Studentenalmanak 1909 - pagina 141
135 En teleurgesteld, zei ze minachtend:ét »Liefde is toch heel iets anders dan Geloof?« Toen was alles voorbij. We studeerden niet meer samen. L. H. ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 142
DOLOR INEFFABILIS. mea anima, tenera, pavida! Doleo; maereo; fari cur, nequeo. MYRTILLUS. ' ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 143
LIEFDE. IJ vond een lelie in een ver moeras, Een knop, die langzaam openging; Hij zag, hoe rein de lelie was, Die wit op 't zwarte water hing.Hij ging des morgens naar de stille plas ; De zon was hem al voorgegaan ; ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 144
VOORBIJ. Aan J. S. E.AN U, die m' uit mijn eenzaamheid, Met woorden zachtEn zoenen zoet, hebt weggeleid;En meegevoerd, langs stille paan. De heuv'len op,Waar reine zielen stijgen gaan . . ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 145
NACHTELIJKE ANGST. Le silence éternel de ces espaces infinis m'effraie. PASCAL. I E T S is er dat beweegt. Niets komt de stilte storen. T e r n a u w e r n o o d . ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 146
ZEELAND. CHOON zijt gij, mijn Zeeland, Met het wondere ruischen Der golvenrijen, met uw schuimende baren. Die aan 't eenzame zeestrand Eentonig bruisen.Schoon zijt gij, mijn Zeeland, Met uw stille kreken ; ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 147
HILieflijk zijt ge, mijn Zeeland, Met uw hooge boomen, Die de dijken versieren, om uw lage velden ;Die uw goudgele graanland Donker omzoomen.Lieöijk zijt ge, mijn Zeeland, Met uw wijde dreven. Met ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 148
DE KAARSEN-). IJ stond de dood te wachten. Ik had een misdaad gepleegd, een moord, en had geen verzachtende omstandigheden kunnen aanvoeren. De zitting van het gerechtshof had lang geduurd, heel lang. Ik ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 149
143hersenen waren in den laatsten tijd zoo afgemat, dat hetmij niet gelukte, mij een juiste voorstelling te vormen vanwat er om mij heen gebeurde^ Plotseling viel mijn oog op iets, waarop ik in den beginnenog niet gelet ...
Studentenalmanak 1909 - pagina 150
144hinderde. En toen kwam de gerechtzitting mij weer voorden geest in onverminderde levendigheid. En weer zag ikdie kaarsen . . . . Maar nu waren het geen engelen meer, het warenfuriën geworden die mij waanzinnig van angst ...