GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Verandering en bestendigheid in de natuur (III)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verandering en bestendigheid in de natuur (III)

8 minuten leestijd

TTT Alvorens op te klimmen naar nog een andere, en naar het ons voorkomt nog grotere conceptie, willen wij even afzien van de wisseling van rust en beweging en wat meer aandacht schenken aan een viertal zaken die terloops reeds even ter sprake kwamen. In drie van deze vier gevallen zullen wij aan 't eind voor meer vragen staan dan aan 't begin, zoals het voor ons mensen op aarde vrijwel altijd is: het gekende staat ver achter bij het nog niet gekende. Het vierde geval, dat wij eerst bespreken, brengt ons terug tot het scheppingsverhaal. Wij moeten hiertoe nog wat nader beschouwen de dieren, dat zijn dus de levende wezens die het vermogen hebben zich te verplaatsen. Hun organisatie is in velerlei opzicht anders dan die der planten. Deze laatste voeden zich wel niet met elementen maar dan toch met hoogsteenvoudige stoffen: water, koolzuurgas, een weinig zout; en hieruit bouwen zij dan de haar eigen ingewikkelde stoffen op. Een plant is dus een typisch synthetisch, opbouwend mechanisme. Dit opbouwen van stoffen begint de mens pas in de laatste tijd, ongeveer de laatste halve eeuw, een weinig te leren. Niet voor niets heet de scheikunde schei-kunde; zij was, en is nog steeds de hoofdzaak, de kunst van het scheiden, ontleden, .splitsen, afbreken; zo is deze wetenschap begonnen en zo moest zij wel beginnen. Aanvankelijk meenden haar beoefenaars zelfs dat geen andere taak ooit mogelijk zou zijn; dat de opbouw, de synthese, alleen weggelegd zou zijn voor de levende „natuur", waarin een voor de mens onbereikbare kracht zou schuilen, de levenskracht. En trouwens, voor hoeveel stoffen zijn wij nog steeds aangewezen op natuurproducten: hout, papier, allerlei vezelstoffen voor onze weefsels, rubber, benzine, kaU, om er slechts enkele te noemen. Maar, in de „stroomversnelling van de tijd" waarin wij zijn terechtgekomen, is ook dit aan het veranderen. De mens heeft enigszins geleerd datgene, waarin de plant een meesteres is: uit eenvoudige stoffen zeer ingewikkelde maken, langs een proces van opbouw. Wij hebben kunstmatige benzine, kunstmatige rubber, vezelstoffen, harsen (plastics), en naar men zegt staan wij nog pas aan het begin van een zeer snelle ontwikkeling.

Maar keren wij terug tot het dier. Dit bezit niet het synthetische vermogen van de plant. Het dier bouwt wel stoffen op, maar kan daarbij niet uitgaan van zulke eenvoudige stoffen als water en koolzuurgas; het dier moet reeds ingewikkelde stoffen tot zich nemen, en dat uit de plant. Kortom: het dier onderstelt de plant.

Wel vinden in het dier allerlei omzettingen plaats, waardoor plantaardig materiaal wordt omgezet in dierlijk; gras wordt tot melk; maar of hierbij de complexiteit ook weer toeneemt is nog niet geheel duidelijk, en in ieder geval zijn de uitgangsproducten niet zo eenvoudig als bij de plant. Hetzelfde geldt misschien in nog sterker mate voor die dieren, welke volgens hun bestemming leven van andere dieren.

En weer denken wij terug aan Genesis 1, terwijl de geologie althans dit punt niet schijnt te weerspreken. Het dier werd geschapen op de zesde dag, n a de plant; het dierlijk leven onderstelt, steunt op het plantaardige, dit maakt het eerste slechts mogelijk. Zou men de verhouding hier mogen kenschetsen met het woord: offer (Bern. Bavinck) ? Wordt de plant, wordt een dier, opgeofferd aan een ander dier en komen wij zo tot haar hoogste betekenis? Leven is altijd mede, is vooral, leven voor een ander.

Wij zagen, dat door combinatie van elementen nieuwe stoffen ontstaan. Zo is bijvoorbeeld zowel in suiker als in vet het element koolstof aanwezig. Merkwaardig is evenwel, dat men in de suiker, in het vet, van dit element vrijwel niets bespeurt. In niets herinneren deze witte kristallen, herinnert deze zachte gele stof, aan roet of houtskool. Wel leveren beide stoffen bij onvolledige verbranding het element uit in de vorm van kool of roet, en wel is het gewicht van elke stof gelijk aan de som van de gewichten der constituerende elementen. Maar verder niet. Niets verraadt in keukenzout de aanwezigheid van het element natrium, een zilverachtig, zeer zacht metaal. Hoe is dit op te vatten? Is roet werkelijk aanwezig in suiker, waarom bespeurt men het dan niet?

De enige uitweg uit deze moeilijkheden lijkt te zijn de erkentenis: wat wij waar nemen zijn niet de stoffen zelve, maar uitwerkingen van deze stoffen op onze zintuigen; en twee innig vermengde elementen kunnen elkaar storen en aanvullen in hun werkingen, zodat dan onze waarneming niet meldt de aanwezigheid van twee naast elkaar bestaande stoffen, maar van een nieuw geheel: de combinatie. En hiermede komen wij dan toch weer voor de ingrijpende vragen van de theorie van onze kennis: hoe verhoudt zich onze waarneming tot het bestaande, tot het eveneens door God geschapene? Is dit in wezen zelf voor ons kenbaar, of voor ons verborgen? Iets dat door geen mens gekend wordt op een bepaald ogenblik, bestaat dit toch ? Vragen die de zakelijk ingestelde natuurwetenschap van onze tijd tracht te verdringen; zij zoekt meer naar het hoe dan naar het waarom; het „hoe" is dikwijls met geduld en studie te vinden, het „waarom" blijft kwellen. Beheersing zonder inzicht desnoods.

En voor nog vreemder vragen stelt men ons. Niet zómaar heeft men wel het werkelijke bestaan van alle verandering ontkend. Bij nader onderzoek blijkt verandering voor onze logica haast of geheel onverstaanbaar. Van Roomse zijde heeft men de oplossing menen te vinden in de Aristotelisch-Thomistische onderscheiding van actueel en potentieel zijn. Reeds jaren geleden vroeg Prof. Vollenhoven om een eigen Christelijke logica. Hoe zal zich dit alles ontwikkelen? Wij kunnen toch niet geloven dat alle worden slechts schijn is, dat het ware wezen is de eeuwige rust en stilte, de onveranderlijkheid. De Schrift zal ons toch niet toelaten alles wat zij verhaalt dusdanig van geringere waarde te achten. Gelukkig dat deze vragen zo nodig veilig onopgelost kunnen blijven rusten. Geloof vraagt geen volledig kennen.

Wenden wij ons weer van deze verandering in het algemeen naar die in de natuur. Wij zagen dat als stoffen vergaan en nieuwe stoffen ontstaan, dit op te vatten is als het verschijnen van nieuwe combinaties der zelf onveranderlijke elementen. Veranderen deze laatste nimmer? Zijn zij fundamenteel, elementair, niet verder samengesteld en dus niet te splitsen? Zo ja, dan rijst de vraag: Waarom juist een honderdtal? terwijl onze geest niet licht zal willen berusten in een wereldbeeld waarbij niet alles uit één grondstof is gevormd. Wij bespraken dit al terloops in de vorige afdeling. Inderdaad, sinds het begin onzer eeuw verwijst de wetenschap deze gedachten niet meer naar het rijk der onbevestigbare fantasieën, terwijl sinds een tiental jaren de mens zelf elementen weet om te zetten. Het uranium, een chemisch element, en dus vroeger als elementair beschouwd, kan gesplitst worden in andere, reeds bekende, elementen. En bij dergelijke splitsingen komen dan enorme krachthoeveelheden vrij die wij helaas voornamelijk nog in destructief verband kennen en benutten. Hierbij schijnen stof en kracht in elkaar over te vloeien. Er verdwijnt bij deze splitsingen iets, een weinig stof, er verdwijnt ook iets in gewicht; en in de plaats daarvan komen de enorme energiehoeveelheden. Sommigen nemen wel aan, dat op verre sterren het omgekeerde gebeurt, dat daar uit het licht, uit de lichtkracht, nieuwe elementen ontstaan, dus nieuwe stof wordt geboren. Heeft de stof dit vermogen niet altoos gehad? Was er bij de schepping eerst stof, en daarna pas licht? Zal dan de natuurwetenschap moeten aannemen, dat destijds haar huidige wetten nog niet golden? Of zal ze alleen maar toestanden hebben te bedenken, waarin de omzettingen van kracht in stof en omgekeerd v/el mogelijk, maar niet werkelijk waren?

Enorme krachthoeveelheden komen vrij bij de uraanspUtsingsprocessen, krachthoeveelheden zó groot dat zij, voor 't eerst in de geschiedenis der mensheid, niet meer geheel in 't niet zinken vergeleken bij de krachten der natuur. Thans wordt denkbaar (denkbaar nog slechts) dat de mens eenmaal het weer zal weten te veranderen, en de wind zal beheersen Het schijnt dat de zon haar grandioze kracht ontleent aan processen, verwant aan de uraniumvernietiging. In het radium, dat chemisch beschouwd een metaal, dus een element is, hebben wij een zwakker maar juister voorbeeld. Dit kan alleen stralen omdat het vanzelf zich splitst; hier is het nu weer zo, dat de mens op generlei wijze vermag deze zelfontleding te beïnvloedeü tenzij hij het radium op de wijze van het uranium geheel vernietigt. Slechts schijnbaar is de straling van het radium onuitputtelijk; men heeft weten te vinden dat na 1600 jaar het radium voor de helf zal verdwenen zijn, de straling is dan ook tot de helft verzwakt; na 3200 jaar is er nog 14 > na 4800 jaar nog ^/s.

Men neemt aan dat ook de sterren haar ontzagwekkende lichtkracht ontlenen aan dergelijke elementontledingen. Dus daar niet meer als op de aarde een spel van combinaties der zelf blijvende elementen. Door de zeer hoge temperatuur zou dit samengaan niet meer mogelijk zijn, de bindingskracht der elementen is dan te zwak. Alle sterren en ook de zon dus wel bestaande uit dezelfde elementen, maar wellicht alleen op de aarde het combineren hiervan tot de duizenden, millioenen der ons omgevende stoffen. De ganse schepping toch uit één materiaal, dit materiaal op de sterren en de zon geordend tot losse, zich veranderende elementen; op de aarde het zwakkere, fijnere, meer kwetsbare proces van het samenspelen der elementen tot stoffen, stoffen van véél geringere bestendigheid dan de elementen zelf. Dus vooral: broosheid op de

aarde, vergankelijkheid, ook in de mens,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Verandering en bestendigheid in de natuur (III)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's