdenis scherp geformuleerd". Niet alsof in die Belijdenis daarom haarfijn alles zou moeten omschreven en gecodificeerd worden. Dat zou „het werpen zijn van een twistappel in de Gemeente, het kweeken van letterzifterij en een aftrekken van den heiligen dienst onzes Gods". Zulk een Belijdenis mag niets bevatten „dan datgene, waarvan men voor God betuigen kan, dat het afdoet ter zaligheid". En evenmin mag het te doen zijn, „om, is die Belijdenis eenmaal uitgesproken, ze onveranderd als wet te doen blijven". Wet des geloofs en des levens is alleen het Woord van God. Dat blijft, al het andere wisselt.

Vandaar dat er scherp onderscheiden moet worden ook bij de Belijdenis tusschen haar waarheidsinhoud en den vorm waarin deze gegoten is. „Onveranderlijk blijve alleen het eerste, al het overige wisselt naarmate God de Gemeente het inzicht, de gedachte en het woord geeft."

Toch wil dit daarom niet zeggen, dat de Kerk, tot vrijheid gekomen, nu een nieuwe belijdenis zou moeten opstellen, zonder rekening te houden met de historische lijn. Er moet. „aansluiting zijn aan de Belijdenis der Vaderen", de historische lijn moet weer worden opgezocht. Maar daarmede zal de Vrije Kerk niet kunnen volstaan. Die belijdenis moet, zoo volgt er, „zoo mogelijk beter uitgedrukt, schriftmatiger bepleit, scherper tegen de ketter ij ook onzer dagen gehandhaafd en zoo uitgesproken, dat ze ons eigen geslacht een woord op de lippen leggen, dat naar onze behoefte ons het scherp gewette zwaard reikt, om in den geestelijken tegenstand, waaraan wij ten prooi zijn, met volle hope en bl ij moedig geloof pal te staan voor onzen Heer". Dat en dat alleen, zoo laat Dr Kuyper er op volgen, is Gereformeerd. Reformata semper reformand a. „Ach men kent zoo weinig, merkt hij terecht op, den vrijen zin onzer Dordtsche vaderen. Van repristinatie walgden ze. Hun blik doorzag de toekomst en als mannen des vrijen geestes hebben zij juist, die miskende en verguisde mannen, voortdurende

reformatie ook op het stuk der Belijdenis ge­

wild". („De Heraut" van 14 Maart 1920. De spatiëeringen zijn van „De Heraut" zelf.)

Tegen deze ideëen van den kwam verzet. „Heraut"-redacteur

Er was reeds — naar „De Heraut" zelf schrijft — „een storm" opgestoken tegen het pleidooi van „De Heraut" om de Kerkorde „in democratischen zin" (!!!) te herzien.

Maar alarmkreten werden geslaakt over het streven naar Belijdenislierziening.

De „Groninger Kerkbode" b.v. schreef:

„Wat beteekent deze uitdrukking?

Deugt onze belijdenis niet?

Is onwaar wat daarin beleden wordt?

Wordt de heele belijdenis zoo niet losgemaakt en van kracht beroofd? "

Ja er kwam zelfs „van meer dan een zijde het verwijt, dat zulk een revisie puur Arminiaansch zou wezen en lijnrecht tegen ons Gereformeerd beginsel zou ingaan."

„De Heraut" zet dan uiteen het verschil tusschen het Arminiaansch drijven van de belijdenis-herziening en die andere welke „De Heraut" voorstaat.

Geruststellend lezen we dan „reden om alarm te luiden, is er niet".

En dan komt dit schoone, rake en echt stichtelijke slot — up to date ook in onzen tijd:

„Al te veel ons hiervan aantrekken zullen we niet.

Men weet wat de goede burgerij te Kampen overkwam.

De wachters meenden brand in den kerktoren te hebben ontdekt. Het alarmsignaal werd gegeven. De burgers stroomden saam op de markt. De brandspuit rukte aan.

Totdat een nuchtere toeschouwer opmerkte, dat het de maan was, die haar vreedzaam licht door de sehalmgaten spelen liet."

Moge het gebeuren, dat er ook nu vele nuchtere toeschouwers komen, die een kerkbrand van maanlicht weten te onderscheiden.

De spuitgasten rukken dan wel weer in. En ze krijgen gewis van alle omstanders een vriendelijken lach mee op hun terugtocht.

C. V.

Naschrift. Een leerzaam stuk, waarin dr Kuyper juiste dingen zei, uitgenomen dan die opmerking over Kamper-burgerij. Inzake de „Kamper uien" schreef de heer J. H. Kok een uitstekend gedocumenteerd werk, waaruit blijkt, dat de Kampers de dwaze stukjes niet hebben uitgehaald, doch voor den dag gehaald: elders vielen ze voor; in Kampen vielen ze op, waarom men ze dan ook aldaar door den druk aan het vermaak

overgaf.

K. S.


1) C'est bien une autre question que nous debattons, assavoir s'il est loisible a un fidele de recebvoir pour pasteur celui, qui ouvertement assaut et taclie de renverser toute la verite de la St. Cene, avec son droit usage et institution. Et qui volontairement se departe des vrayes Esglises de Christ, 462.

2) Men gaf van zijn dogmatische opinies kennis aan den gemeenteraad èn aan de predilcanten. De verhouding tot de overheid moet steeds in reltening komen bij de beoordeeling van de toestanden.

3) Tot recht verstand diene, dat de opmerking, dat het predikanten-in-volle-rechten betrof (benoemd door de overheid) volstrekt nog geen lofprijzing inhield. Later heet het (19, 525): ze zijn toch immers niet wettig bestraft. Iaat staan geëxcommuniceerd. De dwaling der Donatisten is volgens adressanten (onderteekening Dathenus), dat zij de zverking der sacramenten laten afhangen van de waardigheid van den bedienaar, en voorts dat ze meenen, dat de godvreezenden door gemeenschap met onvromen in het sacrament worden bezoedeld, 19, 525/6.

4) Niet in de belijdenis vastgelegd, zie artikel verleden week!

5) tantisper donec; bisz so lang sie sich zuvor mit den hiesigen Predicanten allerdings gentzlich verglichen vnd vereinigt haben (19, 524).

6) pendente causa coram senatu, 19, 524. 7) lite adhuc coram senatu pendente, 19, 524; vgl. 525: lite pendente, ut dictum est; vgl. 528 pendente coram senatu lite; lite pendente. Vgl. ook Calvijns antwoord in brief 3871, 19, 566: une partie de vous estime, que non obstant la fermeture du temple, Ton doibt neantmois demorer en estat, jusques a la decision de la cause finale.

8) Denominationem etiam ecclesiae non a maiore, sed a potiore ac meliore eiusdem parte debere fieri putamus (525,

onderteekening, P. Datheen). 9) De bewuste predikanten volgden Luther's meening inzake het avondmaal (529 in doctrina coenae), maar over den doop dachten ze vrij zuiver, 527. Officieel lag het verschil nog niet vast.

10) Causa sua pendente coram senatu mensibus undecim, quum aliud ministerium non haberent.

11) C'est autre chose de la Ste-Cene, lequell nul ne peut recebvoir de leur main, qu'il ne renonce honteusement a la

Ste-Doctrine. 12) Of ook van de Apologie 20, 51.

13) Zie ook brief Zancus aan Erbius, no 3920, 20, 676/7.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken