GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding

20 minuten leestijd

CXXXIl.

VIERDE REEKS.

XXXIII.

Maar hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is hij verbrijzeld; do straiïe, die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. Jesaja, 53 : 5.

De Zone Gods is door zijn Vleeschwording in gemeenschap getreden met de menschheid. Hij is niet maar ingegaan in onze woonstede, om een afgezonderd bestaan in ons midden te leiden als een vreemdeling, maar hij nam ons vleesch en ons bloed op zoo daadwerkelijke wijze aan, dat hij onzer één wierd, en, onzer een zijnde, is hij ingeleefd in ons menschelijk bestaan en in onzen menschelijken toestand, gelijk die door de zonde geworden was. Reeds het nationaal medegevoel met het lief en leed van het eigen vaderland zegt ons eenigermate wat zulks inheeft. Verkeer tijdelijk in een vreemd land op een oogenblik dat er hooge spanning is, en een oorlog op het uitbreken staat, dan neemt ge opeens een machtig verschijnsel waar, dat u boeit en u belangstelling inboezemt. Ge hoort het in de gesprekken, ge leest het in de nieuwsbladen, ge merkt het uit wat er aangeplakt staat, ja, ge ziet het in het oog en in de gelaatstrekken, dat er een gemeenschappelijk belang van hooger orde is, waar ieder zich mee bezig houdt en vol van is. Gij zelf echter wordt hierdoor niet aangestoken. Het interesseert u wel, maar ge voelt er niet voor mede, het steekt het vuur in uw eigen hart niet aan, het wekt in u geen geestdrift. Ge merkt wel wat er gaande is, maar ge staat er als vreemdeling buiten. Het is u een vreemd schouwspel, dat u wel aandoet, maar u zelf niet meesleept. Doch denk u nu het heel ander geval, dat in uw eigen vaderland zulk een spanning de geesten beroerde, dat uw eigen Vorst of uw eigen land bedreigd was, dat de vrijheid en onafhankelijkheid van uw eigen erve in gevaar verkeerde, en dat alles te hoop liep, om zich, eer het te laat was, te wapenen, zoodat de vlaggen werden uitgestoken, de tuighuizen werden leeggehaald, en van allen kant de gewapende manschap te hoop liep, om zich voor het verweer voor te bereiden, en voelt_ ge dan niet, hoe geheel anders ge er onder zoudt verkeeren? Dan zoudt ge er niet vreemd tegenover staan. Dan zou wat omging in de harten en hoofden, uw eigen zaak zijn. Het zou uw eigen vaderland en volk zijn, dat in gevaar verkeerde. En ongedwongen en van zejf zoudt ge dan warm worden, mee ijveren, vragen wat ge doen kondt om hulpe te bieden, en zoo dan de wapenen werden aangegord, en straks op het slagveld het offer van uw leven werd gevraagd, zoudt ge niet aarzelen, maar moedig en met geestdrift, uw vaderland ten beste, den dood tegengaan, ook al° was het de wreede dood door kwetsing en verwonding. Het verschil tusschen die twee, of ge zulk een toestand van spanning enkel als vreemdeling bijwoont of als zelf vaderlander meê doorleeft, springt derwijs in het oog, dat een ieder het op het eerste hooren zeggen vat, en juist op dit verschil nu moet ge merken, zoo ge het lijden der helsche zielsbenauwing van uw Heiland wilt verstaan.

Jezus was niet maar voor korten tijd hier op deze aarde komen wonen, maar hij was in ons menschelijk geslacht ingegaan. Hij was geen bijwoner die onder ons verkeerde als vreemdeling, maar als Zone Gods Zoon van David geworden, en had uit Maria ons vleesch en bloed aangenomen. Vleesch en bloed, dat afkwam van het vleesch en bloed van Adam, daarna van Noach, toen van Isaï en David, en aldus, de lijn der eeuwen langs, was hij geboren als mensch met ons menschen, als tot ons behoorende, als lid en deel van ons menschelijk geslacht. Hij was niet door zijn denken alleen, of door zijn gevoel en gewaarwording, maar door zijn leven zelf aan ons verbonden. Na de Kribbe van Bethlehem kan niemand meer van ons menschelijk geslacht spreken, of Jezus is er bij. Ge ziet 't dan ook zelf, hoe Jezus Joodsch voelde tegenover de Heidenen. Denk maar aan de Kananeesche vrouw, en aan het gebod dat Jezus aan zijn discipelen gaf, om het Evangelie vooreerst uitsluitend aan Israel te brengen. Na het groote Pinksteren zou dit anders worden, maar tot aan de Hemelvaart toe treedt dit gevoel van aanhoorigheid tot het Joodsche volk bij Jezus zelfs nu en dan zóó sterk 9P den voorgrond, dat wij 't liever anders zouden gewild hebben, en dat het ons, zij 't met. eerbied gezegd, eenigermate bevreemdt. We leggen hier nadruk op, omdat men feil gaat, zoo men dit inleven van den Zone Gods in ons geslacht niet in zijn volle werkelijkheid verstaat. Jezus heeft gevoeld als mensch, geleefd als mensch onder menschen, en hij heeft dit, ter oorzake van zijn geheel eenige positie, gedaan in een mate en op een wijze, die te boven gaat al wat we hier zelf persoonlijk van ondervinden en ervaren. Jezus stond zoo bergenhoog boven ons, en nu is 't immers reeds onder gewone menschen vaste regel, dat hoe hooger iemand staat, hij des te meer met anderen medeleeft en in het geheel inleeft, en dat ieder mensch, hoe meer zijn egoïsme hem alleen voor zichzelf doet gevoelen en zichzelf doet bedoelen, des te lager staat. Ge ziet dit reeds in het stille, kleine gezinsleven. In het gezin leeft de één sterk mêe, voelt ter dege al wat het gezin doormaakt of het aangaat, terwijl de ander er alleen komt slapen en mee middagmaalt. Het eerste uiting van saamleven en van liefde, het tweede het doen van den egoïst. Wat zoo in het gezin geldt, geldt ook in stad of dorp, waar gij woont. Wie hoog staat, leeft mede in de belangen van zijn woonplaats, wie laag staat bekommert er zich niet om en denkt alleen aan zijn eigen huis. En zoo eindelijk is het ook met gewest en vaderland. Een Fries of Zeeuw die voor den Frieschen stam of Zeeuwschen naam niets voelt, leeft laag; wie er warm voor kan worden staat veel hooger, en waar 't het vaderland geldt, tast en beseft een ieder, dat wie als Nederlander niets om zijn vaderland geeft, niet waard is den naam van Nederlander te dragen. Daar nu Jezus in hoogheid van zin, van geest en bedoelen bergenhoog en zeer verre boven ons allen uitsteekt, kan het derhalve niet anders, of dit medeleven, inleven en geheel uitleven van Jezus in al het menschelijke van ons geslacht moet den hoogsten trap hebben bereikt. Het moet een geheel uitleven van Jezus in ons menschelijk leven, en in het leven van ons menschelijk geslacht, zijn geweest.

Is het nu niet alzoo, dat, zoo een gezin den bangen vloek treft, dat een jonge dochter uit dat gezin zich verleiden liet en viel, de teergevoelige moeder of de innig meelijdende vader over dien bitteren slag vaak heftiger ontroerd is dan het schuldige sujet zelf? Pas nu ditzelfde op Jezus en onze menschheid na haar val toe, en is het dan niet verstaanbaar, dat Jezus meer en heftiger over den val van ons geslacht ontroerd was, dan één onzer ? Wij allen zijn medeschuldig. Hij alleen stond er, als volmaakt heilig, geheel buiten. Bij. hem was het eeniglijk het medeleven der liefde met het geslacht dat Hij in zijn vleeschwording had aangenomen, waartoe Hij was ingegaan, en waarvan Hij een lid was geworden. Zelfs moet hier meer gezegd. Juist omdat Jezus als de alleen-heilige, als de eenig zondelooze, lotgemeen met heel ons gevallen geslacht stond, kon niemand als Hij den jammer en de ellende beseffen, waarin ons gevallen geslacht, om der zonde wille, voor zijn God stond. Hoe nader een vader en moeder nabij God leven, hoe inniger leed ze over de zonde hunner kinderen voor Gods aangezicht zullen dragen. Vaak veel meer dan die kinderen zelf. Het zal voorkomen, dat zij er in stilte om weenen, als het balsturige kind er zelf nog om lacht. En dit nu juist was het, wat hier plaats greep in den Messias. Hij de volstrekte heilige, de Zone Gods, de heel ons leven tot op den bodem peilende, voelde en speurde in onze zonde iets'wat geen onzer er ooit in voelen kan, of in voelen zal, t. w. de doodelijke inwerking van het demonisch verlokte hart tegen de heiligheid onzes Go.ds. Daar voelen ook wij wel iets, doch slechts een stukske van, terwijl Jezus het voelde en peilde tot op den diepsten bodem van het leven. Een kind dat jokt, voelt nauwelijks, wat zonde het krenken van de waarheid is, en de vrome moeder die er bijstaat en 't merkt, voelt tienmaal dieper dan haar kind, wat smet die leugen is. En zoo ook is het hier. Wat wij, menschen, ook van de zonde der menschheid voelen, betreuren en bejammeren, het haalt van verre niet bij wat de heilige Jezus, na lid van ons geslacht te zijn geworden, gevoeld moet hebben van al 't geen de zonde als verwoestend beginsel in ons vernield had, en wat beleediging tegenover God den Vader in deze onze zonde spreekt. Lijden wij vaak om de ons zelf aanklevende zonde, en soms meer nog om de zonde die in ons kind de ziel verwoest, Jezus heeft om wat de zonde in ons menschelijk geslaght verdorven en ontheiligd heeft; diep in de ziel en in het verboï'gene van zijn hart geleden, zooals dit bij (; een onzer ooit de ziel doorsnijdt. Wie 'y-r niet in kan komen, die verstaat den H > .iland niet, noch in zijn volstrekte heiligheic! noch in zijn waarachtig mensch-zijn, d. i. in zijn deeluitmaken van ons menschelijk geslacht.

Stel u voor, dat er een beruchte bandietenbende was, die schrik en jammer in heel den omtrek verspreidde, en in schandelijkheid van leven en in wreedheid van exploit alles wat zich denken liet, te boven ging, en denk 't u nu in, dat een edel mensch tot zichzelf zeide: »Ik zal in die bende mij laten opnemen, ik zal met die bandieten gaan leven, en ik zal van binnen-uit op hen zoeken in te werken, om ze over te halen tot een breken met het kwaad en tot het zoeken van een beter existentie", —voelt ge dan niet, hoe die edele vreemdeling veel, veel dieper dan de beste van die bandieten de schuld voor menschen en de schuld voor God zou gevoelen, waarin die jammerlijke bende verzonken was. En zoo toch was het feitelijk, en zelfs in volstrekten zin, hier. Die moordenaarsgroep, dat was ons menschelijk geslacht waartoe Jezus afdaalde, in wier midden hij inging, en in wier leven hij zich liet opnemen. En sprak het dan niet vanzelf, dat Jezus dieper dan ooit eenig zondig menschenkind het gedaan had, de smart der ziele gevoelde over onze zedelijke inzinking en demonischen afval van den Heere onzen God. En hier komt dan nog bij, dat de Zone Gods niet maar als lid der 'menschheid in ons geslacht was ingegaan, maar ons ten Hoofd was geworden. Dat gewichtig punt, waarop de apostel Paulus zoo bijzonderen nadruk legt, als hij tegenover elkander stelt den eersten en den tweeden Adam. De eerste mensch was uit de aarde aardsch, de u.-eede mensch is de Heere uit den hemel. De eerste Adam was geworden tot een levende ziel, de tweede Adam tot een levendmakenden geest. Er is in den Christus een nieuw uitgangspunt gegeven. Sinds Adam was dusver, alle geslachten door, de smet overgeërfd. Niet één was onder de kinderen der menschen deze booze smet ontgaan. Doch hier, en hier alleen, greep de overerving niet plaats. Hier stond niet de medekranke naast den kranke, maar de heilige leefde in in het leven der onheiligen. Hier was een geheel nieuw inzetsel in ons geslacht, een nieuw uitgangspunt, een geheel nieuw gesteld begin. Hier ving een nieuw hoofdstuk der Schepping aan, en gelijk Adam zijn Hoofdschap verzondigd en verbeurd had, zoo werd in Christus hier het nieuwe Hoofd gesteld, dat straks blijken zou schuld en zonde verzoend te hebben in zijn dood, en een nieuwe existentie in een heilig, eeuwig leven te hebben aangevangen, dat van hemzelf uit in ons geslacht kon worden overgeplant.

Kon hier nu tegenover gelden, dat Jezus, als de Volstrekt heilige, dan ook van alle verantwoordelijkheid voor de zonde van ons geslacht vrij was, zoo zou Golgotha geen zin hebben, doch dan zou er van een wezenlijk ingaan in ons leven bij Jezus ook geen sprake kunnen zijn. Hij zou dan buiten ons zijn gebleven. Hij zou dan onder ons apart hebben gestaan. Hij op zichzelf en wij op onszelf, elk met zijn eigen deel ter verantwoording. Maar juist dit is het, wat de waarachtige Vleeschwoording ten eenenmale uitsluit. In die Vleeschwording uit zich de hoogst denkbare, de innigste liefde. Ze was een met geheel zijn Persoon ingaan in ons leven, in onze existentie, als onzer één, . een deelgenoot van ons aanzijn worden. En gelijk men nu in een vennootschap of firma niet kan ingaan zonder deelgenoot van schade en winste te worden, en in geen ziekenhuis als verpleger kan optreden zonder aan smet en physieke vergiftiging te zijn blootgesteld, zoo kon er, in veel hooger zin nog, voor Jezus van geen ingaan in ons leven, van geen deelgenoot worden in ons menschelijke existentie, van geen lid en hoofd van ons geslacht worden, sprake zijn, of de liefde die tot dit ingaan in ons leven drong, moest vanzelf, natuurlijk en noodzakelijk, de innigste gemeenschap tot stand brengen, zoodart wat onzer was, zijns werd, opdat wat zijns was onzer zou worden. Ware dit alles nu in staat van onbewustheid toegegaan, zoo zou men nog zeggen kunnen, dat deze verhouding van deelgenootschap en verantwoordelijkheid er wel uit werd en voortsproot, maar niet bedoeld was; doch ook dit is uitgesloten. De Zone Gode, die in de gestaltenisse Gods was, kende vanzelf den toestand waarin ons in zonde gevallen geslacht op deze aarde verkeerde, door en. door, tot op den bodem. Niets daarvan kon H^m ver­ borgen zijn, en als tweede Persoon in de Drieëenheid moet de Zoon, met den Vader en den Heiligen Geest, en even helder en diep als beiden, het doemwaardige gevoeld en gekend hebben, dat in den afval van het heilige onder menschen was uitgebroken. Door desniettemin de Vleeschwording te aanvaarden, en in ons leven in te gaan, sprak zich alzoo in den Zoon uit de alles te bovengaande liefde, om, in v/eerwil van dien doem, door zelfopoffering en toewijding, al wat nog redbaar was uit die menschheid te redden. Een liefde die voor niets terugdeinsde. Een liefde, die zv: \a, é\.lgehcd geven wilde. Zóó geven, dat Hij, de Zone Gods, zich als onzer één in het zondig lichaam van ons menschelijk geslacht liet opnemen, en zulks niet als er bijkomend, maar als er zelftoehoorend. Zoo zelfs dat 't een oogenblik schijnen kon, alsof de Heilige God in den zondigen stroom van ons menschelijk leven verdween.

Juist hierom is er steeds zoo volle nadruk op gelegd, dat de Zone Gods, door zijn Vleeschwording, lotgemeen met ons geworden is van de kribbe van Bethlehem af. Hij heeft niet eerst 33 jaren in hemelsche vreugde en in Paradijsweelde verkeerd, om eerst aan het eind van zijn leven het Kruis op zich te nemen, maar hij heeft, heel anders, »den ganschen tijd zijns levens" geleden, en wel zoo geleden, dat hij »den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts beide aan zijn lichaam en aan zijn ziel gedragen heeft." Onze Catechismus zegt 't zoo juist, en drukt het zoo omstandig uit. Doch wat is nu ook hier het opmerkelijke? Dit, dat het lijden naar het lichaam »«/ de dagen zijns levens" niet kan gezegd worden in de diepste uitwendige ellende verzonken te zijn. We lezen met geen woord, datjezus geleden heeft aan physieke krankheden, die zoo velen onder de kinderen der menschen reeds van der jeugd af vervolgen, hen vaak verwonden en verminken, en tot aan hun sterven toe ongelukkig maken. Zeker, Jezus had geen eigen bezit in goed of geld. »De vossen hadden holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen had niets waar hij 't hoofd zou nederleggen«. Maar dit nam niet weg, dat aanzienlijke personen hem dienden van hun goederen, en dat er alzoo van gebrek in eigenlijken zin geen sprake kon zijn. En wel is hij bespied en belaagd, en werden soms plannen van sluipmoord tegen Jezus gesmeed, maar ook dit alles kon Jezus ontwijken. Natuurlijk moet hier dan ook een heel andere maatstaf worden aangelegd, en moet ge u afvragen, welke de heerlijkheid was, die de Christus vóór zijn Vleeschwording genoot, en welke de povere staat des levens was, waartoe hij op aarde afdaalde, en dan verstaat ge het, hoezeer hij arm werd opdat hij ons zou verrijken. Maar hoe volle waar dit ook zij, toch mag niet beweerd, dat Jezus Hchamelijk deze 33 jaren lang een jammer en ellende geleden heeft, die alle menschelijke ellende te boven gaat. Daarom is het ook zoo volkomen juist, dat onze Gereformeerde vaderen zeer terecht er nadruk op hebben gelegd, dat Jezus volstrekt, niet enkel naar het lichaam, maar veel meer zelfs nog naar de ziel al de dagen zijns levens, en, in 't eind, op en na Golgotha, den vloek der zonde gedragen heeft, en mag, zoo men hier aan toekomt, nog volstrekt niet in het uitblazen van den laatsten adem op 't Kruis, maar moet veeleer in de helsche smarten die hij geestelijk in zijn sterven doorzwoegd heeft, de volle beteekenis gezocht van de offerande, die hij voor ons volbracht heeft. Doch juist dit nu doet men te niet, en maakt men ondenkbaar, zoo men Jezus buiten den last onzer zonden plaatst, en het voorstelt alsof hij alleen door en in zijn denken, d. i. in zijn beschouwing, zich met dien last onzer zonde had bezig gehouden, en er niet daadwerkelijk onder werd neergebogen. Jezus heeft, heilig als hij was, door de gemeenschap der liefde, waarmee hij in onze existentie inging, den last en den vloek onzer zonden gevoeld, ontwaard en gedragen als een uiting van Gods toorn, die tegen hem zelf uitging, omdat hijzelf onze existentie aanvaard had, het deelgenootschap ervan op zich had genomen, en alzoo voor zijn eigen besef er de verantwoordelijkheid van mededroeg. Sterker nog, die verantwoordelijkheid voelde de Christus, juist ter oorzake van zijn volstrekte heiligheid, en als ons Hoofd, op een zoodanige wijze als niemand onder de kinderen der menschen ze had kunnen dragen. Hij voor allen. Hij in voktrekten zin en in volle mate alleen.

Daardoor is de Chri.stus ten slotte in doodelijke botsing gekomen met het Sanhedrin en den Landvoogd, en dit heeft tot zijn gewelddadigen dood geleid. Het Sanhedrin en Rome's Keizerlijke scepter wezen op twee machten, die van Godswege waren ingesteld om de onheiligheid van het menschelijk leven in toom te houden. Heersche hierover geen misverstand. Ongetwijfeld was het Sanhedrin verre afgedoold en at het zichzelf aan het vonnis van Jezus den dood. Doch dit verschijnsel komt in de historie telkens voor. Van geen troon of geen gezag is in de historie sprake, of telkens weer blijkt van misbruik en ontaarding. Toch doet zulk misbruik volstrekt niet aanstonds zulk een gezag te niet, en blijft veeleer, tenzij 't tegen God in gaat, onderwerping en gehoorzaamheid des burgers plicht. Hoe nu oordeelde Jezus zelf ten opzichte van het Sanhedrin ? Beschouwde Jezus het Sanhedrin als een vervallen macht, waaraan niemand zich meer te storen had? In het minst niet. Veeleer sprak Jezus het onverholen, nog kort eer hij sterven ging, uit: »De Schriftgeleerden en Farizeën zijn gezeten op den stoel van Moses, daarom al wat zij u zeggen, dat ge houden zult, houdt dat en doet het." Beslister kon het niet worden uitgesproken, dat het Sanhedrin in Israel ook destijds de van Godswege heerschende macht was. De stoel van Mozes was de officieele eeretitel voor den zetel van het geestelijk in Israel heerschende gezag. Hoe fel Jezus dit Sanhedrin dan ook in zijn geveinsdheid aanviel en zijn val voorspelde, dit alles neemt niet weg, dat het Sanhedrin een macht en een gezag uitoefende, dat op zichzelf wettig was. En geheel hetzelfde gold temporeel van Pontius Pilatus, als Rome's landvoogd, en derhalve als Vertegenwoordiger van den Romeinschen Keizerscepter.^ Ook hierover toch heeft de Heere Jezus zich met zoovele v/oorden uitgesproken, toen hij tot Pilatus zeide: »Gij zoudt geen macht tegen mij hebben, zoo ze u niet van Boven gegeven ware". Ook hier alzoo van de zijde van Jezus volledige erkenning van het gezag Gods, dat in deze macht tot uiting kwam; iets waar met te meer nadruk op te wijzen is, wijl het in hooge mate opmerkelijk is, dat Jezus in die ure van hooge spanning zich over beide, èn over het Sanhedrin èn over Pontius Pilatus, met zooveel ernst en beslistheid heeft uitgesproken. Beide, èn deze geestelijk èn deze temporeele macht, waren ingesteld om de ongebondenheid die uit de" zonde opkomt, in bedwang te houden ; en tegen deze beide nu heeft Jezus zich principieel verzet; hun .macht, waarin de vloek sprak, heeft hij niet zijdelings, maar rechtstreeks aangetast, en ze door de macht die hij zelf in zich droeg, gebroken. In die macht sprak zich de vloek uit. In het aanvaarden van het vonnis dezer machten, en in het ondergaan van haar vonnis, heeft Jezus den vloek op zich genomen; en zoo is de nieuwe macht van het Koninkrijk der hemelen, waarin hij als Koning heerschen zou, voor hemel en aarde vastgezet.

Doch juist om daartoe te geraken, moest het nu met Jezus aan het Kruis en den dood in, niet als een doorgang ten eeuwigen leven, maar om in dit sterven al de bitterheid van den Dood uit te drinken, ook lichamelijk in het vergieten van zijn bloed, maar toch evenzeer geestelijk in het smaken van de bitterheid des Doods als uiting van Gods heiligen toorn, en hierin nu overkwamen hem de helsche smarten. Niet, het behoeft niet gezegd, uit wroeging en uit de bitterheid des berouws, noch uit de ervaring van den vloek over eigen schuld en zonde. Die was er niet, en kon er niet zijn. Maar wel door de schuld en zonde en door de verderving, die op heel ons menschelijk geslacht rustte, en die hij i> als zijn eigen" aanvaard had. Hierin was de liefde, dat hij niet de menschheid redde door een uitwendig redmiddel, maar door zichzelf zoo volkomen te geven, en de menschheid zoo volkomen in zijn hart op te nemen, dat hij hetgeen der menschheid was, voelde of 't zijn eigen ware, om alzoo wat zijn eigen was, aan de menschheid te kunnen geven. De menschheid zelve had het berouw en de zielswroeging over eigen zonde en schuld nooit ter helfte gevoeld, ja, niet voor een honderdste deel. Eens zou ze dit gevoelen, maar dan eeuwiglijk in de verdoemenis. Zij zelve kon dit nog niet doen, omdat ze er te zondig voor was. Maar Jezus, de heilige, kon het, en hij deed het, hij trok zich de wroeging der wereld als de zijne aan. Hij onderging ze, hij leed er onder bij het ingaan in den dood. En toen dit bange en bittere gevoel van zielskwelling en wroeging hem verteerde in zijn sterven, toen heeft hij den vloek in zich voelen dringen, en toen heeft hij 't Eli Lama Sabachtani uitgeroepen. Toen was het de zonde en de schuld van de menschheidi waar-

onder hij, ze als eigen schuld en zonde op zich nemende, in de verlatenheid van zijn God metterdaad gezwoegd heeft. Toen voelde de Heiland het leven als uit zich wegrukken, en zich zelf wegzinken in de diepten des doods. Dit nu is de helsche smarte geweest, die ons in eindelooze aanbidding tot onzen Heiland doet opzien, wijl het hier immers was, dat hij van ons den vloek heeft afgewenteld. Hij doorstond, wat ons voor eeuwig zou verdorven hebben. En op dat dragen van den vloek in deze helsche smarte, weer vollen nadruk te hebben gelegd, is de nieuwe bezieling die in de belijdenis van den dood van Christus ook onder ons is uitgegaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken