GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Leestafel.

9 minuten leestijd

DR. H. H. KUYPER, hoogleeraar aan de V. U te Arasterdam, DE AARDE HET MIDDELPUNT VAN HET HEELAL.

I.

In de brochurenreeks SCHILD EN PIJL, uitgave van J, H. Kok te Kampen, en die bedoelt het verdedigen der in. de H. Schrift geopeiibaarde waarheid en de bestrijding van de vijanden der Christelijke v/ereld-en levensbeschouwing, krc-eg deze studie van 79 bladzijden, als Aflevering 8 en 9, van den jaargang 1918, een onderdak.

Met haar in hun tijdschnfc optenemen hebben de heeren Redacteuren GROSHEIDE, DE MOOR en WIELENGA weer een bijzondere gelukkige keuze gedaan, want zij beantwoordt ten volle aan de bedoeling van SCHILD en PIJL.

Om dit laatste te doen uitkomen zal ik hier een overzicht van den inhoud geven. Daarbij zal dan tevens duidelijk worden, in welken zin de ietwat dubbelzinnige uitdrukking ide aarde het middelpunt van het heelal" door PROF. KUYPER gemeend is.

Als Gereformeerde, uitgaande van onze Belijdenis, »dat God alle dingen geschapen heeft en onderhoudt om den mensch te dienen^ ten einde dat de mensch zijn God aiene" (Art. XII), welke belijdenis in overeenstemmiiig is met de Schrift, begint DR. KUYPER in zijn 'Ie deel met er op te wijzen, dat dit dienen ook geldt voor de sterrenwereld. Iets waaruit dan volgt, »dat God m zijn schepping deze aarde met den mensch als middelpunt in het heelal heeft gesteld", waarbij wij dan bepaaldelijk hebben te denken aan wa KUYPER elders in zijn studie noemt het sterrenheelal. Als gereformeerd theoloog wijst hij er dan tevens op, dat ook in het eeuwig raadsbesluit Gods de aarde en de daarop wonende menschheid een centrale plaats inneemt. Verder in zijn eerste deel heefi hij het dan over de verandering van ons wereldbeeld sedert het astronomisch stelsel van PTOLOMEÜS door dat van COPERNICUS, waarvan ook hij de juistheid erkent, is vervangen en waardoor wij. onze aarde thans bezien in stee van astronomisch middelpunt, als een der planeten, en zelfs niet een der grootste, die zich om onze zon bewegen.

In verband hiermede komt hy dan tot de, na COPERNICUS door sommige geleerden en voor-, al door FONTENELLE in (1686) gewaagde onderstelling, dat niet alleen ónze planeet, maar ook andere planeten, wijl als door zonnen verlicht, bewoonde werelden zijn. Een onderstelling, die nog gesterkt werd sedert DARWIN'S hypothese der mechanische revolutie ook op de sterrenwereld, werd toegepast; men op de planeet MAKS z.g. > kanalen" meende te hebben ontdekt; en die. in onzen tijd door de ASTRONOMIE POPULAIRE van FLAMMARION schier tot een dogma is geworden. Esn dogma waarop de hedendaagsche THEOSOPHIE, deze herleving van Oud-Indisch heidendom, en het SPIRITISME, dat erger zenuwgif dan alkohol, gaarne voortbouwt.

En zoo is er dan, voorzoover de onderstelling van »meerdere door menschen bewoonde werelden" ook onder Christenen doordrong vaak een conflict, een botsing in hun bewustzijn ontstaan tusschen geloof en wetenschap.

'n Antithese waarbij geen synthese mogelijk is.

Voor velen toch is, zooals KUYPEB schrijft:

»Het Bijbelgeloof aan een aarde, die het middelpunt van het heelal is, reeds lang verouderd en door de wetenschap weerlegd".

De bedoeling met zijn geschrift is nu, „dit Bijbelgeloof voor de vierschaar van de wetenschap te rechtvaardigen", (p. 10).

Alvorens hier echter toe overtegaan, laat hij in dit zijn eerste deel een drietal opmerkingen voorafgaan.

De eerste opmerking is, dat men moet onderscheiden tusschen de FEITEN, die de wetenschap als vrucht van waarnemitig aan het licht heeft gebracht, en ae onderstellingen of HYPOTHESEN welke dienen om deze feiten te verklaren.

Tot die feiten, welke ook voor hem vast staan, rekent hij dan, dat de aarde niec het astrenomisch middelpunt is van het heelal, maar een der planeten die om de zon wentelen, en dat de zon zelf weer een der vele sterren is, waarvan menigeen haar in glans overtreft.

Deze FEITEN acht hij allerminst in strijd met de Schrift. Wel heeft men dit aanvankelijk gemeend, > toen men de Schrift te veel als een handboek voor astronomie beschouwde, wat ze zeker niet is" p. 11. Maar dit berust op een misverstand. »Poëtische schilderingen als in het boek Job en "Psalmen mag men evenmin in letterlijken zin opvatten, als op grond van andere teksten, zooals Jozua 10 : 12 en 13 en Jesaja 38 : 8, (hier op p. 11 sloop bij deze teksten een drukfout in, en kwam er te staan Joz. 10 : 11 en Jes. 35 : 10) beweren, dat volgens de Schrift de aarde stil staat en de zon om haar draait, en daarom het zoogenaamde Coperüicaaansche stelsel met de Schrift in strijd is." Onomwonden erkent DR. KUYPER dan ook, dat dit „de Schrift als een wetenschappelijk handboek beschouwen, om onze astronomische verhouding der sterren te leeren kennen, " „de fout is geweest waaraan niet alleen de Roomsche Kerk, maar evengoed een LUTHER en een MELANCHTHON en ook onze eigen vaderen, zooals bijv. een VOETIUS en een h. BRAKSL, zich schuldig hebben gemaakt." En hij voegt er aan toe, dat de Schrift is de openbaring Gods tot onze zaligheid en zij, voor zoover zij zich uitlaat over astronomische verhoudingen, > dit doet in de rnénschelijke taal, naar de mate der kennis die destijds bij de menschen gevonden wordt, en in de voorstellingen aan het naief realisme ontleend, dat de dingen meent werkelijk te zijn, zooals wij ze zien". Iets waarvoor hij dan, onder meer, verwijst naar Hand. 27:27 „het land dat naderde". Van een strijd tusschen wetenschap en Schriftgeloof is, alzoo besluit hij, tusschen de feiten der, eene en de openbaring der atndere geen sprake.

Anders staat het met de hypothesen der wetenschap en de Schrift. En "tet deze hypothesen rekent hij dan, „dat de voorstelling der Schrift, dat God alleen op deze aarde een menschelijk geslacht schiep, onjnst is, omdat er vele bewoonde werelden in het heelal zijn." (p. 12).

Van een vaststaand resultaat van wetenschappelijk onderzoek is, zooals de auteur hier beweert en later aantoont, althans tot dusver, echter geen sprake.

De tweede opmerking is, DAT HEEL DE SCHEPPING ONI~ONS HEEN ONS PSEDIKT, DAT DE INNERLIJKE EN GEESTELIJKF, WAARDIJ DER DINGEN JUIST NIET BEPAALD WORDT DOOR DE MASSALITEIT VAN HUN GEWICHT OF DE GROOTTE VAN HUN OMVANG, MAAE. DAARMEDE VEELEER IN OMGE­ KEERDE VERHOUDING STAAT. Deze Opmerking staat in verband met de hypothese dat, wijl 'het een feit is, dat de aarde niet het astronomisch middelpunt van het sterrenheelal is, zij daarom ook niet de eenig bewoonbare ster zou zijn.

Met tal van voorbeelden, ontnomen aan de an-organische natuur, de dierenwereld en de menschenwereld, wordt dan de omgekeerde verhouding tusschen materieele massaUteit en geestelijke waarde aangetoond en die verhouding toegepast ook op de sterrenwereld.

Zich vooralsnog beperkend tot ons zonnestelsel, verwijst KUYPER naar het feit, dat niet op de zon, maar alleen op de aarde gevonden wordt dat hoogere, rijk leven, dat in plant en dier zich openbaart en \n. den mensch zijn hoogste voltooiing vindt." «Niet de aard is erom de zon, maar de zon is er om de aarde. Zij dient om op deze aarde, door licht en warmte, het leven mogelijk te maken», p. 17. En daarmee is aangetoond, dat onze aarde wel niet het astronomische, maar toch het geestelijk middelpunt is en, wijl het geestelijke zooveel hooger waarde heeft dan het stofi'^lijke, de meerdere is.

De auteur voorziet hier echter een bedenking en wel deze:

Al is ook aangetoond voor óns zonnestelsel, dat het geestelijk middelpunt op de aarde ligt en onze zon haar doel vindt in de aarde en in het op die aarde wonend menschelijk geslacht, toch geldt dit nog niet van andere zonnesterren en dewijl de meeste van deze zonnesterren zoover van ons afstaan, dat ze met onze aarde in geen het minste verband kunnen staan, is de gedachte, dat deze sterren geschapen zouden zijn om de aarde en de op deze aarde wonende menschheid te dienen, al te dwaas !

Deze bedenking geeft hem dan aanleiding tot zijn derde en laatste opmerking, dat eenerzijds de Schrift ons ongetwijfeld leert, dat niet alleen onze zon maar ook de andere sterren aoor God t gegeven zijn om den mensch (Gen. I : lif.) en anderzijds de bewering, dat aéze sterren voor ons geheel DOELLOOS zouden wezen, nu ook gebleken is niet juist te zijn.

Du laatste wordt dan nader aangetoond, nadat vooraf nog weer onverholen wordt erkend, dat vroeger het verband tusschen ons en de sterren overdreven werd. Iets waarbij zoowel het »Fatum astrale" als het in een > zonsverduistering" oi • het verschijnen van 'n komeet" voorboden van oorlog of pestilentie zien, als »dwaas bijgeloof" wordt gesignaleerd.

Dan, al mag men dit verband niet overdrijven, dat er een verband is tusschen ons en de sterrenwereld, is zeker, en daarvcor verwijst PROF. KUYPER dan naar drieërlei. Vooreerst naar het aesihetische doel, dan naar het chronologische, en eindelijk naar het praktische of het op het handelen, bepaaldelijk ^K de zeevaart betreft, betrekking hebbend doel dat de sterrenwereld voor ons heeft.

Dit drieërlei doel raakt echter slechts het zijdelingsche nut, dat de mensch uit de beschouwing van de sterrenwereld trekt. Maar niet worde verzuimd te wijzen op den rechtstreekschen invloed dien de sterren op onze aarde, als woonplaats van den mensch, hebben.

En daartoe wordt dan verwezen naar de jongste ontdekkingen op het gebied van het licht, waardoor gebleken is, dat het niet alleen dient om waimte te verspreiden, maar ook om de chemische werking, die er van uitgaat. Een chemische werking, die niet alleen uitgaat van \oor ons oog waarneembare, maar ook van voor ons oog onwaarneembare lichtstralen. Een chemische werking die negatief \s, bij haar dooden van bacteriën en bacillgn, maar ook positief bij het zich assimimileeren óf in zich opnemen van an-organische stoffen door de planten, en welke an-organische stoffen eerst düs opgenomen door de planten, tot voedsel kunnen dienen van dier en mensch.

Met gegevens ontleend aan WALLACE'S MANS PLACE IN THE UNIVERSE, komt DR. KUYPER dan tot het resultaat, dat „zonder plantengroei mensch noch dier zouden kunnen leven en hoe voor het plantenleven het licht onontbeerlijk is, " en alzoo de voorstelling, alsof de aarde alleen in verband zou staan met ons zonnestelsel, maair de sterrenhemel daarbuiten voor haar geen doel zou hebben, onhoudbaar is gebleken." (p. 22 en 25).

Met een waarschuwing tegen die valsche teleologie, waarbij de mensch eenzijdig gesteld wordt als het doel waarop alles betrekking heeft, en ook vergeten wordt dat de eere Gods het einddoel van Zijn Schepping is, wordt dit eerste deel van de studie besloten, (p. 27).

'n Studie, die, al is zij ook niet van een vakman, 'vrucht is van nauwkeurige kennisneming der nieuwste vakliteratuur, en daarbij, zooals van dezen historicus ook niet anders te verwachten was, blijken gevend van wetenschappelijke eerlijkheid, 'n Studie voor velen ook onder ons, en ik denk weer aan de jongeren, tot sterking van hun Schriftgeloof van zoo groote importantie, dat ik haar met hartelijke sympathie hier een ietwat uitvoerige bespreking ten volle waard acht.

Daarom over haar tweede en derde deel een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren