GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

13 minuten leestijd

6

Wij willen thans de houding, welke dè menschen van de wijsbegeerte der wetsidee in de religieuze en kerkelijke crisis van het laatste decennium aannamen, onder de loupe nemen.

Zal men daarbij evenwel de noodzakelijke billijkheid betrachten, dan dient men zich er eerst ter dege rekenschap van te gpven, wat de mannen, die in deze wijsbegeerte de aanvankelijke verhooring van de bede om een waarlijk schriftuurlijke philosophie begroetten, speciaal ten aanzien van de kwesties, waarin de genoemde crisis acuut werd en tot een conflict leidde, leerden!

En men moet zich daarna de vraag stellen: zijn' zij trouw geweest in hun profetie en — zijn ze het nog? Hebben zij, toen de machthebbers in de Gereformeerde Kerken alles op alles zetten om een crisis te forceeren — ik denk, zoo sprekend, aan het roekelooze, ^ drijven van dezen om de zaak der „meeningsverscnillen" éérst op de agenda der Synode te plaatsen en ze er daarna, ondanks de luide, protesteerende stem der kerken, op te houden — eenvoudig en duidelijk en alles trotseerend het woord, dat zij, naar eigen duidelijke en publiek gemaakte overtuiging, als een woord der waarheid spraken, ook op het kritieke moment, volgehouden?

De mannen van de wijsbegeerte der wetsidee grepen zéér hoog. Ze ondernamen den ontzaglijken arbeid om niet met een philosophie naar de Schrift maar met de Schrift naar de philosophie te komen. Ze zwoegden aan den opbouw van een waarlijk Schriftuurlijke wijsbegeerte.

Wat hen daarbij dreef was, naar hun eigen verklaring, in geen enkel opzicht een intellectueele hartstocht, een drang naar kennen en weten zonder méér. Integendeel, ze beleden het voor aller opr. dat naar hun overtuiging ook het wetenschappelijk bedrijf een moment in de ware religie en dus een op een bepaalde wijze dienen van God moest zijn. Toen de vereeniging voor calvinistische wijsbegeerte werd opgericht, riep prof. Vollenhoven het uit — en wie, die er bij was, zal het ooit vergeten? — „wat ons hier samenbrengt is iets heerlijks. Het is niet de wijsbegeerte, want die is niet het eerste in ons leven. Het is veeleer de band aan Gods Woord, omdat wij door genade hebben geleerd alleen uit den Christus te willen leven, en de religie als hartezaak de kern is geworden van heel ons bestaan; omdat we hebben geleerd, dat alleen in het letten op de gebcJden des Heeren vrede en leven is te vinden, niet alleen voor den enkeling, maar van zelf ook voor alle levensverbanden, in welke wij staan: daarom is de wijsbegeerte niet nummer één. Ze is dat nooit geweest in onzen kring, en indien de vereeniging, die wij thans willen oprichten, haar taak getrouw blijft, zal het ook aan haar niet liggen, indien de wijsbegeerte ooit nummer één wordt. Wij willen slechts ernst maken met die hoofdzaak, óók in de wijsbegeerte.

Dat is noodig, want de gangbare philosophie weet niets van dat alles, dat ons zoo na aan het hart ligt: niets van een Gtod, indien ge daaronder verstaat den God der Schriften; niets van een hart, dat alleen rust kan vinden in Hèm; niets van de wereldgeschiedenis die vastligt in den eersten en den tweeden Adam; ook heel weinig van verschil tusschen de terreinen, welker onderscheiding in de practijk toch zoo noodig bleek", 1)

Terwijl men zoo de hand aan den ploeg sloeg, was men zich terdege bewiist, dat men een zwaren strijd tegemoet ging. Allen, die meededen zagen het scherp, dat alle oude en nieuwe ketterijen opkwamen in de „theologische en wijsgeerige kringen, die zich door onschriftuurlijke grondmotieven lieten leiden".") De ellendige synthese van de dwaasheid der wereld en de wijsheid Gods was naar aller overtu^ng de bron van alle ketterij en deformatie. \iè synthese moest meedoogenloo's worden ontmaskerd, waslr ze ook optr& d. Het werd zelfs in den grondslag van de genoemde vereeniging opgenomen, dat men afwees „alle synthese met eenig denken, dat men zich niet stelt onder de rechtstreeksche souvereiniteit Gods over al het geschapene. Zijn wet niet erkent als grens tusschen den Schepper en Zijn aan deze ordinantie onderworpen kosmos, en het koningschap van den Christus voor de wetenschap verwerpt". ^) En is er , iets, dat de haat meer opvrekt dan het leven en werken uit deze overtuiging en het najagen van dit doel? Neen, we maakten ons geen enkele illusie: het zou hard om^hard gaan! Als we trouw zouden zijn.zou het slagen regenen op ons hoofd.

En deze vijandschap — ook daarvan waren we diep overtuigd — zou niet alleen van uit het kamp van den vijand op ons aangolven! O neen, de , , broeders" zouden zich in dezen niet onbetuigd laten. Als we werkelijk en duidelijk en concreet ook de syntheseconstructies, welke in eigen kring werden vastgehouden zpuden aantasten, zou het warm toegaan! Want was het niet zoo, dat velen, vooral onder de „leiders" juist aan de onzuivere elementen in de gangbare opvattingen hun hart hadden verpand? Natuurlijk zou" het heel gemakkelijk zijn met een wat vage of dubbelzinnige formuleering alle moeilijkheden te vermijden. Maar zulk doen haatten we. We wisten, dat we geroepen werden de volle waarheid Gods, waarvoor Hij onze oogen had geopend, te dienen, ook en juist door het signaleeren van alle leugenmotieven, welke iet denken van Gods kinderen vertroebelden} hun leven ontwrichtten, en hun kracht verlamden.

Ja, de mannen, van de wijsbegeerte der wetsidee mikten hoog! Het ging bij hen. om het hóófste, met den inzet van alles.

Van meet af aan hielden ze elkaar voor en scherpten ze elkaar in wat later aldus geformuleerd werd: Het grondmotief der Christelijke religie, dat van schepping, zondeval en verlossing door Christus Jezus is „een geestelijke drijfkracht, die uw geheele kijk op de werkelijkheid in den wortel omzet, zoodra zij inderdaad uw levens-en denkhouding volledig onder haar beslag krijgt". Dit grondmotief raakt met een „goddelijk radicalisme" den „religieuzen wortel van uw leven". Gij moet erkennen, „dat het geen twe. eslachtigh 6 i d, geen „hinken op twee gedachten" in uw levenshouding gedoogt. Overreken dus de , , kosten", die het ernst maken met dit radicale, wijl schriftuurlijke, christendom vergft en Vraag u af aan welke zijde ge u in de benauwende geestesworsteling van dezen tijd zult scharen.

Want weet, dat een comproihis niet mogelijk is. Het grondmotief der Christelijke religie zal radicaal in uw leven doorwerken, of ge zult „andere goden" dienen.

Een tusschenweg is er niet. Wien ons standpunt ten aanzien van de antithese te r a d i c a a l is, vrage zich af of een minder radicaal christendom niet gelijk is aan het zout, dat „smakeloos" is geworden.

Daarom, zóó spreken wij en zóó radicaal stellen wij de antithese, opdat het Woord Gods weer in zijn volle tweesnijdende scherpte en kracht voor uw bewustzijn sta. Als een geesljjelijk onweder moet ge het weer ervaren, dat bliksemend inslaat in uw leven en den bezwangerden dampkring zuivert! Ervaart ge het niet meer als een 'geestelijke drijfkracht, waaraan ge uw hart ten volle wilt overgeven, dan zal het geen vrucht dragen in uw leven. Dan blijft ge ook buiten den grooten strijd . staan, dien 't noodzakelijk ontketent. Gij kunt niet dezen strijd voeren, maar de geestelijke drijfkracht van Gods Woord voert hem zelf in u en trekt u mede ook tegen Uw „vleesch en bloed" in". 4)

Met niets en niemand ontzienden ernst werd zoo de antithese, neen niet „gesteld" of „opgeroepen", maar „aanvaar d". Gód stelde haar, overal, en wij hebben haar alleen maar te aanvaarden en te erkennen. En daarom heeft de christelijke religie , , een strijd op leven en dood te voeren tegen allerlei religieuze grondmotieven, die in ieder principieel vraagstuk van dezen tijd op de ziel van den modernen mensch beslag pogen te leggen.

Een strijd op leven en dood zoowel tegen hen, die haar grondmotief principieel afwijzen als tegen hen, die dit grondmotief telkens weer van zijn radicale kracht pogen te berooven, door het aan on-schriftuurlijke grondmotieven „aan te passen". Een strijd tusschen den geest (3er christelijke religie en den geest van den afgodendieiist. Maar een strijd, een 'antithese, die ook midden door het christelijk kamp en door de ziel van den christen individueel heensnijdt!" 5)

Wanneer we nu den strijd, welke deze menschen van de wijsbegeerte der wetsidee op deze wijze werd opgedrongen, en die door hen ook werd aanvaard, wat van naderbij willen bezien, dan zouden we sector na sector van het front kunnen nagaan en toonen wat ten aanzien van alle mogelijke kwesties werd geleerd en bestreden. Men denke maar aan de polemiek omtrent de gemeene gratie, de kerk, de verhouding van , .lichaam" en , , zier', verbond, geloof, en zooveel meer.

We zullen dat hier evenwel niet doen, het zou ons tè ver voeren. We wijzen er alleen op, dat de worsteling van de aanhangers van deze calvinistische wijsbegeerte zich vooral richtte op de scholastieke en p i ë t i s t i s c h e motieven en gedachten in onzen kring, terwijl ze daartegenover weer met nieuwe kracht en gloed de schriftuurlijke wijsheid predikten.

De Scholastiek is de poging van den kleinen, pedanten mensch om de levende, tintelende, concrete boodschap van God, zooals deze in de Schrift alle eeuwen door de menschen radicaal en totaal aanspreekt en beheerscht, om te smelten in eigengevorrade begrippen. In grenzenloozen Ijoogmoed meent de scholasticus de volheid van Gfods openbaring in vorm-

pjes, vakjes en categorietjes van den menschelijken geest te kunnen inpersen. En in onbegrijpelijke, maar doodelijk gevaarlijke, na.iveteit denkt hij op die manier , , eeuwige waarheden" te hebben gegrepen. Hij waant zich in het bezit van een boventijdelijke kennis. Wat de HEERE als een alle eeuwen omvattende en zelfs dan nog niet volkomen vervulbare taak aan de menschheid heeft opgedragen meent de homo scholasticus in enkele jaren te hebben volbracht! Deze menschen „zijn a.h.w. historische renteniers: ze hebben, zoo meeneh ze, hun taak reeds volbracht door de verovering van het scholastieke begrip. Dat ze nog iets uitvoeren, is alleen terwille van de gezondheid, zooals ook de verstandige rentenier bezigheden zoekt, wandelingen maakt, een licht secretariaat waarneemt. Hij doet het niet omdat het zijn taak is. De historische, geestelijke rentenier meent tot in der eeuwigheid rente te kunnen trekken van zijn scholastiek kapitaal". 6)

Wanneer nu deze scholastieke heeren op hun manier de Schrift in bun begrippen hebben vertaald, stevenen zij daarna met die begrippen weer op den bijbel af en lezen ze haar in het licht, in den gresp van hun begrippenmateriaal. En evenals een goochelaar de kuikentjes uit zijn hoogen hoed, tooveren zij hun eigen begrippen-santekraam weer uit den bijbel te voorschijn.

Het is niet minder dan een ramp als deze scholastische constructies vervolgens als leeruitspraken de kerk worden binnengedragen en daar als „goddelijke waarheid" tot kerkleer, tot dogma worden verheven. Dan herleeft de oude kalverendienst in volle glorie en verschrikking. De glans van Gods Woord verdoft. De kracht van de prediking verzwakt meer en meer. Aangetrokken worden daardoor immers alleen wie, zónder het Woord, uit gelijksoortige gedachtenconstructies leven. Maar wie uitsluitend voor het Woord kunnen buigen, wprden afgestooten. „De verwarring van kerkelijk dogma (geloofsstuk) en theologische dogmatiek (de wetenschappelijke theorie over het dogma) moet een voortdurende bron van verdeeldheid en scheuring in de Kerk van Christus worden". 7)

Zie, al deze inzichten en beseffen leefden in volle kracht onder de beoefenaren en voorstanders van de wijsbegeerte der wetsidee. Ze waren van een volstrekt anti-scholastieken geest. En ze beaamden ten volle wat een hunner eens aldus vertolkte. „Wij moeten hierin katholiek Kjn, dat wij semper ubique et ab omnibus (steeds en overal en allen) de eenheid belijden in het geloof in Jezus Christus en bouwen in volstrekte onderwerping aan het gezag der H. Schrift. Deze gemeenschap wordt ons echter ontnomen of onthouden, wanneer wij ons ontworstelen aan het gezag der Schrift, hetzij hierin, dat het kerkelijk ambt zichzelf zoekt en naast de H. Schrift kerkelijke machtsvorming nastreeft op wereldsche wijze: niet dienende, doch heerschende — hetzij doordat de mensch zich door zijn ratio (rede) laat vervoeren tot verabsoluteering van eigen theologisch systeem". 8)

Maar behalve tegen de Scholastiek richtten de, wijsbegeerte-der-wetsideeërs zich óók, en niet minder, tegen het Piëtisme; Het is immers evident, dat zich daaruit, net als uit de Scholastiek, allerlei krachten en invloeden op het gereformeerde erf laten gelden.

In het Piëtisme, concentreerde zich een heele reeks oude ketterijen in een nieuw gewaad en met nieuwe krachten. Men kan zoo maar een bonte staalkaart opnoemen! Er wordt door de piëtisten lustig geopereerd met de onderscheiding tusschen een , , hooger" en een „lager" deel van den mensch: de z.g. lagere „natuur" en de hoogere „geest". De autonomie van het geweten werd open of bedekt aanvaard. De wedergeboorte geschiedde, naar der piëtisten overtuiging, niet door het van buitenaf tot den mensch komende machtswoord des Heeren. Want wat van buiten af tot ons komt hoort tot de zintuigelijke, waarneembare wereld, welke voor piëtistische zielen van lager orde is. En zou zóó iets dan het nieuwe, , , hoogere" leven kunnen voortbrengen? Bij deze menschen treft men voorts een ernstige depreciatie van de Heilige Schrift aan. Wat we uit haar hebben waargenomen, wordt namelijk door het verstand aan den geest aangeboden, die het in vrijheid kan aanvaarden óf verwerpen. Bovendien dient de Heilige Schrift alleen maar om den geest van hen, die haar aannemen, te „stichten", wat in het piëtistisch jargon zeggen wil: , , gevoelig aandoen". Het woord en de sacramenten zijn voorts in hun oogen niet meer dan een „vraag aan den geest". En het voornaamste van die beide is niet, dat God ze in groote liefde aan ons schenkt en dat Hij door beide zijn genade openbaart en aanbiedt — maar wat w ij daaromtrent en daardoor zeggen. Ook is een echt piëtistische gedachte, ' dat de geest zich op de genade kan voorbereiden en wel door met de beoefening van een christelijk-stoïcijnsche moraal naar de godzaligheid te streven. Het Piëtisme is, zoo blijkt wel, een door en door individualistische strooming. Het tast in feite alle dogma's aan, want het daagt de Heilige Schrift voor de rechtbank van het individu. En ten slotte: de kerk maakt daar plaats voor den kring en het ambt wordt miskend, want men moet niet alleen maar keuren wat men hoort, doch niet minder de waardigheid van den prediker. 9)

Vóór alles zich concentreerend op een positieve verwerking van de Schriftgegevens bij den opbouw van een cliristelijke philosophie, keerden de mannen van de wijsbegeerte der wetsidee zich óók en vóóral tegen dezen tweeërlei altijd levenden en altijd taaien vijand.

We willen volgende week zien hoe dit gebeurde.


1) Mededeellngen van de Vereen, voor Calvin. Wijsbegeerte, le Jaarg., No. 1, 1936.

2) Prof. Dr H. Dooyeweard, in: „Nieuw-Nederland", le Jaarg., No. 29.

3) Mededeellngen enz., als boven.

4) Dooyeweerd, in: „Nieuw-Nederland", le Jaarg., No. 34.

5) Dooyeweerd, in: „Nieuw-Nederland", le Jaarg.. No. 10.

6) Dr K. J. Po p m a, Calvinistische, Geschiedenisbeschouwing, Franeker, 1945, p. 73, 91.

7) Dooyeweerd, in: „Nieuw-Nederland", Ie Jaarg., No. 29.

8) Ds Jac. Jonker, Eenheid en verdeeldheid der kerk als rehgieus en practisch probleem, Geref. Theol. Tijdschr., Jrg. 45, p. 62—80.

9) Prof. Dr D. H. Th. VoUenhoven, in; „De Standaard" van 28 Juni, 1933.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1947

De Reformatie | 12 Pagina's