Mozaïsch en Romeinsch recht : eene vergelijkende rechtsstudie - pagina 54
Rede, gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit
46 „Grij zult ook eenen os, of klein vee, hem en zijn jong, op éénen dag niet slachten." (Lev. XXII: 28) „Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zoo zal die zeven dagen onder zijne moeder zijn; daarna, van den achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande des vuuroffers den Heere." (Lev. XXTT: 27) Wie een vogelnest met jongen of eieren vindt, en de moeder daarop zit, zoo zal deze ganschelijk vrijgelaten worden, en zullen alleen de jongen worden genomen. (Leut. XXII: 6 en 7) Ja, opmerking verdient het, hoe dit voorschrift wordt aangedrongen met de woorden „opdat het u welga, en gij de dagen verlengt." De belofte van het vijfde gebod wordt hier herhaald, als vingerwijzing, tevens, hoe ook onder de dierenwereld van den band der afstamming iets gevoeld wordt, en dit gevoel aanspraak op verschooning heeft. Doch niet alleen tegenover het dier zal barmhartigheid worden betracht. Veel meer nog, gelijk de Schrift zelve dit met betrekking tot den dorschenden os verklaart, geldt zulks ten aanzien van den mensch. Schier ontelbaar zijn de plaatsen, waar de plicht tot mededoogen jegens weduwe en wees, den arme en den vreemdeling, aan het volk wordt voorgehouden. En niet alleen wordt op die wijze een zedelijk voorschrift gegeven, maar ook wordt hier en daar de uitoefening van het recht ter wiUe der barmhartigheid binnen zekere grenzen teruggedrongen. Zoo treffend komt dit uit in de verhouding van schuldeischer en schuldenaar; en dit te meer, wijl ook ten aanzien daarvan het Romeinsche recht zijn absoluut karakter niet verloochent. „Wanneer gy aan uwen naaste iets zult geleend hebben", dus heet het in Gods Woord, „zoo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen; „Buiten zult gij staan, en de man, wien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.'" (Deut. XXIY: 10 en 11) „Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat: „Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid; waarin zou hij liggen? het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal hoeren: want Ik ben genadig!" (Exod. X X n : 26 en 27. Deut. XXIV: 13) Het kleed der weduwe zal ganschelijk niet te pand genomen worden (Deut. XXIV: 17), en eveneens geldt dit voor de molen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1890
Rectorale redes | 100 Pagina's