Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XLI.

Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. i Cor. 11 : 30.

Voor wat den onwedergeborene aangaat kwamen we alzoo tot deze slotsom, i". dat in hem nog dezelfde krachten werkzaam zijn, die als tot zijn natuur behoorende door God den mensch zijn toebedeeld; 20. dat het bederf van deze zijn natuur daarin bestaat dat hij, als zondaar, deze krachten aldoor in de vlak verkeerde richting wil doen werken; 3". dat dientengevolge de uitwerking dier krachten nooit anders dan een volstrekt slechte zou zijn, zoolang niet een andere macht van ter zijde deze afbuiging in verkeerde richting, stuitte; 40. dat de gemeene gratie deze stuiting op gradueel zeer uiteenloopende wijze aanbrengt, en dat dank zij deze stuiting nog allerlei levensuiting uitloopt op soms zeer teedere en nauwgezette burgerlijke gerechtigheid; maar50.dat hoeveel voorwerpelijk goeds op die manier ook nog tot stand kome, het onderwerpelijke ik nooit vrij kan uitgaan, daar het steeds tegen den wil van dat ik geschiedt, zoo de van hem uitgaande kracht goed uitkomt.

Aan dit laatste nu moet nog iets toegevoegd, om verwarring te voorkomen. „Hoe, zal men zeggen, zou een onbekeerde, op elk punt, steeds verkeerd willen.? en zou a/wat nog van zijn leven nog terecht komt, altoos terecht komen tegen zijn wil en bedoelen.? Maar, zoo volstrekt kunt e: n moogt ge het niet nemen! Of zijn er onder de lieden der wereld niet tal van uitnemende personen, getrouw in plichtsbetrachting, ijverig in het volvoeren van hun taak, zich met overgegevenheid toewijdende niet alleen aan wat hun voordeel brengt, maar ook aan wat hun te staan komt op louter verlies van tijd en kracht, en van geld op den koop toe.' Moet dit dan alles miskend} En moogt ge dan zonder uzelven te bezondigen dit alles voor uit den booze verklaren, nu wel niet wat het resultaat, maar dan toch wat de bedoeling van het eigen ik betreft.? " — We gevoelen volkomen de kracht van deze bedenking, en willen ze niet ontloopen. Hetgeen toch omtrent de gemeene gratie verklaard is, voorkomt wel de geringschatting van de velerlei burgerlijke gerechtigheid, maar blijft den eersten aanstoot van alle daad, die uit het onwedergeboren ik opkomt, als zondig afkeuren en verwerpen. En ook dit laatste heeft, dit geven we gul toe, op het eerste hooren iets, dat ons schokt. Het vereischtdus nadere toelichting.

Daarbij nu sta op den voorgrond, dat loslating van het volstrekte standpunt hier onmogelijk is voor een iegelijk die aan Gods Woord vasthoudt. „Dood in zonde en misdaden" is dood. Zijn wij allen, met Paulus ingesloten, „van nature kinderen des toorns", dan is er in ons, als zondaren, geen enkele deugd in principieelen zin denkbaar. Elke uitzondering die ge hier toelaat, werpt geheel de voorstelling omver. Is de zondaar voorzoover hij nog burgerlijke gerechtigheid oefent, niet dood, en is hij alleen dood voor zoover hij in het oog loopend slechte dingen doet, dan zijn honderden en honderden personen ook in hun onbekeerden staat nog zoogoed als geheel levend, hoogstens met hier en daar een stee koud vuur, of een enkele plek die kankert. Dan verandert ge de natuur der wedergeboorte, en blijft ze niet een genadige herschepping van heel uw persoon, maar een uitsnijden van een plek gangreen. M. a. w. dan zijt ge van het Christelijk standpunt opeens overgegleden op' het standpunt der wereld, waarop de zondige mensch nog in hoofdzaak voor gaaf, goed en ongedeerd geldt, en slechts lijdt aan een enkele wonde, die om genezing vraagt. De zonde is dan geen doodelijke krankheid, maar een incident aan zeker deel van uw wezen, en bij sommigen, die zeer ingetogen en braaf leven, is dit incidenteel gebrek soms zoo klein, dat ge verstaat hoe op hun graf in welsprekende taal verkondigd wordt, hoe goed en hoe uitnemend ze waren.

Loslaten kunt en moogt ge dus het volstrekte standpunt niet, of ge gaat aanstonds zelf meê over van het getuigenis der Heilige Schrift naar de zelfinbeelding der wereld. Doch hiermee is de zaak niet toegelicht. Wel volgehouden, maar niet verklaard. Immers het valt niet te ontkennen, dat menig onbekeerde wel terdege ook met zijn wil velerlei goede dingen wil. Zeer dikwijls is het zelfs een ongemeene wilskracht waarmee ze een goede zaak doorzetten. Daarom is het noodig hier tot een tweede onderscheiding te komen. Onze eerste onderscheiding was, dat er in ons is een middelpunt waarvan onze levenswerking uitgaat, en een omtrek waarin die levenswerking uitkomt. We stelden daarbij dien uitgang van deze levenswerking voor als het uitstralen van lijnen, en oordeelden nu dat de zonde deze uitgaande lijnen afbuigt in geheel verkeerde richting, maar dat de gemeene gratie, van terzijde inkomende, deze afbuiging stuit, en zoo menige levenswerking in haar uitstralen toch nog op het goede punt doet uitkomen. De lijnen zijn dan als kromme, omgebogen lijnen gedacht. Als ze uit het middelpunt uitkomen, neigen ze alle naar links, maar hooger of lager op buigt de gemeene gratie ze dan weer naar rechts om. Fijner konden we aanvankelijk de onderscheiding niet nemen, zou niet alle helderheid en doorzichtigheid in de voorstelling teloor gaan. Thans echter moet hier een tweede onderscheiding aan toegevoegd rakende dat middelpunt zelf.

Onder dat middelpunt verstonden we ons ik in het centrum van ons wezen, en tegenover onze levensuitingen genomen, is dat dan één. Maar beschouwen we nu dat middelpunt op zichzelf, dan springt het in het oog, hoe ook hier weer te onderscheiden valt, eenerzij ds tusschen onze neigingen, ons verstand en onzen wil, en ander­ zijds tusschen ons ik, dat in deze drie werkt. Ik neig, ik denk, ik wil. In het ik vindt én neiging én verstand én wil het vereeningingspunt. Hieruit blijkt, dat men ook in het middelpunt zelf van ons wezen weer te onderscheiden heeft: i". Je kern er van in ons ik, en 2°. de onderscheidene bewegingen of functiën van dat ik. En is dit eenmaal goed gevat, dan zal men terstond inzien, hoe alleen dat ik, als binnenste kern, blijft wat het is, maar hoe daarentegen die neiging, die denkende en die willende beweging, bij weeromstoot, zekeren invloed van de gemeene gratie ondergaan. Beproef het zelf maar door drie, vier dunne koperdraden te nemen, die ge in één punt saam vastlegt, en nu naar verschillende kanten uitlegt, en onderaan het vereenigingspunt met uw linkerhand naar links afbuigt, onderwijl ge op de helft van den draad ze met uw rechterhand ombuigt naar rechts. Dan toch zult ge zelf voelen, hoe de druk door uW rechterhand uitgeoefend niet alleen de uiteinden der draden naar rechts ombuigt, maar ook benedenwaarts zekeren druk op het benedengedeelte uitoefent, dien ge op de vingers van uw linkerhand zeer duidelijk waarneemt. Ditzelfde nu geldt natuurlijk ook van de gemeene gratie. Als zij, op welk gedeelte van de lijn ook, die lijn aangrijpt en in haar verderen verloop naar rechts buigt, komt hieruit ook een spanning, een druk naar beneden voort, die wel nooit de kern van het ik kan aandoen, maar wel haar uitwerking heeft, op de neiging, op het bev/ustzijn, en op den wil. En hieruit verklaart het zich, dat de onbekeerde tot in zijn neigingen, tot in zijn bewustzijn, en tot in zijn wil den invloed der gemeene gratie ondergaan kan.

Dat dit echter, hoever het ook ga, nooit het ik zelf omzet, en dat deze omzetting van het ik eeniglijk en alleen vrucht van herschepping en wedergeboorte kan zijn, ziet ge telkens aan de uitkomst. Immers ook bij de uitnemendsten onder deze personen is het resultaat van hun ontwikkeling niet dat ze naar God toebuigen, maar steeds dat ze aldoor van God afbuigen. En al is het, dat ge dit in één enkel persoon niet zoo terstond kunt uitmaken, omdat de meesten zich zoo weinig uitspreken, dit is in elk geval buiten twijfel, dat de richting waarin deze uitnemende wereldburgers zich gezamenlijk bewegen, er steeds meer toe leidt, om hen en hun omgeving van de Schrift af te trekken, van de kerk van Christtfs te vervreemden, van de belijdenis van den levenden God te doen afdwalen, en het hoogste ideaal te doen vinden in de verheerlijking niet van God, maar van den mensch. En is het ons op die wijs mogelijk, om van den cénen kant al het goede, dat in de wereld voorkomt, ten volle te waardeeren, toch handhaven we deswege van den anderen kant streng en stipt onze belijdenis, dat, voor zoover de gemeene gratie niet kan doorwerken, d. i. voor wat het ik als de kern van ons wezen aangaat, de eerste aandrift in den zondaar altoos blijft, niet om zijn levensuitingen op God te richten, maar om ze te keeren van Hem af. En dat nu juist is het wat de Catechismus bedoelt met te zeggen, dat er in dat ik onbekwaamheid is tot eenig goed en steeds geneigdheid tot alle kwaad. Al wat hieraan gebeterd wordt of wat er niet van uitkomt naar buiten, is niet uit het ik, maar uit de gemeene gratie.

Dit alles echter diende slechts als inleiding op de hoofdzaak, die thans in onderzoek is, hoe namelijk dit alles staat in den wedergeborene. Om een wedergeborene te verstaan, waren we verplicht ons eerst af te vragen, hoe het zielkundig toegaat in den nog (7? zwedergeborene. Geen ziekte kan verstaan worden, of ge moet eerst weten hoe het in den gezonden mensch is, maar ook geen genezing aangebracht, of ge moet eerst weten hoe het is in den kranken mensch. Welnu, hoe het in den kranken mensch staat, hebben we nu gezien, stellen we dus thans de vraag, welke wijziging, welke verandering, door de wedergeboorte in zulk een zondaar wordt teweeggebracht. Neemt ge daartoe nu een mensch, die onmiddellijk na zijn wedergeboorte sterft, dan is dit uiterst eenvoudig. Dan toch doet de wedergeboorte niet anders dan het ik zelf, dat verkeerd stond, recht zetten. Dit ik had zich van God afgewend, het stond dus in ongeloof. Nu wordt het weer naar God toegewend, en staat het dus in geloof. En verder is er dan niets aan toe te voegen, overmits de dood zulk een uit den omtrek van ons leven wegneemt. Met de lijnen die van het ik naar dien omtrek uitgingen, hebt ge in dat geval dan niets te maken. De dood breekt dit alles af Hetz'/& is geheel vrij gemaakt, in den dood. En is het dan door wedergeboorte naar God gekeerd, dan wordt het na het sterven ook naar God gekeerd met zijn neiging, denken en willen, want geen dier drie ondergaat nu eenigen invloed meer van de lijnen die naar den omtrek in dit leven uitgingen. Die toch zijn dan alle afgebroken. „De dood is een afsterving der zonde en de doorgang tot een eeuv/ig leven."

Maar heel anders komt natuurlijk de zaak te staan, als de wedergeborene niet terstond na zijn wedergeboorte sterft, maar blijft leven. Dan toch blijft hij met den omtrek van het leven in verband staan. Dan reageeren de lijnen die uit zijn ik naar dien omtrek uitgingen wel terdege op zijn persoon. En dan kan hetgeen in de kern van zijn ik tot stand kwam, niet aanstonds naar buiten doordringen. Ja dan is de overmacht van dien levensomtrek zelfs zoo sterk, dat volgens onzen Catechismus, die ook ten deze de Schriftwaarheid zoo zuiver teruggeeft, tot aan onzen dood toe het herboren ik niet in staat noch bij machte is, om anders dan tot een „klein beginsel" van de volkomen gehoorzaamheid te geraken; een uitdrukking die in onze beeldspraak omgezet zeggen wil, dat ons herboren ik, niet dan voor een zeer klein gedeelte in staat is, om één enkele levenslijn weer met volkomen zuivere beweging uit zich tot aan den buitensten omtrek in de van God gewilde richting te doen doorloopen.

Verandert dit nu iets ook maar aan het ik in zijn binnenste kern.' Stellig niet. Dat kan maar één van beide zijn, naar God toe of van God afgekeerd. Het kan staan in ongeloof of in geloof Een derde is er niet. Nu stond het afgekeerd en in ongeloof, maar de wedergeboorte was juist die daad Gods, die het afgekeerde ik weer naar God toeboog. En in die toebuiging heeft tevens dit plaats, dat God ons ik dan voorgoed vastzet. Wederom afkeerenisdan onmogelijk. Een herborene kan niet wederom tegen God gaan kiezen. Er is volharding der heiligen. Zien we dus af van de neiging, van het bewustzijn, van het willen, en evenzoo van heel den levensomtrek en van de levenslijnen, die daarvan uitgaan, en letten we uitsluidend op het verborgen ik van ons wezen in de diepste kern van onze persoonlijkheid, dan is wat dood was levend gemaakt, wat krank was geheel gezond geworden, wat onder den toorn lag in den glans des welbehagens komen te staan, en is dit ik volstrekt heilig. Dat is het dan ook wat de apostel op het oog heeft, als hij zegt dat een iegelijk die uit God geboren is, niet meer zondigt, ja zelfs niet meer kan zondigen, overmits het zaad Gods in hem blijft. Dat verborgenste, binnenste ik is geheel heilig en dus onzondig geworden. Meer nog, het is van alle zonde afgesneden. Het is niet meer in staat om wederom te vervallen. Het is geneigd tot alle goed en onbekwaam tot alle kwaad. Het is zoo heilig als het in eeuwigheid worden kan. Het heeft het eeuwige leven van God ontvangen. En het is dan ook dit herboren ik waarin de Heilige Geest woont, waarmee de Heilige Geest gemeenschap heeft, en dat alleen uit den Heiligen Geest zijn aandrift ontvangt. Ja, om er ook dit nog bij te voegen, het is dit ik in de verborgenste kern van ons wezen, waarvan de heilige apostel zegt: „Zoo doe ik ditzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont." Er gaat nog allerlei zonde van hem uit. Die zonde moet dus nog in hem zijn. Anders kon ze niet van hem uitgaan. Maar toch, die zonde komt niet meer uit zijn diepste ik, die zonde komt uit heel iets anders. Voor God gezien zijn alle wedergeborenen heilig, en heeten ze saam „de heiligen die in Corinthe, de heiligen die te Thessalonica zijn, " enz.

Staat dit uitgangspunt nu vast, dan komt in de tweede plaats de vraag aan de orde, op wat wijs dit heilige in zijn stralen gebroken wordt, zoodra het zich uit dat diepste ik, niet naar boven naar God, maar naar buiten in de wereld wil uiten. Er gaan toch van dat ik tweeërlei bewegingen uit, de ééne, geheel mystiek, rechtstreeks naar God, en de andere naar de wereld. Men kan ook beide noemen, de verticale bew& ging die naar boven naar God uitgaat, en de horizontale, die dwars voor zich uit, uitgaat in het menschelijk leven.

Daarbij nu is in de eerste plaats te letten op het bewustzijn. Niet alles wat in het ik schuilt, leeft daarom aanstonds ook in het be-

wustsijn van dat ik. Ook in het pasgeboren kind, ja, reeds vóór de geboorte, is in elk menschelijk wezen dat ik aanwezig; maar daarom kunt ge nog volstrekt niet zeggen, dat in het kindeke vóór zijn geboorte of ook vlak na zijn geboorte reeds zelfbesef en zelfbewustzijn gevonden wordt. Zelfs in een kindeke dat reeds maanden geleefd heeft, sluimert dit bewustzijn nog geheel, en eerst op volwassen leeftijd kunt ge zeggen, dat dit bewustzijn ten volle ontplooid is. Doch zelfs dan nog is het volstrekt niet waar, dat deze bewuste mensch op elk oogenblik geheel zijn ik in zijn bewustzijn heeft opgenomen.

Een derde gedeelte van uw leven slaapt ge, en is uw bewustzijn geheel ingezonken. In een zeer groot gedeelte van uw wakker leven, denkt ge alleen aan het ééne ding waarmee ge bezig zijt, en schuilt al het andere. En hoogstens kunt ge zeggen, dat er enkele hoog opgewekte oogenblikken in uw leven zijn, waarin ge een groot gedeelte van uw ik in uw bewustzijn levendig voor u hebt. Er is meer nog. Een man van vijftig jaren kent zichzelven beter dan een jongeman die een kwart eeuw jonger is.

Er is vooruitgang, er is ontwikkeling, er is rijping ook in ons bewustzijn. Onderwijl het diepste ik in ons wezen steeds hetzelfde en zichzelven gelijk blijft, gaat daarentegen het bewustzijn vooruit, wordt rijker aan inhoud, en leert ook zijn eigen ik beter verstaan. Het is dan ook tegen alle reden en tegen alle levenservaring in, als men weigert op dit onderscheid tusschen ons bezviistzijn en ons ik scherp te letten. Dit onderscheid is zelfs de grondslag van alle opvoedkunde, en wie dit onderscheid verwaarloost, telt onder de nadenkenden eenvoudig niet meê.

Doch hieruit volgt dan ook, dat er bij de herschepping wel te onderscheiden is tusschen de wedergeboorte van ons ik, en de bekeering of omzetting van ons beivustzijii. Het Grieksche woord in de Heilige Schrift voor bekeering gebruikt is metanoia, dat letterlijk beteekent: bewustzijnsomzetting, gevolgd door metastrepsis, d. w. z. zvandelsomzetting, en zoowel deze omzetting van ons bewustzijn, als deze omzetting van onzen levenswandel, wordt ganschelijk onderscheiden van ons geboren worden uit God, van onze wedergeboorte. En nu zijn er wel oppervlakkige lieden, die bij hoog en laag betuigen, dat wedergeboorte niet schuilen kan, dat wat leeft zich in het leven toonen moet, en zooveel meer. Maar al zulke beweringen zijn de losse uitspraken van den onnadenkende. Wat we van het kindeke vóór zijn geboorte, van den mensch in den slaap, en van de rijping van ons bewustzijn herinnerden, toont het tegendeel. Het is volstrekt niet waar, dat een verandering in ons ik terstond en op het zelfde oogenblik gevolgd wordt door een daarmee verband houdende wijziging in ons bewustzijn.

Beide zijn uiteraard verschillende zaken, die ook in tijdsorde aanmerkelijk uiteen kunnen loopen. Johannes de Dooper wist toen hij in de wieg lag, niets van wat reeds in zijns moeders schoot met hem was voorgevallen. Die omzetting van het bewustzijn is alzoo een tweede daad Gods, die terstond op de omzetting van het ik volgen kan, maar ook pas geruimen tijd daarna kan plaats grijpen; en eerst dan werkt uit het geloofsvermogen het bewuste geloof op.

Hetzelfde geldt natuurlijk van de neiging en van den wil, en behoeft van die beide niet afzonderlijk uiteengezet te worden. Het ik kan omgezet zijn, zonder dat hiermee vooralsnog eenige verandering in het bewustzijn, in de neiging, of in den wil is teweeggebracht. Evenals de zaadkorrel een korten tijd in de aarde ligt, zonder dat er nog eenig uitspruitsel aan valt waar te nemen, evenzoo kan het „zaad Gods", gelijk de apostel dit noemt, in ons ik schuilen, zonder dat er nog eenige uitwerking van uitging. Dit volgt wel zeker en stellig, maar niet vanzelf en niet onmiddellijk. Als ge een zaadkorrel even onder de aarde legt en de grond is half bevroren, en er komt geen vocht bij, en er straalt geen zon op, dan kan die zaadkorrel weken onder den grond liggen, zonder te werken. En zoo nu ook begint dit zaad Gods dan eerst te werken, als de bodem van het hart week wordt, en de koestering der genade ondergaat. Doch ook dan als deze ontkieming begint en doorzet, zoodat er in de neiging, in het bewustzijn en in den wil ritselingen ten gOede komen, is hiermee nog volstrekt niet gezegd, dat daarom reeds terstond «/die neigingen geheiligd, heel dat bewustzijn, Ö: /die wil op eenmaal ten goede is omgezet. Integendeel, alle drie deze bewegingen van het ik bezitten elk een breede sfeer, en niet dan zeer langzamerhand dringt uit het herboren ik de herschepping in die drie sferen door. Ieder kan bij zichzelf nagaan, hoe niet dan zeer langzaam een verkeerde neiging in hem tot zwijgen wordt gebracht, om voor betere neiging plaats te maken. Ge weet zelf, hoe ge nog jaren lang in uw bewustzijn allerlei onware en onjuiste voorstellingen blijft meedragen, die niet dan zeer langzaam voor ware voorstellingen en denkbeelden plaats maken. En evenmin is het u een persoonlijk geheipi hoe ge nog telkens worstelen moet, om uw wil, die reeds ten deele ten goede neigt, op allerlei andere punten van het kwade af te houden. Zoo volkomen als de herschepping van het ik op eenmaal voltooid is, zoo onvolkomen blijft ons leven lang de omzetting van ons bewustzijn, van onze neiging, en van onzen wil. En het is een punt van het uiterste aanbelang helder in te zien, wat van dat laatste de oorzaak is, omdat we eerst alzoo verstaan kunnen hoe er tweeërlei ik in ons zijn kan, en hoe we spreken kunnen van een ouden en een nieuwen mensch. Er is namelijk ons wezenlijk ik, dat diep verborgen in ons wezen schuilt, maar er is ook ons ik, gelijk dit uit ons zelfbewustzijn spreekt, en wijl nu het bewustzijn zeer aanmerkelijk verschillen kan van wat schuilt in ons diepste wezen, is het volkomen begrijpelijk, dat een herboren mensch uit zijn bewustzijn sprekende, belijdt: Ik heb gezondigd, en nochtans, zich rekenschap gevende, van zijn innerlijk wezen, even stelling bebuigt: Mijn ik deed die zonde niet, want dat ik kan niet meer zondigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken