GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Geef den Heere de eere zijns Naams”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Geef den Heere de eere zijns Naams”.

6 minuten leestijd

Geeft den HEERE de eere zijns naams; aanbidt denHEERE in de heerlijkheid des heiligdoms. Psalm 29:2.

De openbaring onzes Gods viel onder Sem's afstammelingen, niet onder de nakomelingen van Japheth, waartoe wij behooren. Dit maakt dat w^ij 't Woord Gods niet anders dan in vertaling kennen. Voor ons, in ons goede vaderland, kent de groote menigte zelfs niet anders dan de overzetting in onze eigen taal.

Doch. denk nu niet, dat we door die overzetting in onze eigen taal geheel gelijken indruk ontvangen, als een aposteC. en vooral een Paulus.

Voor de Openbaring koos God het Oosten, niet het Westen uit, en dit maakte vanzelf dat ze aan een taal uit het Oosten gebonden is. Zelfs in het Nieuwe Testament hebben we geen tekst, die te Athene in zuiver. Grieksch opkwam, maar Evangelische Brieven opgesteld in een taal met sterk Oosterschen bysmaak.

Ongetwijfeld staan wij Westerlingen hierin bij de Christenen uit het Oosten ten achter. Wat voor hen van zelf spreekt, is iets waarin wij dikwijls eerst moeten inleven, om er ons naar te voegen.

Catechisatie, Prediking en Lectuur moet hierbij dienst doen, om er ons in te leiden, en zelfs kan gezegd, dat wat men gemeenlijk »de tale Kanaaans* noemt, niet anders is dan een wereld van gedachten en een wijze van uitdrukking, waarin op ons denken, voorstellen en spreken een Ocstersch stempel werd afgedrukt.

Steeds zint en doelt dan ook een luisterend kind Gods er op, om in die taal van het Oosten thuis te geraken. Hoe meer hij toch in die taal inleeft, hoe rijker hem de Schrift wordt, en hoe klaarder hij Gods Woord verstaat.

Vooral bij twee uitdrukkingen komt dit sterk uit, t. w. bij 't gebruik van de uitdrukkingen Woord en Naam. Het Woord beteekent in de Schrift volstrekt niet altoos een uitgesproken klank, maar kan evenzoo een van God uitgaande kracht beduiden. En zoo nu ook beduidt naam geenszins, gelijk bij ons, steeds de klank waarmede men iemand noemt, maar is de Naam Gods gedurig wat aan leven en levensbezieling uit God den mensch toevloeit.

En hoe moeilijk het nu ook voor ons, Westerlingen, is om dit klaar te beseffen, toch is het voor recht verstand van het Heilige stellige eisch, dat we ons hier indenken. Anders toch misleidt ons, wa we bij 't lezen op zijn Nederlandsch verstaan.

De sNaam Gpds« is het uitspreeksel van Gods Wezen, dat ons in mensch'elijken vorm toekomt.

Vondel zong het zoo naar waarheid, dat we Gods Wezen nooit kennen zullen:

Wie is 't die zoo hoog gezeten, Zoo diep in 't grondelooze licht Van tijd noch eeuwigheid gemeten, Noch ronden zonder tegenwicht Zich zelf bestaat, en niemand nader!

Niet weinige onzer oud-Gereformeerde - Godgeleerden gingen hier zelfs nog verder, en kwamen er ten slotte toe, om van den Eeuwige te spreken als van een Wezen, waarvan ons alle benaderende kennis Izelfs ontbreekt. Ja, er zijn reeds van ouds theologen geweest, die 't nog 't klaarst vonden, om te belijden, dat God een Niet-wezen is, een Mê On, om aldus uit te drukken, dat zelfs wat wij »Wezen« noemen, ons nog nimmer ten volle uitdrukt, wat het innerlijk Zijn van God zelf is.

Het is zoo, wij zijn geschapen naar 't beeld en zelfs naar de gelijkenisse Gods, maar toch is nooit, als we ons zoo mogen uitdrukken, de geheele God, de God in zijn volheid, de God in zijn alomvattendheid uitgedrukt.

Ons besef, ons denken, ons voorstellen is, zoo we 't vergelijken met wat 't zelfbewustzijn van God moet zijn, zoo niets en zoo nietig, dat we, een mier ziende kruipen, en tegelijk een organist hoorende spelen, er niet in kunnen komen, hoe dat nu steeds dezelfde, eeuwige God is, die het neerzetten van elke poot dier mier, elk aanraken van de toetsen op het orgel, en elk opvangen van beeld en geluid in ons oog en oor werkt, leidt en omzet.

Het blijft ons al te gader een oceaan van onoplosbare raadselen.

God is zoo groot en wij begrijpen Hem niet.

Doch nu is dit het ondoorgrondelijke wonder van Gods toenadering en van zijn barmhartigheid, dat, zooals wij een klein kindeken iets beduiden, zoo ook God de Heere uit louter genade ons door allerlei teekenen en aanduidingen nu dit, dan dat van zijn verborgen Wezen ontwaren laat.

God is geen voorwerp van onze waarneming, maar God zelf laat zich door ons ontwaren, en wel zoo, dat we de ééne maal dit, de andere maal weer iets anders in den Eeuwige ontwaren, en zoo allengs en van lieverlede, nog wel zeer van verre, maar dan toch naar onze nood en behoefte, zeker inzicht in het mysterie krijgen waarin Gods verborgenheid voor ons schuilt.

Daarbij nu ontwaren we de ééne maal dit, en de andere maal dat van Gods Majesteit, en in die afzonderlijke ontdekkingen spreekt zich dan gedurig weer een andere naam uit.

Alleen verstaan we dit nu niet meer op onze menschelijke manier.

Dat van zichzelf iets uitspreken toch, opdat wij er in leven zouden, is bij God niet een klank, maar een wezenlijke kracht, en dit alles saam vormt den Naam Gods." En zoo genomen nu is i> de .Naam des Heeren« de reëele volheid van mogendheden en uitstralingen, waarmede Jehovah zich in wat Hij zijn zal, zich te onswaart keert.

Daarom drukt die Naam riog allerminst geheel Gods Wezen uit. Er is veel, veel meer in den Almachtige dan wij ooit in ons opnemen kunnen, hoe ver de ontwikkeling van ons geslacht ook voortga. Ee^st in het Eeuwige zullen we »kennen, gelijk wij gekend zijn-"

Natuurlijk, 'als er staat, dat een profeef in den naam des Heeren optreedt, beduidt dit alleen dat Jehovah hem gezonden heeft, juist zooals wij ook zeggen dat een rechter recht spreekt in den naam der Koningin. Maar als het heet: »Geeft den HEERE de eere zijns Naams", dan stelt dit ons den eisch, dat we de volmaaktheden, de eigenschappen, de krachten Gods, kortom alle uitvloeiing van zijn Almacht en Genade, voor zoover die voor ons waarneembaar zijn, en dus een menschelijken naam dragen, dankend verheerlijken zullen.

»Uw Naam, heet 't bij Micha, ziet het Wezen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juli 1916

De Heraut | 2 Pagina's

„Geef den Heere de eere zijns Naams”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juli 1916

De Heraut | 2 Pagina's