Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 291
Van het eenigh Goddelick Wesen.287A. Ja: Joh. 8. 58. Eer Abraham was benick. ende den beginne was het woort, ende het 2. In ] woort was by Godt, ende het woort was Godt, &c. Coloss. 1. 16. Hebr. 1. 1, 2, 8, 10. V. Waer van daen hadt hy dan sijn Godtheyt? A. Van den Vader, die do ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 292
,Van288cc ccdhet eenigh Goddelick Wesen.A. De Soon is eerder ten aensien van sijn Godtheyt ende jonger ten aenaien van sijn menscheyt. V. Is de H. Geest oock Godt? A. Ja: gelijck nader sal gehoort worden, Vrage 53. V. Magh ick v/el seggen de ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 293
,Vanhet eenigh Goddelick Wesen.289Magh men seggen dat de Soon van den Vader ende oock van hemselven? A. Ja: Joh. 5. 19, 20, 26. De Sone en kan niets van hemselven doen 't en zy hy den Vader dat siet doen, want soo wat die doet, 't selve doet oock de Sone desgehjcks. Te ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 294
,290Vanhet eenigh Goddelick Wesen.A. Ja. V. Maer is aen de leere van de drie-eenigheyt onse saligheyt ende Godt saligheyt soo veel gelegen? A. Ja. V. Wie ontkennen dit? d A. De Kemonstranten. V. Wat seggen sy daer van? d A. Dat het zijn scholastijcke disputatien. V. So ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 295
Van V. Ishet eenigh Goddelick Wesen.deseleerebekentgeweestin291den OudenTestamente ? A. Ja. V. Isse eerst bekent gemaeckt in den Nieuwen Testa-mente ? A. Neen. V. Bewijst dat? A. Esai. 61. 1. De Geest des Heeren Heeren is op my ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 296
Van de Goddelicke Eygenschappen.292A. Neenvoor soo veel dese eygenschappen in Godt gecon<ïipieert als verscheyden, ja tegenstelligh niet in haar selven, maar ten aensien van hare verscheydene effecten ende objecten, ontrent welcke deselve verkeeren. V. Indien Godt een is, ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 297
Van de Goddelicke Eygenschappen.293A. Exod. 33. 20, 23. Hy seyde voorder, Ghy en soudt mijn aengesichte niet konnen sien want geen mensche sal my sien ende leven. Vs. 23. Maer mijn aengesichte en sal niet gesien worden. Joh. 1. 18. Niemant heeft oyt Godt gesien, &c. 1. Timoth. 6 ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 298
Van de Goddelicke Eygenschappen.294voor soo veel hy mensch is: Joh. 19, 37. sullen sien in wel eken sy gesteken hebben. Actór. 11. Dese Jesus die van u opgenomen is in den 1. hemel, sal alsoo komen, gelijckerwijs ghy hem na den hemel hebbet sien henen varen, V. Waerom sal men het we ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 299
,,Van de Goddelicke Eygenschappen.295A. Neen: want sy hebben geen lichamelicke oogen. y. Wat moet men dan op al die texten antwoorden die daer schijnen te spreken van dat uyterlick sien? A. Die moeten verstaen werden van het sien met het verstant.V. Is Godt, ofte het G ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 300
,296Vande Goddelicke Eygenscliappen.henen vlieden voor u aengesichte?Esai. 66. 1. Actor.25, 27, 28. V. Is Godt in den hemel ingesloten? A. Neen. V. Soude men mogen seggen dat hy met sijn Goddelick wesen alleen in den hemel is ende alleen met sijn k ...