Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 36
Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit
28
was metterdaad een regeeringsvorm, of beter nog wellicht, betrof den persoon van het souverein gezag. Met scherpen trek wordt dit door Witsius geteekend in het aangehaald vertoog. Meer principieel dan Saalschütz ziet hij niet de theocratie in de wet, maar veeleer keert hij de verhouding om. Er was niet eene theocratie, dewijl de Heere zelf op zoo bijzondere wijze het leven geregeld had, maar Hij deed dit, omdat aan Israël de theocratie geschonken was. De wetgevende macht is een deel, eene uiting van het souverein gezag. „De uitvoerende macht berust bij den 1 Koning." Dus luidt art. 55 onzer Gf-rondwet. Natuurlijk. Elke kluit van den akker behoort den eigenaar van het geheel. „De wetgevende macht", zoo zegt onze Grondwet voorts (art. 109), „wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend." Wat beteekent dit? Ook in regeeringsstukken vindt men soms zelfs de Staten-Generaal alleen als wetgevende macht voorgesteld, zonder dat men gedwongen wordt aanstonds aan een drukfeil of de onhandigheid van een dommen klerk te denken. Toch is dit erger fout dan een vergissing in des Konings naam, hoezeer men, kwam dit eens voor, daarover wellicht juist zeer ontsteld zou zijn. Zijn de Staten-Generaal de wetgevende macht, dan zijn zij souverein, en is de Koning het niet. Ja, ook de voorstelling van eene met de Kamers gedeelde wetgevende macht kan niet worden gedoogd. Hebben zij deel in die macht, dan ook in het souverein gezag. Want daarin aUermeest openbaart zich dit. De Koning is souverein, en daarom komt hem alleen en onverdeeld de macht van wetgeving toe, al is hij bij de uitoefening daarvan beperkt, dat hij geen wetten geeft dan door het orgaan des volks ook worden goedgevonden. Omdat de Heere Koning over Israël was, moest Hij zijn wet dus geven. Opmerkenswaard is het dan ook, gelijk Michaëlis zegt, hoe" het recht daartoe niet hieruit afgeleid wordt, dat de Heere de Schepper van hemel en aarde is, maar uit de bevrijding van zijn volk, als het in Egypte was, en het inbrengen in Kanaan. „Wanneer uw zoon u, morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de Heere, onze God, uheden geboden heeft? / „Zoo zult gij tot uwen zoon zeggen: Wij waren dJBnstknechten ƒ van Farao in Egjrpte; maar de Heere heeft ons door eene sterke / hand uit Egypte uitgevoerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's