GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Deelende aan een iegelijk gelijkerwijs Nij wil”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

„Deelende aan een iegelijk gelijkerwijs Nij wil”

16 minuten leestijd

[PINKSTEREN.]

Doch deze dingen alle werkt de ééne en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk in bet bijzonder gelijkerwijs hij wil. I Cor. 12 : II

Weer brak ons Pinksteren aan, de gedenkdag des Geestes, die de jaarrij onzer heilige feesten sluiten komt. Het was één kring van heilige herinneringen, waaruit ook nu weer de jubel der glorie ons tegen klonk. Wat te niet moest gedaan was de verwijdering, de scheiding, waarin ons zondig hart van onzen God was afgedoold. En nu komt de toenadering, niet van ons tot onzen God, maar van den Heilige tot zijn verloren menschenkind. Goddelijk erbarmen slaat op ons het oog. Goddelijke ontferming zoekt ons. Voorafgaan stemmen, klanken uit heel het Oud Verbond, dat 't eens weer worden zal Immanuel, d. i. God met ons. Die profetische klanken vangt onder alle natiën één uitverkoren volk op. In uitwendigen vorm en heilig zinnebeeld teekent zich de gemeenschap met onzen God achter het voorhangsel op Sion af. Belofte na belofte gaat uit, en de belofte aan de vaderen gedaan, blijft nagefluisterd in de komende geslachten. Tot eindelijk de welaangename tijd, tot ten leste de hoogtijd der vervulling gekomen is. En nu dalen Gods engelen neder, en de gezegende onder de vrouwen ontvangt uit den Heiligen Geest, en het Kindeke van Bethlehem wordt geboren. En nu is de klove gedempt en de breuke te niet gedaan. Dat heilige Kindeke is Immanuel. Geen teeken meer en geen zinbeeld, maar de eenheid met onzen God hersteld in het wezen, in het vleesch en bloed der kindekens, in onze menschelijke natuur. Het Woord, dat bij God en God was, bleek vleesch te zijn geworden, en heeft onder ons gewoond. Het menschenoog heeft die heerlijkheid aanschouwd, en het getuigenis van die heerlijkheid is de wereld ingegaan. Gewijde boden en apostelen van den Zoon des Menschen hebben 't betuigd en kond gedaan, wat ze gezien, wat ze aanschouwd, wat ze getast hadden van het Woord de Levens.

Dat was ons Kerstfeest. De Zonne der gerechtigheid aan den geestelijken hemel opgegaan, om ons te bestralen met haar koesterend schijnsel. Het tegenbeeld van de ure der smarte in het Paradijs. Toen alles verloren, nu 't al herwonnen. En in Christus, den tweeden mensch, een hooger glans voor ons opgegaan, dan die ooit den eersten mensch die uit de aarde aardsch was, in Gods gunste bescheen.

En na dat Kerstfeest kwam de worsteling. Nevelen die opkomen, om den glans van dithemelsch licht te verduisteren. Wolken die zich tusschen ons menschelijk hart en het hart van onzen Jezus schuiven. Satan zelf uitkomend om door een persoonlijken aanval ons den schat van Bethlehem weer te ontrooven. Demonen van allen kant opdringend, om aan den Zoon des menschen het terrein van zijn Verlossingswerk te betwisten. Vrome schijn zonder wezen, priesterlijke jaloerschheid, aardsche zin en zinnedienst, belustheid op wereldsche macht en glorie, onverstand van het on wedergeboren hart, stompzinnigheid tot in den kring der jongeren, en eindelijk de verloochening zelf en het verraad tegen den Zoon des menschen opstuwend. En dit alles met één doel, met één strekking, om toch maar het wonder van Bethlehem te niet te doen, en de verloren menschheid weer zonder Jezus haar doolweg te doen vervolgen.

Maar Immanuel weerstaat. Hij geeft geen kamp. Hij treedt niet terug. Zijn Goddelijk lichtspoor breekt door nevelen en wolken heen. Satan doet hij afdeinzen, de demonen werpt hij uit, den vromen schijn ontmaskert hij, de verloochenaar wordt beschaamd, den verrader bij zijn kus als een giftige slang van den arm geschud, en reeds nu werd er, dank zij Jezus verschijning, gedronken uit de wateren des levens, over krankheid en dood werd triomf behaald. En als Jezus ten slotte Jerusalem binnentreedt, spreiden zs de kleederen voor hem op den weg, en zingt het volk in heilige geestdrift hem een „Hosanna in de hoogste hemelen!" toe.

Maar nu komt de macht, de wereldmacht^ tegen hem op. De macht met bandenen zwaarden en stokken. Sanhedrin en Landvoogdij treden in bond. En nu weerstaat Jezus «^/. Nu laat hij zich vangen. De twaalf legioenen engelen, die hem te hulpe konden snellen, worden niet afgebeden. Als Godslasteraar, als Volksverleider wordt Jezus ten doode verwezen. Weer was het de Overste der wereld die zich tégen Jezus opmaakte. Waar gebleken was dat niets de macht van Jezus Geest met geest kon weerstaan, wordt hulpe tegen Jezus gezocht in politieen soldaat en beul. De aarde die hij redden wil, kan, wil hem niet dulden. Hij moet sterven, en met zijn sterven moet tot zelfs de heugenis van zijn naamvergaan. De wereld wil haar God en de gemeenschap mei haar God in Immanuel niet. De ban wordt op Jezus gelegd. Het moet weer een wereld zonder Jezus worden.

En Jezus laat zich binden, laat zich vangen, laat zich geeselen en sdaan aan het Kruis.

Hij sterft.

En nu gloort het morgenrood van onzen tweeden heiligen feestdag. De Paaschklokken doen hun geklank langs de velden ruischen, en blij weergalmt van der jongeren lippen het feestgeroep van verrijzenis en opwekking: De Heer is waarlijk opgestaan! Zoo breekt Immanuel den ban. In glorie keert de Gekruisigde van Golgotha in ons menschelijk leven terug. Niets heeft tegen hem vermocht. De overste der wereld kwam wel, maar had niets aan Hem. Hangen aan een Kruis, ter dood brengen kon menden Zoon des menschen, maar niet in hem breken de wondere geestesmacht, die zelfs de banden van den dood te niet doet, het leven herneemt, en zich zei ven in nog schitterender betoon van macht en glorie aan de wereld terug geeft.

Paschen is meer dan Kerstfeest. Het geopend graf ontsluit nog heiliger schat dan eens de Kribbe van Betlehem gedragen heeft. Die dood was, en zie hij leeft, brengt ons rijker verlossing dan in Efrata's velden bezongen werd. Wat herleeft en ons uit den dood wordt teruggegeven, is het Lam dat geslacht werd, het Lam dat de zonde der wereld wegdroeg. Nu niet meer het heilige Kindeke, maar de Overwinnaar die over dood en graf triomfeert, en die voor al wie hem aankleeft, de poorte ten eeuwigen leven opensluit. Maar nog is de gang vol glorie op den triomfweg niet voleind.

Wat Kerstfeest en wat Paschen aanbracht, is het komen van het leven tot een wereld die in de banden van den dood lag gebonden; maar zoowel de Kribbe als het geopend Graf deden nog niet anders dan het leven temidden van onzen dood poneeren. Het leven was er nu, maar in Christus. In hem alleen. En wat nog komen moest was het uitstralen van dat nieuwe leven in de menschheid zelve. Het was er in onze menschelijke natuur, in den Zoon' des menschen; maar wat toefde en wat nog komen moest, was het spreiden van dit nieuwe leven in de menschheid als zoodanig, uit des menschen Zoon in de kinderen des menschen.

Dit kon niet, zoolang hij onder ons bleef. Dit zou eerst kunnen en komen, ais hij, aan de rechterhand Gods verhoogd, ons den Heiligen Geest zou zenden.

Daarom volgt dan ook op Paschen het feest van Jezus Hemelvaart. De opgang in de hoogte. Het gezet worden aan Gods rechterhand. Het oprichten van het Koninkrijk, dat uit den Hooge in deze wereld zou inglanzen, en nu, vonkelend en tintelend, het nieuwe leven met nieuwen gloed in menschenharten zou doen indringen.

De indaling, de instraling van het nieuwe leven in ons gespreid en verstrooid menschelijk leven, om de verzoening en hereeniging met God in het menschenhari zelf tot stand te brengen.

En dit nu komt met ons Pinksteren. Niet meer het komen van Jezus. Dat gaf 't Kerstfeest. Niet meer het terugkomen van Jezus. Dat gaf ons 't Paschen der opstanding. En ook niet meer zijn Hemelvaart; maar een daad aan ons, van den verheerlijkten Heiland uitgaande, om zichzelven niet meer in zijn eigen persoon, maar in ons te verheerlijken.

En dat is de uitstorting van den Heiligen Geest.

Uitstorting niet van een geestelijke kracht, niet van een geestelijke mogendheid, niet van een wonder werking, neen, maar indaling van God den Heiligen Geest zelven, om ons hart tot zijn tempel, onze ziel tot zijn woonstede te kiezen. En om, dank zij die inwoning van God den Heiligen Geest in 't menschenhart, den zoen tusschen God Dr ieëenig en het gebroken menschenhart te herstellen.

En waar die Heilige Geest in het hart woont, daar is het hart met zijn God weer één. Daar dringt die Heilige Geest het Abba lieve Vader! naar de lippen. En daar bidt die Heilige Geest met onuitsprekelijke verzuchtingen, tot we eens, van allen aardschen band ontslagen, slechts éen gebed meer kennen zullen, dat in zalige harmonie tegelijk uit den Geest in ons en uit onzen eigen geest gaat. naar den Drie£enigen God zal uit-

Pinksteren is de verbijzondering in ons menschen, van wat in Christus als den Zoon des menschen, in aller verlosten Heer en Hoofd, in eenheid was saamgevat. In hem de top der bergen, van waar de beekjens in ons, zijn verlosten, afvloeien. In hem de zon, in ons de stralen van zijn licht en gloed opgevangen. In hem het een en eenig middenpunt, en wij aan de uiteinden van den omtrek zijn glorie terugkaatsend. In hem de geestesvolheid, die uit hem naar ons zich toebeweegt, in ons dringt, ons doordringt, en ons in instrumenten van zijn glorie omzet. Hij onze Koning en wij 't volk van zijn heerschappij, dat onder zijn scepter genade indrinkt en vrede geniet. Hij Immanuel en wij door hem en uit hem bekwaamd, om God den Heiligen Geest in onze herboren ziel met jubelenden dank te begroeten en in te wachten. In Bethlehem de fontein opgericht, bij het geopend graf die fontein des heils ontdaan van de bedckselen, waaronder men haar ontoegankelijk wilde maken; maar op Pinksteren het springen zelf van de fontein en het indrinken van de wateren des levens die er uit ruischen, door ons menschelijk hart, door een ieder die geroepen en verkoren is, door elk onzer onder eigen zielsbevinding, en toch door allen sa^m in de gemeenschap van het mystieke Lichaam des Heeren.

Vandaar geheel natuurlijk, dat de neg afgedoolde wereld wel het Kindeke in de Kribbe toejuicht, en wel op Paschen meejubelt als Jezus den ban van den dood verbreekt, maar ons Pinksteren niet verstaat. Op Kerstfeest en op Paschen kan de verbeelding het voorwerp har^r bewondering in Jezus grijpen, maar op Pinksteren grijpt de onheilige verbeelding niets. Pinksteren is te innig, te persoonlijk, te geestelijk, te hoog, te heilig en te fijn. Het vraagt om een hart dat zelf uit den Geest genoot; om een gemoedstoon die zelf trilt van hemelsche verrukking. Wie geen deel heeft aan den Geest, kan geen deel ïiebben aan den Pinksterjubel.

Ook de wereld bedrijft daarom op Pinksteren wel vreugde. Zich geheel onttrekken aan de heilige trilling kan ze niet. De Christelijke traditie werkt zoo machtig na. Maar de wereld grijpt dan haar vreugde in de natuur. Ze vermaakt zich met twijg en blad en bloesem. Zooals men de kinderen in den hof laat spelen, onderwijl vader en moeder zich in zorgvol gesprek over de toekomst verliezen, zoo speelt ook op Pinksteren de nog onherboren wereld in den hof dezer aardsche schepping. Pinksteren is haar te hoog, ze kan er niet bij, ze mist den geestelijken telescoop om de starren aan dit heilig firmament te begluren. En toch wil ze ontspanning, wil ze opheffing uit de gedruktheid des levens. En dan joelt het langs onze straten en op onze heirwegen. En het „dezen zijn vol zoeten wijns", van voor de opperzaal, blijft voor meer dan één schier het eenige, wat hij van ons Pinksteren meemaakt en nabootst.

Pinksteren is het feest van Gods heiligen, van Gods kinderen, van wie door Jezus verlost zijn.

Zelfs uitwendige belijdenis en historisch geloof geeft hier geen aansluiting. Kerstfeest en Paschen kunt ge nog meevieren, al gaan ze buiten u om, maar Pinksteren is het jubelfeest dat om een jubel in uw eigen hart vraagt. Uitgestort de Heilige Geest in de opperzaal, maar neergedaald, ingevloeid ook in u, in u persoonlijk, en uw eigen hart geworden tot een woonstede van God in den Geest.

Deelende aan een ieder, „deelende aan een iegelijk in het bijzonder", gelijkerwijs Hij wil. Niet alzoo iets, dat ver buiten u is omgaan.de, maar iets in u tot stand gekomen. Niet iets gemeenschappelijks, waarin ook gij uw aandeel hebt, maar iets dat een iegelijk in het bijzonder moet hebben, een ieder in zijn mate, op zijn wijs, naar het eisch is van zijn wezen, roeping en bestemming. En dit alles niet naar uw keus of goedvinden, maar u toebedeeld gelijkerwijs Hij, de Heilige Geest zelf, dit wil.

De verbijzondering in ons van wat in Christus éen was, kan niet stelliger, kan niet nadrukkelijker worden uitgesproken. Geen gemeengoed, maar een eigen geestelijk bezit van elk kind van God. Wel geestelijke harmonie, maar geen geestelijk communisme. Het is uw God die u allen ongelijk schiep, om juist in die ongelijkheid zijn veelvuldige wijsheid te doen schitteren, en die nu in den Heiligen Geest tot u komt, om in uw persoonlijk hart dien tempel te zoeken, gelijk geen tweede onder Gods kinderen Hem dien bieden kan. Naar de ongelijkheid van het wezen in God kinderen, daaraan beantwoordende en daarmee overeenkomende is de ongelijkheid van geestelijke bewerking. Aan een iegelijk in het bijzonder, en dat gelijkerwijs Hij wil, niet nu pas, niet naar willekeur, maar in heilige overeenstemming met wat Hij wilde dat gij, in uw bijzonder wezen, als eigen persoon, » onder de kinderen der menschen zoudt zijn.

Ge aanbidt daarom wel het Pinksterwonder in de opperzaal van Sions tempel. Ge geniet wel in de wonderen des Geestes, die u van het historieblad toespreken door wat God in de groote mannen van het verleden geestelijk gewrocht heeft. Ge drinkt wel met volle teugen in wat onder de vromen met wie ge verkeert, u uit dien Geestesschat tegenschittert. Maar uw geestelijk houvast op Pinksteren is en blijft toch wat God aan uw eigen ziel gedaan heeft, de bemoeienis van den Heiligen Geest met uw eigen innerlijk leven.

Dat staat dan wel ook voor u in verband met wat eens te Jerusalem geschied is, in verband ook met de werkingen des Geestes in het voorgeslacht en in uw omgeving, maar het hoog lichtende vuurpunt is en blijft u toch altoos het wonen van den Heiligen Geest in uw eigen hart. Niet bg anderen, maar alleen bij uzelven hebt ge opgevangen het stille fluisteren van den Geest, die inu bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Pinksteren is daarom de herdenking van uw eigen geestelijke levenshistorie, de herdenking van wat er omging tusschen uw God en uw ziel. Hoe Hij u zocht en riep, hoe Hij u vond en aangreep. Hoe Hij u innerlijk vertroost, verrijkt, geheiligd heeft. Oók de herdenkingsdag van de droefheden die gij den Heiligen Geest hebt aangedaan, en hoe uw geest zoo vaak tegen den Heiligen Geest inworstelde, maar dan altoos erbij, hoe in het eind toch weer de Heilige Geest u overwon.

Dit wil niet zeggen, dat de uitstorting van den Heiligen Geest niet ook een zegen bracht voor den kring die zelf nog buiten zijn indaling staat. Gelijk een bloem haar geur uitwasemt, zoo geurt ook de reuke des Heiligen Geestes in breeden kring uit, en vele zijn de duizenden die van deze heerlijke indaling van den Geest, zonder zelf er deel aan te hebben, genoten. Al wat des Geestes is, is niet op te sluiten.

Veeleer overwasemt het alle leven in z^n omtrek met heiligen geur. Maar de geur hangt aan de bloem, en wie die geur in zijn eigen woning wil binnendragen, draagt niet die geur, maar die bloem zelf naar zgn woning. En zoo ook is er voor u dan alleen rijke en duurzame genieting des Geestes, zoo de bloem des Geestes aan de twijgen van uw eigen hart ontlook.

En zoo vraagt Pinksteren u rekenschap, drijft u tot zelfonderzoek uit, en wil dat ge na Pinksteren weer rgker voor uw God zult staan, dan eer Pinksteren intrad. Steeds armer in u zelf, maar elk jaar rijker in uw God.

Wie bij het Pinksteren, dat we nu vieren, dezelfde bleef als bij het Pinksteren van een vorig jaar, is geoordeeld. Een jaar zonder winste, een jaar zonder verrijking van uw ziel met den schat des Geestes uit uw God.

Een vrome opwelling volstaat hier niet.

Deelende aan een iegelijk in het bijzonder, spreekt uit, dat gij niet tevreden moogt zijn met een algemeene opwelling die aller deel is. Het spreekt van een eigen gave aan u. In die gave van eigen roeping. En in die eigen roeping van een eigen eisch, u persoonlijk gesteld, om inuw persoon, in uw leven, in uw werkkring de werken des Geestes te openbaren. Niet altoos in groote, in geruchtmakende, enopzienwekkende daden. Veelmeer in het gewone, dan in het buitengewone valt het Gods kind ten deel, om de macht des Geestes te openbaren. Niet wat de menschen in u opmerkten of van u hoorden, is hier maatstaf. Die allereerst merken op den gloed des Geestes die van u uitstraalt, zijn Gods engelen, het is de Christus als uw hoofd, het is uw God, het is de Heilige Geest zelf, het is, vergeet dit vooral niet, uw eigen geheiligde conscientie, zich uitsprekend in den hoogeren vrede die uw deel werd.

En daarom, hoofdzaak op uw Pinksterfeest is en blijft, of ge voor dit eigen bijzondere werk des Geestes in uw hart een oog kreegt. Of ge niet bleeft hangen in een algemeen besef van heilige gewaarwordingen, maar inzaagt, dat de Geest er niet kan zijn zonder te werken, en dat, gelijk het gekleurde glas de lichtstraal niet kan doorlaten dan het tintend met zijn eigen tint, zoo ook de geestesuitstralingen voor uw ziel niet waar kunnen zijn, tenzij ze uitkomen met den eigen tint van uw persoonlijk zieleleven.

Het is niet maar de Heilige Geest, maar de Heilige Geest in uw ziel, in een iegelijk van u ia het bijzonder. Met eigen worstelingen, met eigen inzinkingen en verheffingen, met eigen verlatenheden en vervullingen, maar altoos uitkomend in overeenstemming met uw eigen aard, karakter en levensstrijd.

Er is in uw gaarde geen bloem in het gemeen. Elke bloem in uw hof is een gev/as van een eigen soort, met eigen blad, met eigen tint, met eigen mengeling van kleuren en geuren. En zoo ook wil de Heilige Geest zich bij u niet in een algemeenheid, maar in de bepaalde bloemsoort van uw eigen ziel verheerlijken. Wat anderen ervoeren baat u niet. Er moet aanbidding van uw God zijn in Geest en Waarheid. Uw geest moet in den Heiligen Geest inleven; niet maar uw gedachte en uw voorstelling, vaaxtuw eigen geest. En de aanbidding van uw geest moet in waarheid zijn. Niet nagebootst, niet afgezien, niet oyergedrukt, maar in waarheid en werkelijkheid uit uw eigen ziel, in den vorm van uw persoonlijk zieleleven opkomend.

Dat dan al Gods kinderen ook op dit Pinksteren aanbidden mochten. Aanbidden, om het onuitsprekelijke van Gods toenaderende ontferming te verheerlijken. Aanbidden, om te danken uit het diepst van hun hart, voor wat God aan hun ziel gedaan heeft. Aanbidden met den innerlijken drang om meer uit den Geest en voor den Geest te leven. En aanbidden niet minder, om in te roepen en om af te smeeken die hulpe en die vertroostingen van den Heiligen Geest, die alleen machtig zijn, om ons met moed en met heilige geestdrift op den pelgrimsweg te doen voortschrijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1907

De Heraut | 4 Pagina's

„Deelende aan een iegelijk gelijkerwijs Nij wil”

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren