GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De „afloopende taak" op Oost-Soemba

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De „afloopende taak" op Oost-Soemba

18 minuten leestijd

Op de tweede lijst van voor de eerstvolgende generale synode ingekomen stukken worden onder het hierboven staande hoofd enkele voorstellen genoemd van de particuliere synode van Friesland eenerzijds en een brief van de kerken op Oost-Soemba anderzijds, die blijk geven, dat de kerken in Friesland over de „afloopende taak" op Soemba geheel andere denkbeelden hebben, dan de kerken op Soemba zelf. Het gevolg is dan ook, dat men eenerzijds en anderzijds komt tot geheel van elkaar afwijkende, ja tegenover elkaar staande voorstellen.

Om tot een verantwoorde oplossing te komen, is het noodig, dat de kerken zich rekenschap geven van de vragen, die zich hierbij voordoen en dat de argumenten, die wederzijds gebruikt worden, getoetst worden op hun overeenstemming met Schrift en belijdenis.

Het lijkt mij daarom nuttig de desbetreffende voorstellen te bespreken. Ik wil hierbij de voorstellen van de particuliere synode van Friesland op den voet volgen. De voorstellen van de kerken op Oost-Soemba komen daarbij voor zooveel noodig vanzelf ter sprake.

Het eerste voorstel van de part. syn. van Friesland luidt:

A. Inzake de zending op O. Soemba en Savoe spreke de Gen. Sjoiode uit:

1. Het zendingswerk op O. Soemba en Savoe dient vanwege onze kerken te worden beëindigd,

2. De voortgaande dienst van het kerkvergaderend werk van Christus dient zelfstandig ter hand te worden genomen door de aldaar door de Geref. Zending geplante kerken.

De voorstellen zijn vergezeld van een toelichting en motiveering van de Friesche zendingsdeputaten, zonder dat de part. synode deze toelichting en motiveering geheel voor haar rekening neemt. Uit het feit evenwel, dat deze toelichting en motiveering aan de kerken worden toegezonden, mag worden afgeleid, dat de part. synode van meening is, dat de kerken door de in die toelichting en motiveering bijgebrachte argumenten van de juistheid harer voorstellen overtuigd zullen worden. In de bespreking zullen wij dus ook de toelichting en motiveering moeten betrekken.

Het voorstel onder A. 1. roept twee vragen op: ten eerste de vraag naar de juistheid van den materieelen inhoud van de gevorderde uitspraak en ten tweede of het de taak is van een generale synode deze uitspraak te doen. Om met de laatste vraag te beginnen: „Kan een generale synode uitspreken, dat een kerk of kerken haar zendingsarbeid op een bepaald terrein dient te staken? " Ik geloof, dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. Ook wanneer we vasthouden aan de bepalingen van de nog van kracht zijnde zendingsorde. Die zendingsorde kent ia artikel 2 aan de generale synode groote macht toe,

inzonderheid bij het bepalen van de zendingsterreinen en bij het bezetten of verlaten van een bepaalde plaats. (We houden ons thans niet bezig met de vraag of die macht rechtens aan de generale ssoiode toekomt). Maar hoe groot die macht van de generale sjmode volgens de Z.O. ook is, het initiatief bij het bezetten of verlaten van een bepaalde plaats als zendingspost is naar art. 2 van de Z.O. nog altijd bij de plaatselijke kerk, al heeft dan voorts die kerk wel de toestemming noodig van de generale synode. Maar de generale synode kan nimmer bevelen of uitspreken, dat een kerk een bepaalde post dient te bezetten of te verlaten. Dat zou al te zeer in strijd zijn met art. 85 van de K.O. Wie dan ook tot de overtuiging is gekomen, dat een bepaalde plaats als zendingspost door een kerk bezet of verlaten dient te worden, zal om zijn doel te bereiken, voorstellen aanhangig moeten maken bij de bewuste plaatseUjke kerk. Of het zendingswerk op O. Soemba en Savoe beëindigd dient te worden, staat in eerste instantie alleen ter beoordeeling aan den kerkeraad van Zwolle.

In aansluiting op het bovenstaande bespreek ik nu het voorstel A. 2. van de part. synode van Friesland, waarin gevraagd wordt dat uitgesproken zal worden:

„De voortgaande dienst van het kerkvergaderena werk van Christus dient zelfstandig ter hand te worden genomen door de aldaar door de Geref. Zending geplante kerken".

Wat hier gevraagd wordt, Ujkt mij evenmin juist als het voorstel onder A. 1. Zelfs komt het mij voor, dat de afwijking van den juisten weg nog grooter is dan bij het voorstel A. 1. Dit springt temeer in het oog, als we er op letten, hoe blijkens de verdere voorstellen en de toelichting daarbij de part. synode en haar zendingsdeputaten de kerken van O. Soemba en Savoe beschouwd willen zien. Immers de voorstellers zijn van meening, dat die kerken niet gerekend kunnen worden tot het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Daarom wordt onder B. 1. voorgesteld, dat de Generale Synode tot die kerken het verzoek riehte tot het onderhouden van correspondentie naar art. 86 K.O. Laatstgenoemd artikel handelt over de verhouding met buitenlandsche kerken. Als evenwel de kerken op O. Soemba en Savoe buitenlandsche kerken zijn, waarmee de onze niet in kerkverband leven, maar correspondentie onderhouden of gaan onderhouden, dan is een uitspraak, zooals die gevraagd wordt in A. 2. nog veel minder óp haar plaats dan die welke in A. 1. gevraagd werd. Over buitenlandsche kerken heeft de Generale Synode geen enkele zeggenschap. Naar artikel 36 K.O. heeft de Generale Synode zekere zeggenschap over de kerken binnen het kerkverband, in dien zin, dat met inachtneming van het bekende voorbehoud van art. 31 de besluiten van een synode bindend zijn voor de kerken binnen het verband. Maar over buitenlandsche kerken heeft de Generale Synode geen enkele zeggenschap, zoodat zij ook geen besluiten kan nemen om uit te spreken wat die kerken behooren te doen of te laten. Het is bovendien in strijd met art. 30 K.O. omdat een oordeel over de taak van buitenlandsche kerken niet geacht kan worden te behooren tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen. Het voorstel A. 2. is tenslotte in tegenspraak met de eigen toelichting van de particuliere synode, die constateert, dat er op O. Soemba en Savoe geïnstitueerde kerken zijn, die weliswaar klein maar toch mondig en zelfstandig zijn, terwijl voorts betoogd wordt, dat hiërarchisch optreden tegenover deze kerken zonde is tegen den Koning der kerk en zonde tegen deze kerken. Laat onze Generale Synode zich dan ook wachten voor een hiërarchisch besluit over de taak van die mondige en zelfstandige kerken.

Tot zoover mijn fonneele bezwaren tegen de voorstellen A. 1 en 2. Thans iets over den materieelen inhoud ervan. Ik begin bij A. 2. omdat ik daarover kort kan zijn. Gedeeltelijk met eigen woorden geef ik het voorstel nog eens verkort weer: „Het zendingswerk dient zelfstandig ter hand genomen te worden door de kerken van O. Soemba en Savoe". De gespatiëerd gedrukte woorden zijn letterlijk aangehaald uit het oorspronkelijke voorstel. Bij het gespatiëerd gedrukte gedeelte moet de nadruk blijkbaar vallen op het woord zelfstandig. Immers het kan aan de kerken in Friesland, zooals aan die in geheel Nederland, bekend zijn, dat de kerken op O. Soemba reeds jaren geleden den zendingsarbeid ter hand genomen hebben. Zij hebben het bewijs geleverd, dat zij het zendingsbevel gehoord hebben en het ook willen gehoorzamen. Maar omdat zij zich terdege bewust zijn van haar kleine kracht, hebben zij zich reeds tot de Generale Synode van Groningen in 1946 gewend met het verzoek om geestelijken en stoffelijken steun, welke steun haar ook door die synode is toegezegd. Bij het vragen van dien steun hebben die kerken ongetwijfeld ook gedacht aan het bewaren van haar eigen interne kerkelijk leven, maar dat was voor haar stellig niet de hoofdzaak. Uit ettelijke brieven, die door die kerken gezonden zijn en waarvan enkele gepubliceerd zijn, blijkt dat zij den gevraagden steun in de eerste plaats noodzakelijk achtten en achten om haar zendingsroeping naar behooren te kunnen volbrengen.

En nu wil de part. synode van Friesland doen uitspreken door de generale synode, dat de kerken op Oost-Soemba haar zendingstaak voortaan zelfstandig moeten volbrengen. Dit is te wonderlijker als wij ons herinneren, dat er destijds van de kerken in Friesland stemmen opgegaan zijn, om voor den zendingsarbeid op Borneo sameiiwerking-te zoeken met en steun te vragen van de kerken in Noord-Amerika. De kerken in Nederland zijn vergeleken met de kerken op Soemba veel en veel sterker, niet alleen wat zielental en draagkracht betreft, maar vooral ten aanzien van de opleiding der voorgangers. Er is onder de voorgangers van de kerken op Soemba niet een die den Bijbel in de grondtalen kan lezen. Zelfs bezitten ze behoudens een enkel Evangelie, den Bijbel niet in hun moedertaal. Dè Maleische-vertaling, waarover ze beschikken, is bovendien allesbehalve volmaakt. En tenslotte zijn er practisch geen voor hen toegankelijke hulpmiddelen, om hen de studie van de H. Schrift te vergemakkelijken. Als de zooveel rijker bedeelde kerken van Nederland voor haar zendingsarbeid wel steun mogen zoeken van kerken in Amerika, waarom zouden de kerken op Soemba het dan zelfstandig moeten doen?

Ja maar, zullen de voorstellers in Friesland misschien zeggen: „Hebt gij dan niet gezien, dat wij in ons voorstel B. 2. over steunverleening spreken? " Ik heb dat wel gezien en ik hoop ook dat voorstel te bespreken. Thans merk ik alleen op, dat daar gesproken wordt van eventueele steunverleening. Dat woord eventueel maakt sterk den indruk, dat de part. synode de mogelijkheid niet uitgesloten acht, dat de kerken op Soemba het zonder steun zouden kunnen stellen. En ik moet daaruit de gevolgtrekking maken, dat de part. synode zich blijkbaar geen juiste voorstelling gevormd heeft van de situatie waarin de kerken op Soemba verkeeren.

Toen de kerken op Oost-Soemba in de oorlogsjaren verstoken waren van alle contact met de kerken in Nederland hebben zij het bewijs geleverd, dat ze gehoorzaam wilden zijn en de kleine en gebrekkige krachten waarover zij beschikten, hebben zij aangewend om voort te arbeiden. De Heere heeft daarop Zijn zegen gegeven. Maar nu het contact weer hersteld is, mogen wij niet concludeeren, dat die kerken het verder ook maar met die gebrekkige middelen moeten doen.

In den tijd van Achab heeft de Heere aan de raven bevolen Elia van brood en vleesch te voorzien. De Heere is machtig om ook ds Agema op die wijze te doen onderhouden. Maar de kerk van Drachten zal daarop niet gaan speculeeren bij het opstellen van haar begrooting voor het zendingswerk. Thans beveelt de Heere aan de kerk van Drachten te zorgen voor de toepassing van den door Hem gestelden regel, dat de dienaar zonder zorg van het Evangelie moet leven. Mocht te zijner tijd de verbinding verbroken worden, zoodat de kerk van Drachten door den Heere zelf verhinderd wordt haar missionaris te onderhouden, dan zal ongetwijfeld de Heere, hetzij door raven, hetzij door eene weduwe of op andere wijze voor zijn dienaar zorgen.

Zoo staat het ook met het zendingswerk op Oost-Soemba. Dat de taak van de kerken in Nederland in het algemeen en van de kerk van Zwolle in het bijzonder daar nog niet afgeloopen is, wil ik aantoonen in een bespreking van den inhoud van het voorstel A. 1. der part. synode van Friesland.

Daarbij is het noodig te letten op wat de Heilige Schrift ons leert omtrent den arbeid van de planting der kerk, met name op de voorschriften die Paulus daartoe aan zijn helpers Timotheus en Titus geeft. In Titus 1 : 5—9 wordt aan Titus opgedragen van stad tot stad ouderlingen aan te stellen, terwijl dan voorts de eischen worden opgesomd waaraan die ouderlingen moeten beantwoorden. O.a. moeten zij in staat zijn „te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te weerleggen". Uit het verband blijkt, dat hier niet slechts aan regeerouderlingen, maar stellig ook aan ouderlingen, die arbeiden in de leer en het Woord, moet worden gedacht (zie ook de Kantteekeningen en de Commentaar en de Korte Verklaring van Dr Bouma). En in 2 Tim. 2 : 2 lezen wij: En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, die bekwaam zullen zijn om bok anderen te leeren". Dr Bouma wijst er in zijn Commentaar en in de Korte Verklaring op, dat dit bevel beoogt de continuïteit van de Evangeiieprediking. De regels die Paulus in de aangehaalde brieven aan zijn helpers geeft, gelden ook thans nog. Bij haar zendingsarbeid moeten de kerken niet alleen aan anderen leeren te onderhouden al wat Christus bevolen heeft, maar zij (de kerken) moeten ook zelf onderhouden wat aangaande dien zendingsarbeid bevolen is.

In de Toelichting bij het voorstel van de part. synode wordt gezegd: „Daar zijn geïnstitueerde kerken op O. Soemba en Savoe. De kerk is daar dus geplant. Welnu, dan is daar voor onze kerken de zendingstaak afgeloopen". Deze redeneering lijkt logisch, maar ik geloof, dat een voornaam ding over het hoofd wordt gezien, gelijk trouwens ook in het door de Toelichting geciteerde rapport van Commissie UI der Amersfoortsche Generale Synode. Dat rapport zegt: „Welnu het heeft den Heere behaagd, daar in Soemba kandelaren te plaatsen In de oogen van den verhoogden Christus zijn het toch kandelaren, die zijn volle heerlijkheid uitstralen " Wordt hier niet vergeten, dat bij een kandelaar een ster hoort ? Wanneer die ster er is, wil Christus hem in Zijn rechterhand nemen, maar zooals Titus en Timotheus dat deden in Paulus' dagen, zoo moet ook de hedendaagsche zendingsarbeider werkzaam zijn om nieuwe kandelaren rondom Christus te plaatsen, doch kandelaren met sterren, opdat Christus die sterren in Zijn rechterhand kan nemen. In de Korte-Verklaring van het laatste Bijbelboek schrijft professor Greijdanus over die sterren: „Dit beeld van ster wijst op de hooge roeping van het uitstralen van licht, en van het geven van leiding".

De kerken mogen er dan ook wel op bedacht zijn, , dat, wanneer er een nieuwe kerk geïnstitueerd wordt, een nieuwe kandelaar geplaatst, hetzij in het vaderland, hetzij op het zendingsveld, dat bij dien kandelaar een ster, bij die gemeente een engel behoort, in staat om door de gezonde leer te vermanen en de tegensprekers te weerleggen. Wanneer na tijden van inzinking en deformatie de Heere door Zijn Woord en Geest de kerk tot reformatie brengt, gebeurt het wel, dat op verschillende plaatsen de kerk opnieuw tot openbaring komt, zonder dat terstond het ambt van herder en leeraar vervuld wordt, om de eenvoudige reden, dat er niet voldoende getrouwe mannen zijn. Maar met dien toestand mogen de kerken geen genoegen nemen. Dan. behoort er met voortvarendheid gearbeid te worden aan de opleiding van getAuwe mannen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren. Inderdaad ziet men dit kort na een reformatie vrijwel altijd gebeuren. Toch is het de vraag of het jaar op jaar vacant blijven van verscheidene gemeenten, niet het gevaar meebrengt, dat men zoozeer aan dien toestand gaat wennen, dat men het min of meer als een normaal verschijnsel gaat beschouwen, dat er ook herderlooze gemeenten zijn, terwijl zulks toch allerminst is naar de norm van Gods Woord. Dat gevaar acht ik niet denkbeeldig en kan ook tot schade zijn voor het zendingswerk. Wanneer in ons land ergens een nieuwe kerk wordt geïnstitueerd, worden gewoonlijk een aantal ouderlingen en diakenen bevestigd, terwijl het daarna aan den nieuw gevormden kerkeraad wordt overgelaten om in samenwerking met de gemeente een herder en leeraar te beroepen. Soms duurt het geruimen tijd voordat het zoover komt, omdat de krachten of de middelen ontbreken. Dat is geen gezonde toestand, maar de nood dwingt er toe. Zoo'n kerk is dan wel geïnstitueerd, maar de institueering is nog niet af, zoolang er geen herder en leeraar bevestigd is. Nu kunnen de bezwaren, die hieraan het gevolg zijn, in ons land nog eenigszins ondervangen worden, doordat predikanten van naburige gemeenten hulpdienst verrichten al of niet als consulent. Maar dat is een noodoplossing.

Wanneer evenwel op het zendingsterrein tot het

institueeren van een kerk wordt overgegaan, dan moet de missionaris die dat doet en de kerk, die hem daartoe autoriseert, wel bedenken of de omstandigheid, dat men in Nederland noodgedwongen geïnstitueerde kerken heeft zonder eigen herder en leeraar, nu aanleiding mag zijn, op het zendingsterrein tot instelling van de ambten over te gaan, ook dan als het ambt van herder en leeraar onvervuld moet blijven, wijl de krachten daartoe ontbreken. De redeneering van de Toelichting, dat er op O, Soemba en Savoe kerken geplant zijn en dat dus de zendingstaak van onze kerken daar afgeloopen is, zou slechts dan kunnen opgaan, indien die institueering was geschied zooals dat door Paulus aan Timotheus en Titus is opgedragen. M.a.w. indien er getrouwe predikers waren gevormd, bekwaam om ook anderen te leeren en machtig beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen.

In dit verband wil ik ook wijzen op het slot van punt 7 der voorstellen, die door de classis Alkmaar-Zaandam bij de Generale Synode worden ingediend over het ambt en het werk van een zendeling of evangelist. In dat slot van punt 7 lezen wij: „Naar den aard van zijn ambt (bedoeld is het ambt van zendeling of evangelist) is zijn werk voor hen die tot het geloof toegebracht zijn afgeloopen wanneer onder hen de ambten zijn ingesteld". Het spreekt vanzelf, dat deze bepaling alleen zin heeft, wanneer onder instelling der ambten wordt verstaan volledige institueering, dus inclusief het ambt van herder en leeraar.

Om te kunnen concludeeren, dat vanwege onze kerken het zendingswerk op O. Soemba en Savoe beëindigd mag en moet worden, is het niet voldoende wanneer geconstateerd wordt, dat daar kerken geïnstitueerd zijn, maar het zal moeten vaststaan, dat die institueering is geschied overeenkomstig de eisohen die Gods Woord stelt. Met name zal gevraagd moeten worden, of er reeds van stad tot stad ouderlingen zijn aangesteld, die beantwoorden aan de eisohen die Paulus in de brieven aan Timotheus en Titus stelt, getrouwe mannen, bekwaam om ook anderen te leeren enz. Ik ben er van overtuigd, dat de laatste vraag vooralsnog ontkennend moet worden beantwoord. Ik weet wel dat op circa dertig plaatsen op O. Soemba en Savoe op Zondag de geloovigen samenkomen om Gods Woord te hooren en dat op al die plaatsen voorgangers zijn, die alsdan hun gaven ten nutte en ten dienste der saamgekomenen aanwenden. En bij die voorgangers zijn er ook enkelen, die een volledige opleiding tot goeroe Indjil ontvangen hebben. Maar de groote meerderheid heeft dat niet; verscheidenen hebben zoo goed als geen opleiding ontvangen. Zelfs is het wel voorgekomen, dat in die bijeenkomsten werd voorgegaan, door iemand die niet lezen kon. Maar zelfs de opleiding tot goeroe Indjil, zooals die in het verleden gegeven werd, was er niet op gebaseerd, dat zij die deze opleiding gevolgd hadden, verder zelfstandig het Woord zouden bedienen. Ook na hun opleiding hadden zij nog voortdurend de leiding en het toezicht van den missionairen predikant noodig. Onder den drang der omstandigheden zijn de kerken op O. Soemba er in 1947 toe overgegaan, toen zij bijna tien jaar verstoken waren geweest van de bediening der sacramenten en toen ook de terugkeer van ds Goossens nog steeds belet werd, enkele van de bekwaamste goeroes tot het ambt van herder en leeraar te roepen. Ik doe voor niemand onder in waardeering voor deze beide predikanten Coreh en Tanahomba, zij vervullen hun ambt met trouw en met eere. Maar het zijn er maar twee, waarvan de eerste al ver op jaren is gekomen en niet meer zoo goed mee kan. Ook onder de overige goeroes zijn er nog wel enkele, die gaven bezitten om tot herder en leeraar te worden beroepen. Eerlang zal dat ook wel geschieden. Maar ook dan blijft het getal nog veel te klein, vooral wanneer in acht genomen wordt de geografische gesteldheid van het terrein, waardoor het bijv. op een enkele uitzondering na, uitgesloten is dat een predikant op één Zondag in twee of drie plaatsen voorgaat. Maar bovendien, al zouden er binnenkort in het geheel vier of vijf inheemsche predikanten zijn, ook dan moeten de kerken hier niet te lichtvaardig besluiten, dat deze mannen, die slechts een primitieve opleiding genoten hebben en die vrijwel van alle hulpmiddelen voor verdergaande studie verstoken zijn, nu ook bekwaam zijn om de opleiding ter hand te nemen. En toch is die opleiding brood-en broodnoodig. Die opleiding be-.hoort dan ook m.i. tot den noodzakelijken afbouw van het zendingswerk.

Zoo denken de kerken op Oost-Soemba en Savoe er zelf ook over, zooals blijkt uit de voorstellen, die zij aan de Gtenerale Synode gezonden hebben. Eenerzijds blijkt daaruit, dat zij zich haar roeping van zelfstandige kerken bewust zijn en dat zij die roeping ook wensehen op te volgen. Anderzijds wordt daarin de begeerte uitgedrukt, dat zij den voortgaanden steun van de kerken in Nederland mogen blijven ontvangen, om te volmaken hetgeen aan hun geloofskennis ontbreekt, opdat zij des te beter haar roeping zullen kunnen vervullen.

Een volgend maal hoop ik iets te kunnen zeggen over de verdere voorstellen van de part. synode van Friesland.

C. C. DE VRIES.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

De „afloopende taak

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's